← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 Rolnummer: P.24.1750.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 583 - laatst gezien 2026-06-18 20:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.1 Fiche 1 Een op heterdaad ontdekt misdrijf bedoeld in artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet is datgene dat wordt ontdekt terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd; de vaststelling van de toestand van heterdaad moet aan de huiszoeking voorafgaan en kan niet worden gerechtvaardigd door de vaststelling achteraf van het op heterdaad ontdekte misdrijf

(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 41 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Fiches 2 - 3 Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven; dit bijzonder vereiste is bepaald omdat dit verzoek of die toestemming erop neerkomt afstand te doen van het grondwettelijk recht van de onschendbaarheid van de woning; die afstand is slechts geldig indien hij ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, en zonder dwang
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Fiches 4 - 5 Krachtens artikel 6bis, derde lid, Drugwet kunnen de in dat artikel bedoelde overheidsfunctionarissen zonder bevel van de onderzoeksrechter een huiszoeking uitvoeren in lokalen die dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van de in de Drugwet genoemde stoffen; hiertoe is vereist dat er voorafgaand aan de huiszoeking ernstige aanwijzingen bestaan dat in die lokalen dergelijke stoffen aanwezig kunnen zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 6bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 6bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 6 - 8 Een huiszoeking zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet is een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt gegevens met betrekking tot misdrijven op te sporen en te verzamelen in plaatsen die door het recht op de eerbiediging van het privéleven zijn beschermd
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Tekst van de conclusie P.24.1750.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De woonstbetreding met alleen de mondelinge toestemming van de bewoner wegens inbreuk op de Covid-19-maatregelen die overgaat in een huiszoeking wegens heterdaad of wegens vermoedens van opslag van verdovende middelen enkel op basis van vaststellingen in de woning (artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet, 36 en 41 Sv. en 6bis Drugwet)”.
  1. Voorafgaande beslissingen.
  2. Eisers worden vervolgd wegens feiten A1 tot en met A7 van invoer, uitvoer en vervoer van cocaïne, in vereniging, in de periode tussen 17 augustus 2020 en 27 februari 2021 (artikelen 2bis, § 1, 4 en 6 Drugwet 24 februari 1921) en feit B van voorbereidende handelingen met het oog op de aanmaak, verkoop of levering van verdovende middelen in vereniging, in de periode tussen 17 augustus 2020 en 10 maart 2021 (art. 2bis, § 3b Drugwet), als dader of mededader.
  3. De correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft bij vonnis op tegenspraak van 30 juni 2023 alle feiten bewezen verklaard en volgende straffen opgelegd: aan eiser 1 een gevangenisstraf van 8 jaar, een geldboete van 160.000 euro en de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van 75.000 euro aan illegaal vermogen, en aan eiser 2 een gevangenisstraf van 6 jaar, een geldboete van 120.000 euro en de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van 75.000 euro aan illegaal vermogen.
  4. Het hof van beroep te Antwerpen heeft bij arrest op tegenspraak van 22 november 2024, op hoger beroep van eisers en het volgberoep van het Openbaar Ministerie, eisers vrijgesproken wegens de feiten A2 en A3 en met eenparigheid van stemmen volgende straffen opgelegd voor de overige feiten: aan eiser 1 een gevangenisstraf van 11 jaar, een geldboete van 200.000 euro en de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van 58.333,33 euro en van 154.462,38 euro aan illegaal vermogen, en aan eiser 2 een gevangenisstraf van 8 jaar, een geldboete van 120.000 euro en de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van 58.333,33 euro en van 61.985 euro aan illegaal vermogen. Voor zover de cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissingen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van eisers, de ruime saisine van het appelgerecht (procedure, schuld, straf en kosten) en de vrijspraak van eisers voor de telastleggingen A2 en A3, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  5. Motivering over de regelmatigheid van de huiszoeking.
  6. Eisers voerden in hoger beroep als verweer dat de huiszoeking die op 11 april 2021 werd uitgevoerd in de woning van eiser 2 onregelmatig is, aangezien er geen voorafgaande en schriftelijke toelating van de bewoner van de woning voorligt en er evenmin andere wettelijke gronden bestonden (artikelen 6bis Drugwet en 41 Sv.) om de huiszoeking uit te voeren. Volgens hen moesten de appelrechters de huiszoeking en de daaruit voortvloeiende bewijsgegevens nietig verklaren, op basis van art. 32 V.T.Sv., en die bewijsgegevens à charge uit de debatten weren (blz. 13-14 arrest). Eén van die bewijsgegevens is de smartphone van eiser 2 die tijdens de huiszoeking in beslag werd genomen en waarvan de erin opgeslagen berichten nadien als bewijs werden aangewend (blz. 17). Aanleiding voor de huiszoeking was een onderzoek naar de overtreding van de toen geldende Covid 19-maatregelen om de sociale contacten te beperken en de verspreiding van het Covid 19 virus te beperken. Voor de inbreuk op de Covid 19-maatregelen werd eiser apart vervolgd. De correctionele rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, oordeelde op 3 januari 2024 dat de huiszoeking onregelmatig was. Deze uitspraak is volgens eiser 2 definitief (blz. 14 arrest).
