← België

FAVV contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.8 Rolnummer: C.24.0224.N Zaak: FAVV contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 356 - laatst gezien 2026-06-18 20:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250502.1N.8 Fiches 1 - 3 De rechter mag de verhogingen die betrekking hebben op de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria en voortvloeien uit artikel 11, §1, eerste en derde lid, van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, niet matigen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Vrije woorden: Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - Financiering - Heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria - Verhoging wegens nalatigheid - Matigingsbevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - 09-12-2004 - Art. 11, § 1, eerste en derde lid - 53 ELI link Pub nr 2004022975 Thesaurus CAS: VOEDINGSMIDDELEN Vrije woorden: Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - Financiering - Heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria - Verhoging wegens nalatigheid - Matigingsbevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - 09-12-2004 - Art. 11, § 1, eerste en derde lid - 53 ELI link Pub nr 2004022975 Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - Financiering - Heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria - Verhoging wegens nalatigheid - Matigingsbevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen - 09-12-2004 - Art. 11, § 1, eerste en derde lid - 53 ELI link Pub nr 2004022975 Tekst van de conclusie C.24.0224.N Conclusie van advocaat-generaal VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis van de vrederechter van het kanton Beringen, in laatste aanleg gewezen op 16 februari 2024. Door de eiser wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of de rechter beschikt over een matigingsbevoegdheid met betrekking tot sancties die het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (verder FAVV) moet opleggen wanneer een operator de betalingstermijn van de heffingen en retributies die het FAVV oplegt, niet heeft gerespecteerd. II. Het middel. Eiser verwijt de rechter artikel 159 Grondwet, artikel 11, § 1, van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (verder Wet van 9 december 2004)
(1), artikelen I,1, 2°, VI.83, 17° en VI.84, § 1, l WER, artikel 1231, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek
(2), artikel 5.88, § 2, Burgerlijk wetboek te hebben geschonden door te oordelen: - dat de voormelde artikelen van het WER toepasselijk zijn op de situatie waarbij het FAVV verweerder aanspreekt in zijn hoedanigheid van operator in de voedselketen en dus niet als consument terwijl deze artikelen enkel kunnen worden toegepast op overeenkomsten gesloten tussen een onderneming en een consument (schending van artikelen I.1,2°, VI.83, 17° en 24° en VI.84, § 1, WER); - dat de voormelde artikelen van het WER toepasselijk zijn op de door het FAVV aangerekende vermeerdering en verdubbeling die rechtstreeks voorspruit uit de wet terwijl voormelde artikelen van het WER enkel van toepassing zijn op onrechtmatige bedingen en voorwaarden (schending van artikel 11, § 1, Wet 9 december 2004 en de artikelen VI.83, 17° en 24° en VI.84, § 1, WER en voor zoveel als nodig artikel 159 Grondwet); - dat de rechtelijk matigingsbevoegdheid, zoals bepaald in de artikelen 1231, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek en 5.88, § 2, Burgerlijk Wetboek toepasselijk is op de door het FAVV aangerekende vermeerdering en verdubbeling die rechtstreeks voorspruit uit de wet terwijl die rechterlijk matigingsbevoegdheid enkel van toepassing is op bedingen en dus op contractuele regelingen (schending van artikel 11, § 1, Wet 9 december 2004, artikel 1231, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 5.88, § 2, Burgerlijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 159 Grondwet); Artikel 5.88, § 2, Burgerlijk Wetboek trad in werking op 1 januari 2023 maar gelet op het overgangsrecht bij de Wet van 28 april 2022 is dit artikel niet van toepassing in het huidige dossier maar wel het oude artikel 1231, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek nu de bewuste facturen en aanmaningen van het FAVV dateren van 2015 en 2016
(3). Het FAVV wordt gefinancierd via allerlei manieren en onder andere via financiering door operatoren heffingen en retributies op te leggen
(4). Een operator is de natuurlijke persoon, niet-werknemer, de onderneming in de zin van artikel 4 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, of de vereniging, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is, in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van een product
(5). Een product is elk product of elke materie behorend tot de bevoegdheid van het Agentschap krachtens de wet van 4 februari 2000