  7. Het arrest stelt over de uitvoering van de huiszoeking bij eiser 2 het volgende vast: - op 11 april 2021 krijgt een interventieploeg van de politie de opdracht om zich te begeven naar een adres waar een lockdownfeestje aan de gang zou zijn. Er zouden verschillende voertuigen voor de woning staan en er weerklinkt muziek binnen in de woning; - ter plaatse stellen de politieambtenaren vast dat er vijf voertuigen in de onmiddellijke omgeving van het huis staan, nemen zij luide techno muziek waar en horen ze verschillende stemmen in de woning. Zij bellen en kloppen herhaaldelijk aan en worden te woord gestaan door de bewoner van het huis, dit is de eiser
  8. Zij vragen hem toelating om de woning te betreden met het oog op controle op het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19 - maatregelen. De eiser 2 verleent mondeling toestemming om de woning te betreden. De verbalisanten volgen hem tot in de leefruimte. Aldaar treffen zij onder meer drank en drugs aan, alsook 10 personen die niet ingeschreven zijn op het adres van de zoeking. Zij verzoeken om bijstand van twee andere ploegen; - een tweede interventieploeg van twee politieambtenaren, waarvan één met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings; neemt bij het ter plaatse gaan naar de woning een stevige, doordringende cannabisgeur waar. Eenmaal in het pand ruiken de politieambtenaren de ontegensprekelijke geur van cannabis en zien zij dat de bewoners in de keuken pogen een houten dienblad weg te moffelen met daarop cannabis. Eveneens liggen in de keuken en leefruimte, vrij zichtbaar, meerdere drugsattributen. - de politieambtenaren nemen vervolgens contact met de procureur des konings, die hen gelast een huiszoeking uit te voeren op grond van artikel 6bis Drugwet. Naast tal van verdovende middelen en een cash geldsom van 16.070,00 euro wordt ook een smartphone van de eiser II aangetroffen en in beslag genomen (iPhone 11 Pro), waarvan de gegevens na uitlezing als bewijs worden gebruikt in de strafprocedure. -noch uit het door eiser 2 ingediende afschrift van het vonnis van de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 3 januari 2024, noch uit enig ander gegeven blijkt dat deze uitspraak over de onregelmatigheid van de huiszoeking verricht bij eiser 2 op 11 april 2021 in kracht van gewijsde is getreden.
  9. Verder oordeelt het arrest dat de politieambtenaren die het eerst ter plaatse kwamen de woning van de eiser op regelmatige wijze hebben betreden. Het steunt hiervoor op de volgende redenen: - de politieambtenaren hebben zich aangemeld aan de voordeur en hebben verzocht om de woning te mogen betreden met het oog op controle van het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19 - maatregelen. De eiser 2 verleende hierop mondeling toestemming om de woning te betreden. Geen enkele bepaling schrijft voor dat de politie over een voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming moet beschikken om een woning te betreden wanneer de betrokken bewoner hiervoor mondeling zijn toestemming heeft verleend. Na het betreden van de woning zijn de politieambtenaren de eiser 2 gevolgd tot in de leefruimte. Het louter volgen van de bewoner van de woning naar de leefruimte nadat ze mondeling toestemming hadden verkregen van deze bewoner om de woning te betreden, betreft geen huiszoeking; - nadat ze door de bewoner waren begeleid naar de leefruimte en aldaar onmiddellijk en zonder dat was aangevat met enige zoeking werden geconfronteerd met een inbreuk op de toen geldende Covid-19 – maatregelen, namelijk de overtreding van het samenscholingsverbod, bevonden de politieambtenaren die als eerste ter plaatse kwamen zich in een heterdaadsituatie met betrekking tot een wanbedrijf. Tegelijk was er sprake van een heterdaadsituatie voor wat betreft inbreuken op de drugswetgeving vermits de politieambtenaren na het betreden van de leefruimte waarheen ze begeleid waren door de bewoner, alsdan ook onmiddellijk de aanwezigheid van verdovende middelen hebben vastgesteld; - de politieambtenaren hebben vervolgens om bijstand verzocht, waarna onder meer een hoofdinspecteur bekleed met hoedanigheid van officier van gerechtelijk politie ter plaatse is gekomen. Gelet op de bestaande heterdaadsituatie was deze politieambtenaar vanzelfsprekend gerechtigd om eveneens de woning te betreden. Na het rechtmatig betreden van de woning heeft ook deze politieambtenaar zelf bijkomende vaststellingen verricht inzake het pogen wegmoffelen van een dienblad met daarop cannabis, hetgeen nogmaals het bestaan van een heterdaadsituatie bevestigde; - gelet op de bestaande heterdaadsituatie met betrekking tot onder meer inbreuken op de drugswetgeving waren de politieambtenaren onder leiding van de aanwezige officier van gerechtelijke politie gerechtigd om vervolgens over te gaan tot een huiszoeking op grond van artikel 41 Wetboek van Strafvordering en artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet; - naast de hoger beschreven rechtmatige uitvoering van een huiszoeking in het kader van een bestaande heterdaadsituatie waren de politieambtenaren tevens gerechtigd een huiszoeking uit te voeren op grond van artikel 6bis Drugwet; - nadat de officier van gerechtelijke politie de woning rechtmatig had betreden, stelde hij de aanwezigheid vast van allerlei drugsattributen die vrij zichtbaar lagen. Deze vaststellingen vormden ernstige en objectieve aanwijzingen dat in de woning verdovende middelen werden vervaardigd, bereid, bewaard of opgeslagen. Daarenboven nam de officier van gerechtelijke politie na de rechtmatige betreding van de woning de kenmerkende cannabisgeur waar. Op grond van het geheel van deze vaststellingen kon worden overgegaan tot een huiszoeking op grond van artikel 6bis Drugwet; - hieruit volgt dat de huiszoeking van 11 april 2021 en de hieruit voortkomende inbeslagname van de smartphone van de eiser 2 wettig waren. Er is bijgevolg geen grond om over te gaan tot uitsluiting van het bewijs dat werd verkregen ten gevolge van deze huiszoeking noch van het daaruit voortkomende bewijs. De strafvordering dient niet onontvankelijk of ontoelaatbaar te worden verklaard, noch dient het aanvankelijk proces-verbaal nietig te worden verklaard. Er is geen sprake van miskenning van het recht op een eerlijk proces.
  10. Eerste middel, eerste onderdeel van eiser
  11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet en artikel 6bis Drugwet om volgende redenen: 1°artikel 3 Huiszoekingswet vereist steeds een voorafgaande en schriftelijke toestemming van de persoon die het werkelijk genot van een woning heeft om deze te betreden met het oog op de opsporing van een misdrijf of van bewijzen voor een misdrijf; deze bepaling maakt geen onderscheid tussen het betreden van een woning met het oog op de visuele inspectie en controle ervan bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten en het betreden van een woning met het oog op de doorzoeking ervan bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten; 2°geen enkele andere bijzondere wetsbepaling in de zin van artikel 1 Huiszoekingswet biedt de vereiste wettelijke grondslag voor de betreding van een woning na een louter mondelinge toestemming met het oog op een visuele inspectie en controle in een woning bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten en 3°ingevolge de onwettigheid van de woonstbetreding konden de verbalisanten geen regelmatige vaststellingen doen van een heterdaadsituatie of van ernstige aanwijzingen vereist voor de toepassing van artikel 6bis Drugwet. De regels over heterdaad en de opsporing van drugmisdrijven in een woning kunnen dus geen grondslag bieden voor de verderzetting van een huiszoeking indien de aanwezigheid van een heterdaadsituatie dan wel de aanwezigheid van drugs werd vastgesteld na een onregelmatige betreding van een woning.
  12. In de toelichting bij het middel verwijst eiser 1 naar volgende stelling van de auteurs Jan SMETS en Steven VANDROMME over de voorafgaande toestemming van de bewoner: “Als de bewoner de deur opent voor de verbalisant die aanbelt, is er geen schending van artikel 15 G.W. dat de onschendbaarheid van de woning waarborgt, indien de verbalisant vaststellingen doet zonder de woning te betreden. Betwisting kan daarentegen wel ontstaan wanneer de verbalisanten worden binnengelaten en vervolgens in de woonkamer aan tafel gaan zitten om de vraag te stellen of zij een huiszoeking met toestemming mogen verrichten. Op dat ogenblik hebben de verbalisanten immers al een gedeelte van de woning betreden en hebben zij er al kunnen rondkijken, ook al zijn ze dan nog niet met de eigenlijke zoeking begonnen. Worden er dan al jointrestanten in een asbak op de salontafel aangetroffen en enkele kleinere hoeveelheden weed, dan kan deze vondst niet als bewijs worden gebruikt”
(1).