(6). In artikel 11 van de Wet van 9 december 2004 dat zich in het hoofdstuk III met de benaming “Administratieve procedures en sancties” bevindt, worden dan de sancties bepaald voor onder meer het niet respecteren van de betalingstermijn van de heffingen en retributies. Artikel 11, § 1, Wet van 9 december 2004 luidt als volgt
(7): “§ 1. Het bedrag van de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria dat bij het verstrijken van de betaaltermijn niet is betaald wordt automatisch en van rechtswege vermeerderd met 10 %. Er wordt bij een ter post aangetekende brief een aanmaning verzonden waarin een uiterste betaaldatum wordt vastgesteld. Het bedrag van de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria en dat van de vermeerdering worden automatisch en van rechtswege verdubbeld als zij nog niet zijn betaald op de uiterste betaaldatum. Als de betaling dan nog geheel of gedeeltelijk uitblijft wordt een ingebrekestelling verzonden die de aanrekening met zich meebrengt van de verwijlinteresten tegen de wettelijke interestvoet op de aldus vermeerderde bedragen. De ingebrekestelling bevat de tekst van deze paragraaf. De Koning stelt de termijnen en de wijze van kennisgeving van de aanmaning en de ingebrekestelling vast”. In artikel 11, § 2bis, van de Wet van 9 december 2004 is een mogelijkheid (en een procedure bepaalt voor de operator die tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om de heffingen, retributies en ontvangsten van laboratoria binnen de bepaalde termijnen te betalen, omwille van een geval van overmacht, om afbetalingstermijnen te bekomen. Artikel 12 van de Wet van 9 december 2004 bepaalt vervolgens onder meer dat wanneer de operator, na de ingebrekestelling, de heffingen of retributies bedoeld in de artikelen 4 en 5 of ontvangsten van laboratoria, evenals de vermeerderingen en verwijlintresten bedoeld in artikel 11, niet betaalt, elke erkenning, vergunning toegekend aan deze operator door de minister of door het Agentschap, evenals, in voorkomend geval, de uitvoering van de keuring, de verwezenlijking van de analyses en de aflevering van certificaten wordt opgeschort vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op deze van de betekening van de ingebrekestelling. In zijn arrest van 24 oktober 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 11 en 12 van de Wet van 7 december 2004 tot doel hebben de niet-naleving van de retributieplicht te voorkomen en te bestraffen en dat uit de aard en de ernst van de sanctie die de operator ondergaat bij niet-tijdige betaling, blijkt dat de regeling, in weerwil van zijn internrechtelijke kwalificatie als bestuurlijke sanctie en zijn beperkte doelgroep, een bestraffend en daardoor een ontradend karakter heeft en bijgevolg een strafrechtelijke sanctie betreft in de zin van artikel 6 EVRM
(8). Verder oordeelt het Grondwettelijk Hof dat: “De vaststelling van de ernst van een tekortkoming en de zwaarwichtigheid waarmee die tekortkoming kan worden bestraft, behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Hij mag bijzonder zware straffen opleggen in aangelegenheden waar de aard van de inbreuken de grondrechten van de burgers en de belangen van de gemeenschap ernstig kan aantasten. Het staat derhalve aan de wetgever om de perken en de bedragen vast te stellen waarbinnen de beoordelingsbevoegdheid van de administratie, en bijgevolg die van de rechtbank, moet worden uitgeoefend. Het Hof zou een dergelijk systeem alleen kunnen afkeuren indien het onredelijk is, met name doordat het op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het algemene beginsel volgens hetwelk inzake sancties niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt, ontsnapt aan de toetsing van de rechter, of aan het recht op het ongestoord genot van eigendom, wanneer de wet in een onevenredig bedrag voorziet en niet de mogelijkheid biedt van een spreiding tussen die straf als maximumstraf en een minimumstraf. Buiten die gevallen zou het Hof zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven, indien het bij de vraag naar de verantwoording voor verschillen in de talrijke wetteksten houdende strafrechtelijke of administratieve sancties, zijn onderzoek, wat de strafmaat en de maatregelen tot verzachting ervan betreft, niet zou beperken tot de gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een onredelijk verschil in behandeling”
(9). En “De wetgever vermocht redelijkerwijs, rekening houdend met de doelstelling van de wet en met de opdracht van het FAVV zoals respectievelijk vermeld in B.2.1 en B.4, te oordelen dat er geen reden was om het FAVV toe te laten de verschuldigde retributie te moduleren, behalve in het geval van overmacht (artikel 11, § 2bis, van de wet van 9 december 2004). Bijgevolg vermocht hij, zonder een kennelijke beoordelingsfout te begaan, te beslissen om aan de gewone hoven en rechtbanken geen bevoegdheden toe te wijzen waarover het FAVV evenmin beschikt. Het in het geding zijnde sanctiemechanisme is derhalve bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens”