  1. Onschendbaarheid van de woning.
  2. Artikel 8.1 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens art. 8.2 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
(2). Volgens artikel 22, eerste lid, Grondwet heeft eenieder recht op eerbieding van zijn privé-en gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. Deze waarborg heeft dezelfde draagwijdte als art. 8 EVRM
(3). Daarnaast stelt art. 17.1 UNO-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten: “Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam”. 10. Artikel 15 Grondwet bepaalt: “De woning is onschendbaar: geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft”. Het hoofddoel van deze fundamentele waarborg is niet om iemands eigendomsrecht of recht op bezit te beschermen maar om de persoonlijke vrijheid van de burger te waarborgen, door de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn huiselijke rust en, meer in het algemeen, zijn privéleven
(4). Uit artikel 15 Grondwet en de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de bescherming die deze bepaling biedt, niet verder reikt dan de bescherming onder artikel 8 EVRM
(5). Advocaat-generaal André VAN INGELGHEM stelde hierover: “Volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, genomen in het kader van een toetsing aan artikel 15 GW juncto de artikelen 6 en 8.1 EVRM, vereist een huiszoeking een voorafgaande rechterlijke beslissing. Het optreden van de onderzoeksrechter, een onpartijdig en onafhankelijk magistraat, is immers een essentiële waarborg voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van de onschendbaarheid van de woning is onderworpen, die is gewaarborgd bij artikel 15 GW en artikel 8.1 EVRM. In sommige aangelegenheden is de wetgever evenwel van die regel afgeweken, maar dergelijke afwijkingen moeten uitzonderlijk zijn en dienen te worden verantwoord door redenen eigen aan de misdrijven waarop zij betrekking hebben. Het toepassingsgebied van de afwijking moet beperkt zijn tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het wettelijk doel te bereiken, terwijl ook de uitoefening van de visitatiebevoegdheid met voldoende waarborgen ter voorkoming van misbruik moet omringd zijn
(6)”.
  1. Artikel 26 Wet Politieambt van 5 augustus 1992 laat de politie toe, voor de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, de publiek toegankelijke plaatsen en verlaten onroerende goederen te betreden.
  2. Begrip huiszoeking.
  3. Cruciaal voor de onschendbaarheid van de woning is de term ‘huiszoeking’ in art. 15 Grondwet. Is er sprake van een huiszoeking als de politie na mondelinge toestemming van de bewoner diens woning betreedt voor een loutere vaststelling, zoals het al dan niet naleven van Covid-19 noodmaatregelen over een beperkt aantal genodigden, zonder intentie tot inbeslagname van voorwerpen of stukken of zonder het openen van kasten? Kan de politie met enkel de mondelinge toestemming van de bewoner een woning betreden om een specifiek misdrijf te onderzoeken, “zoekend rondkijken” en vervolgens op basis van wat men in de woning opmerkt door een visuele inspectie een “echte huiszoeking” verrichten om een ander misdrijf vast te stellen?
  4. Gelet op de onschendbaarheid van de woning, komt het mij voor de term ‘huiszoeking’ ruim op te vatten. Een systeem waarin de politie geldig de woonst kan betreden na mondelinge toestemming van de bewoner en eens in de woning zonder enige formaliteit een huiszoeking kan verrichten, enkel op basis van elementen ontdekt in de woning, houdt het risico in van ongeoorloofde druk en van uitholling van de onschendbaarheid van de woning. Het Hof nam reeds aan in 2018, in een zaak van vluchtmisdrijf en het besturen van een wagen onder invloed van alcohol: “Een huiszoeking is een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt gegevens met betrekking tot misdrijven op te sporen en te verzamelen in privé-plaatsen, met andere woorden plaatsen die door het recht op de eerbiediging van het privé-leven beschermd zijn. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een huiszoeking”
(7). Wanneer in het kader van een opsporingsonderzoek (art. 28bis Sv.) een huiszoeking nodig is, in de zin van het betreden van een woning of aanhorigheid met het oog op het verzamelen van bewijs of het doorzoeken van ruimten, moet die huiszoeking voldoen aan wettelijke bepalingen over een woonstbetreding of huiszoeking verricht zonder bevel van de onderzoeksrechter
(8). 14. Deze definitie laat weinig of geen ruimte voor een eerder kunstmatig onderscheid tussen het gewoon rondkijken in een woning na een geldige “woonstbetreding” en een huiszoeking met het oog op het verzamelen van bewijs of inbeslagneming. Voor een politionele interventie in een woning die alleen dient voor de arrestatie van een bewoner en geen huiszoeking vereist, in de zin van het stellen van een onderzoeksdaad, kan de mondelinge toestemming van de bewoner wel volstaan
(9).
  1. Het bestreden arrest neemt aan, op basis van hoger vermelde redenen, dat er in een eerste fase van de aanwezigheid van de politie in de woning van eiser 2 geen sprake was van een huiszoeking, enkel van het ‘betreden van de woning’, met voorafgaande toestemming van eiser
  2. Pas na de rechtmatige woonstbetreding, waarbij de politie de bewoner (eiser 2) volgde naar de leefruimte, merkte de politie verdovende middelen op en volgde er een ‘huiszoeking’, die wordt gesteund op de wetsbepalingen over heterdaad (art. 41 Sv.) en de zoeking naar opgeslagen verdovende middelen (art. 6bis Drugwet). Het arrest merkt evenwel op dat de politie eiser 2 verzocht om toelating tot het betreden van zijn woning “met het oog op controle van het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19-maatregelen”. Aangezien die maatregelen verbonden waren aan strafsancties (art. 182 en 187 Wet Civiele Veiligheid en artt. 15 en 26 MB 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid 19 te beperken, BS 28 oktober 2020, zoals van toepassing op moment van de feiten), werd aldus toestemming gevraagd om een onderzoek in te stellen naar een misdrijf. Naar mijn mening zijn de redenen over een woonstbetreding zonder huiszoeking niet naar recht verantwoord, gelet op vermelde definitie van het begrip ‘huiszoeking’, en is het eerste onderdeel gegrond.
  3. Huiszoeking met toestemming.
  4. Vermelde artikelen 8 EVRM en 15 en 22 Grondwet verbieden niet dat hij die geniet van het recht op bescherming van de woning daarvan afstand doet, onder meer door een overheid toe te staan om de woning te betreden
(10). Die afstand van een grondrecht is evenwel slechts geldig indien die afstand ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, alsook zonder dwang
(11). In het bestreden arrest wordt geen melding gemaakt van de voorschriften over de huiszoeking met toestemming. De door artikel 8 EVRM vereiste wettelijke basis om de inmenging van het openbaar gezag in de uitoefening van het recht op eerbiediging van de woonst te rechtvaardigen, indien er geen voorafgaand rechterlijk bevel tot huiszoeking is uitgevaardigd, is de Huiszoekingswet van 7 juni 1969
(12). Artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet bepaalt: “Geen opsporing of huiszoeking mag in een voor het publiek niet toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds. Artikel 1, tweede lid, Huiszoekingswet van bepaalt: “Het in het eerste lid gestelde verbod vindt geen toepassing: 1° wanneer een bijzondere wetsbepaling de opsporing of de huiszoeking 's nachts toelaat; 2° wanneer een magistraat of een officier van gerechtelijke politie zich tot vaststelling op heterdaad van een misdaad of wanbedrijf ter plaatse begeeft; 3° in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 46, 2° van het Wetboek van Strafvordering; (…).” 17. Artikel 3 Huiszoekingswet, ingevoegd door art. 55 Wet Politieambt 5 augustus 1992 (ter vervanging van oud art. 1bis), bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven
(13). Dit bijzonder voorschrift is aangenomen omdat dit verzoek of die toestemming erop neerkomt te verzaken aan het grondwettelijk recht van de onschendbaarheid van de woning
(14). Als uitzondering op de onschendbaarheid van de woning moeten de voorwaarden voor een huiszoeking zonder voorafgaand rechterlijk bevel strikt worden geïnterpreteerd
(15). Van zodra de politie een opsporing of een huiszoeking in een woning wil verrichten zonder rechterlijk bevel of zonder dat aan bijzondere voorschriften is voldaan, zoals de huiszoeking bij heterdaad (artt. 36 en 41 Sv.), moet vooraf de schriftelijke toestemming van de bewoner worden ingewonnen. De agent moet beschikken over een aanwijzing van een misdrijf, de bewoner eerst inlichten over de reden zijn verzoek om de woning te betreden en vervolgens de schriftelijke toestemming bekomen vóór hij de huiszoeking aanvangt
(16). Een huiszoeking met schriftelijke toestemming kan door elke politieambtenaar worden uitgevoerd
(17). 18. In de rechtspraak geldt als uitzondering op deze regel het betreden van de woning met louter de mondelinge toestemming van de bewoner voor het afnemen van een ademtest of ademanalyse in verkeerszaken