(10). De gewone hoven en rechtbanken beschikken dus net zomin als het FAVV over een matigingsbevoegdheid van de door de wet bepaalde sancties bedoeld in artikel 11 van de Wet van 9 december
  1. Noch artikel 1231 Oud Burgerlijk Wetboek, 5.88, § 2, Burgerlijk Wetboek noch de artikelen VI.83 en VI.84 WER kunnen dus worden toegepast op de sancties bedoeld in artikel 11, § 1, van de Wet van 9 december
  2. Wat betreft artikel 1231 Oud Burgerlijk Wetboek besliste het Hof reeds dat dit artikel niet kan toegepast worden op een rechtsverhouding die van reglementaire aard is
(11). Wat betreft één van de voorgangers van artikel VI.83 en VI.84 WER, nl. artikel 31 Wet Handelspraktijkenwet 1991, beslisten het Grondwettelijk Hof en het Hof dat het gebruik van de term 'voorwaarde' naast de term 'beding' in artikel 31, § 1 Wethandelspraktijken 1991 tot gevolg heeft dat niet alleen de bedingen met contractueel karakter sensu stricto, maar ook de leveringsvoorwaarden met reglementair karakter die gebruikt worden door verkopers die deel uitmaken van de categorie der openbare diensten, worden omvat
(12). Sancties met een strafrechtelijk karakter, zoals degene bepaald in artikel 11, § 1, van de Wet van 9 december 2004 vallen evident niet onder dergelijk begrip van leveringsvoorwaarden met reglementair karakter. Het middel kan volgens mij in al zijn onderdelen tot cassatie leiden. Gelet op de bewoordingen gebruikt in het bestreden vonnis, heeft een cassatie op grond van de schending van artikel 11, § 1, eerste en derde lid, Wet van 9 december 2004 de voorkeur. Met de vaststellingen en het oordeel op pagina 4 en 5 van het bestreden arrest verantwoordt de vrederechter zijn beslissing om de verhoging van 10% en de verdubbeling zoals bepaald in artikel 11 van de Wet van 9 december 2004 af te schaffen en de vordering van het FAVV te herleiden tot de hoofdsom vermeerderd met de moratoire interest vanaf de datum van de aanmaning, niet naar recht. Het middel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: Cassatie met verwijzing. ________________________________________________________
(1)BS 17 januari 2015
(2)Zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij Wet van 28 april 2022.
(3)Wet 28 april 2022 houdende boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek, BS 1 juli
  1. Artikel 64 van deze wet luidt als volgt: “Art.
  2. De bepalingen van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op alle rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet. Tenzij partijen anders zijn overeengekomen, zijn die bepalingen niet van toepassing en blijven de vorige regels van toepassing: 1° op de toekomstige gevolgen van rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze wet; 2° in afwijking van het eerste lid, op rechtshandelingen en rechtsfeiten die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet die betrekking hebben op een verbintenis ontstaan uit een rechtshandeling of rechtsfeit dat heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze wet”.
(4)Art. 3, § 1, 2° en 3° van de Wet van 9 december 2004.
(5)Art. 2, 7° van de Wet van 9 december 2009.
(6)Art. 2, 6° van de Wet van 9 december 2009.
(7)Art. 11, § 1, van de Wet van 9 december 2009, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij Wet van 25 mei 2024.
(8)Gwh 24 oktober 2024, nr. 112/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.112, overw. B.10.3.
(9)Gwh 24 oktober 2024, nr. 112/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.112, overw. B.11.
(10)Gwh 24 oktober 2024, nr. 112/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.112, overw. B.13. en B.14.
(11)Cass. 9 september 2016, AR C.15.0454.N, AC 2016, nr. 473, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160909.5; Cass. 3 juni 2010, AR C.08.0581.N, AC 2010, nr. 390, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.4, met concl. van advocaat-general D. THIJS, ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.4.
(12)Gwh 26 oktober 2005, nr. 159/2005, ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.159; Cass. 6 mei 2014, AR P.13.1291.N, AC 2014, nr. 318, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.2; zie ook HvJ 7 november 019, nr. C-349/18, C-350/18, C-351/18, ECLI:EU:C:2019:936, NjW 2020, afl. 418, 209, noot WERBROUCK J.; T.Vred. 2019, afl. 11-12, 689, noot BAETENS-SPETSCHINSKY M. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250502.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250502.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100603.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100603.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160909.5 ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.159 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.112 ECLI:EU:C:2019:936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.