(18). In dit geval wordt aangenomen dat er geen huiszoeking plaatsvindt, alleen van een technische onderzoeksdaad die de persoon van de verdachte raakt en geen rondkijken in de woning vereist. Bovendien lijkt mij er een verschil te bestaan tussen het afnemen van een ademtest in een woning, na ernstige aanwijzingen van een reeds begane verkeersinbreuk zoals vluchtmisdrijf of dronkenschap achter het stuur, en het betreden van een woning om vast te stellen of in die woning de toen geldende regels over een beperkt aantal personen werden nageleefd, waaraan strafsancties zijn verbonden. De grens met de situatie van heterdaad is in de eerste situatie van een misdrijf begaan op de openbare weg voorafgaand aan de woonstbetreding of huiszoeking vrij subtiel. In de tweede situatie dient de woonstbetreding precies om een misdrijf in de woning vast te stellen, wat m.i. als een ‘opsporing’ in de zin van art. 3 Huiszoekingswet kan worden opgevat. 19. Voor de woonstbetreding om een illegale vreemdeling te arresteren, met oog op verwijdering van het Belgisch grondgebied, is de Huiszoekingswet eveneens de wettelijke basis voor een inbreuk op de onschendbaarheid van de woonst, bij gebrek aan een specifieke bepaling over de woonstbetreding in de Vreemdelingenwet van 15 december 1980. Het Hof oordeelde dat een mondelinge toestemming van de vreemdeling om de woning te betreden niet volstaat voor deze woonstbetreding gericht op de bestuurlijke vrijheidsberoving van de vreemdeling, ongeacht het tijdstip van die betreding
(19). Daarbij moet die schriftelijke toestemming ondubbelzinnig, vrijwillig en met kennis van zaken worden gegeven
(20). 20. Volgens Dr. Ann BAILLEUX is het aangewezen dat de politie slechts een woning betreedt na het schriftelijk akkoord van de bewoner. Het betreden van een woning met het oog op een huiszoeking zonder vooraf de schriftelijke toestemming te bekomen is niet toegelaten, al kan er discussie ontstaan in gevallen waar de politieambtenaar eerst de woning betreedt alvorens de schriftelijke toestemming te vragen
(21). Wanneer de bewoner de politie toegang verleent tot zijn woning zonder dat er sprake is van een ‘huiszoekingsfinaliteit’, stemt de bewoner er volgens Dr. Bailleux er stilzwijgend mee in dat de politie in de woning zaken waarneemt, tot er effectief toestemming tot huiszoeking wordt gegeven
(22). Steven VANDROMME wijst eveneens op de situatie van een kort intermezzo tussen het aanbellen, het binnenlaten van de politie in de woning door de bewoner en het invullen van het document van schriftelijke toestemming. Als in dit kort tijdsbestek de politie een en ander vaststelt in de woning door gewoon rond te kijken, kan volgens hem een beroep worden gedaan ‘op het gezond verstand van de feitenrechters’
(23). In een zaak van woonstbetreding voor de bestuurlijke arrestatie van een illegale vreemdeling oordeelde het Hof dat de bepalingen van de Huiszoekingswet niet verhinderen “dat de politieambtenaren op grond van een mondelinge toestemming de woonst betreden louter om hun komst toe te lichten en na te gaan of een schriftelijke toestemming wordt verleend alvorens de hen in het kader van de Vreemdelingenwet gegeven opdracht uit te voeren op grond van die schriftelijke toestemming”
(24).
  1. Zoals eiser 1 aanhaalt, maakt de Huiszoekingswet geen onderscheid tussen de betreding van een woning met het oog op een visuele inspectie en controle bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten en de betreding van een woning met het oog op de doorzoeking van een woning bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten. Van zodra er een ‘opsporing’ nodig is in de woning, is een voorafgaande schriftelijke toestemming vereist van de bewoner, zelfs al zou voor de politie een louter visuele inspectie (‘zoekend rondkijken’) in de woning volstaan. Het bestreden arrest verwijst ook niet naar een andere bijzondere wetsbepaling in de zin van art. 1, tweede lid, 1° Huiszoekingswet als grondslag voor een regelmatige betreding van de woning van eiser 2, voor een visuele controle op basis van een ernstige aanwijzing van een misdrijf ontdekt voorafgaand aan de woonstbetreding.
  2. Het oordeel dat een mondelinge toestemming om de woning te betreden volstaat, na een vraag van de politie om na te gaan of de toen geldende Covid 19-maatregelen in die woning worden nageleefd, lijkt mij niet naar recht verantwoord. Deze maatregelen vermeld in het MB van 28 oktober 2020 steunen op de Wet Civiele Veiligheid van 15 mei 2007 (art. 182 en 187), die geen bijzondere regeling bevat over een opsporing in een woning of een huiszoeking waarvoor de mondelinge toestemming van de bewoner zou volstaan. Op moment van de woonstbetreding bij eiser 2 gold de regel dat een opsporing in de woning of een huiszoeking met toestemming van de bewoner een voorafgaande schriftelijke toestemming vereist (art. 3 Huiszoekingswet). De motivering “geen enkele bepaling schrijft voor dat de politie over een voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming moet beschikken om een woning te betreden wanneer de betrokken inwoner hiervoor mondeling zijn toestemming heeft verleend” (blz. 15) druist in tegen deze regel, zodat het onderdeel gegrond voorkomt.
  3. Bijkomend kan het arrest m.i. niet aannemen dat de bewijsgegevens bekomen tijdens de uitvoering van de huiszoeking met mondelinge toestemming van de bewoner gericht op een Covid-19-inbreuk en betrekking hebbend op drugmisdrijven (nl. de smartphone van eiser 2 en de uitlezing van de erin opgeslagen gegevens) regelmatig zijn bekomen. Er moet wel nog worden nagegaan of de appelrechters de regelmatigheid van de bewijsgegevens over drugmisdrijven ontdekt tijdens de huiszoeking niet konden steunen op andere wetsbepalingen die een woonstbetreding of huiszoeking toelaten, zonder toestemming van de bewoner. Tenslotte blijkt uit niet uit het arrest dat de politieagenten van het eerste interventieteam op enig moment, na het betreden van de woning, de schriftelijke toestemming van de bewoner hebben gevraagd of van plan waren dit te vragen. De problematiek van de korte pauze tussen het binnenlaten van politieagenten in de woning en de schriftelijke toestemming gegeven in de woning, waarin er reeds aanwijzingen van een misdrijf in de woning worden ontdekt, is dus niet aan de orde. Ook om die reden lijkt mij het onderdeel gegrond.
  4. Huiszoeking op basis van heterdaad.
  5. Uit de artikelen 87, 88, 89 en 89bis Wetboek van Strafvordering (Sv.) volgt dat de huiszoeking in de regel de aanwezigheid vereist van de onderzoeksrechter zelf in de woning van de verdachte of van een andere persoon of kan worden verricht door de politie op basis van een voorafgaand bevel tot huiszoeking, bevolen door de onderzoeksrechter. Uitzondering is de situatie van heterdaad, waarin de procureur des Konings of een officier van gerechtelijke politie een huiszoeking kan verrichten (art. 36-39 Sv. en art. 1, tweede lid, 2° Huiszoekingswet).
  6. Een op heterdaad ontdekt misdrijf is datgene dat wordt ontdekt terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd (art. 41, eerste lid, Sv. en art. 1, tweede lid, 2° Huiszoekingswet). Als ontdekking op heterdaad wordt ook beschouwd het geval dat de verdachte door het openbaar geroep wordt vervolgd en het geval dat de verdachte in het bezit wordt gevonden van zaken, wapens, werktuigen of papieren, die doen vermoeden dat hij dader of medeplichtige is, mits dit kort na het misdrijf geschiedt (art. 41, tweede lid, Sv.)
(25). De feitenrechter oordeelt onaantastbaar op basis van de gegevens in het strafdossier en de elementen aangebracht in het debat op de terechtzitting over de al dan niet ontdekking op heterdaad van een misdrijf voorafgaand aan de woonstbetreding of huiszoeking, waarbij het Hof alleen toeziet op de wettigheid van de motieven. De omstandigheid dat de politie de bewoner van de woning voorafgaandelijk heeft gevraagd of hij toestemming wilde verlenen voor het uitvoeren van een huiszoeking of dat de politieambtenaren zelf twijfels zouden hebben gehad over het verenigd zijn van de voorwaarden voor de toepassing van de heterdaadprocedure zijn voor die beoordeling niet relevant
(26). In geval van ontdekking van het misdrijf op heterdaad kan de politieambtenaar meteen een huiszoeking verrichten, zonder voorafgaande toestemming van de procureur des Konings
(27). De procedure van heterdaad is eveneens van toepassing als aan de procureur des Konings een huiszoeking wordt gevraagd door het hoofd van het huis of door het slachtoffer van partnergeweld (art. 46 Sv.). 26. De vaststelling van de toestand van heterdaad moet aan de opsporing ten huize van de verdachte of de huiszoeking voorafgaan en kan niet worden gerechtvaardigd door de vaststelling a posteriori van het op heterdaad ontdekte misdrijf
(28). Er moet daarbij een zekerheid zijn over een misdrijf in uitvoering of een reeds gepleegd misdrijf op het moment van het binnendringen in de woning. Loutere vermoedens en aanwijzingen dat een misdrijf zou kunnen gepleegd zijn of worden volstaan niet om een feit vast te stellen door een huiszoeking gesteund op heterdaad
(29). In een zaak van een controle op het samenscholingsverbod tijdens de Covid.19-crisis (MB 23 maart 2020) nam het hof van beroep te Brussel aan dat: -de melding van een tuinfeest en het horen van luide muziek en de stemmen van meerdere personen op zich geen ernstige aanwijzingen en vermoedens vormen die een inbreuk op het bij MB van 23 maart 2020 ingesteld samenscholingsverbod zeer waarschijnlijk maken; -de beoordeling door de politieambtenaar dat een toestand verdacht is en het enkele vermoeden dat mogelijks een inbreuk wordt gepleegd op het samenscholingsverbod of deze inbreuk zou kunnen gepleegd zijn of worden, niet gelijkgesteld kan worden met de ontdekking op heterdaad van een misdrijf, wanneer een ander, volledig reglementaire verklaring voor de aangetroffen toestand mogelijk en plausibel is, te dezen, met name, de samenkomst in de eigen tuin van personen die onder hetzelfde dak leven, al dan niet in het gezelschap van een persoon met wie zij gerechtigd waren contact te onderhouden; -dat de vaststelling van de toestand van heterdaad aan de opsporing ten huize moet voorafgaan en niet gerechtvaardigd kan worden door de vaststellingen a posteriori
(30).
  1. Het bestreden arrest oordeelt niet dat de politieambtenaren van de eerste interventieploeg een huiszoeking hebben verricht of konden verrichten, op basis van ernstige aanwijzingen van een reeds gepleegde inbreuk op het toen geldende samenscholingsverbod of een ‘lockdownfeestje’ dat aan de gang is op moment van hun toegang tot de woning van de vermoedelijke overtreder van de Covid-19-maatregelen. Volgens de appelrechters ontstond de situatie van heterdaad pas nadat de agenten waren binnengelaten en door eiser 2 waren begeleid naar de leefruimte van zijn woning, waar de overtreding van die noodmaatregelen werd vastgesteld en tevens verdovende middelen werden opgemerkt. Het arrest geeft m.i. als enige reden voor het rechtmatig betreden van de woning door de politie op dat eiser 2 als bewoner daarin mondeling toestemde en dat de woonstbetreding geen huiszoeking inhield, waarvoor buiten de situatie van heterdaad een schriftelijke toestemming is vereist. Ik ben van mening dat bij gebrek aan vaststelling van een Covid-19-inbreuk op heterdaad de appelrechters hadden moeten nagaan of de woonstbetreding voldeed aan de strikte vereisten van de Huiszoekingswet of van een andere wetsbepaling (zoals art. 27 Wet Politieambt), in plaats van (onterecht) de mondelinge toestemming van de bewoner of het louter volgen van de bewoner naar de leefruimte met die toestemming als reden op te vatten voor een regelmatige opsporing in de woning. Voorts lijkt mij het bestreden arrest ook niet uit de weergegeven vaststellingen van de politie (luide technomuziek en meerdere stemmen in de woning en vijf geparkeerde wagens in de onmiddellijke omgeving van de woning) impliciet af te leiden of te kennen te geven dat de woonstbetreding regelmatig is wegens de ontdekking op heterdaad van een Covid-19-inbreuk. Aangezien het bestreden arrest het aspect toestemming van de bewoner beklemtoont, eerder dan feitelijke omstandigheden die kunnen wijzen op een lockdownfeestje, zou men zelfs uit het arrest kunnen afleiden dat er geen sprake van heterdaad, omdat voor een politioneel optreden wegens heterdaad die toestemming irrelevant is.
  2. Verder lijkt mij de motivering over de vaststellingen op heterdaad van de tweede interventieploeg niet naar recht verantwoord. Het bestreden arrest geeft immers aan dat de agenten van de tweede ploeg in bijstand werden opgeroepen door agenten van de eerste ploeg (blz. 14). Uit geen element blijkt dat de agenten van de tweede ploeg een eigen onderzoek hadden verricht voorafgaand aan hun huiszoeking in de woning van eiser
  3. De onregelmatigheid begaan tijdens de eerste huiszoeking, ontstaan door het ontbreken van heterdaad of de voorafgaande schriftelijke toestemming van de bewoner, kan m.i. niet worden weggewerkt of gezuiverd door de daaropvolgende tweede huiszoeking door andere agenten, gesteund op vaststellingen in de woning die een situatie van heterdaad zouden opleveren. Uit het arrest blijkt een naadloze overgang van de eerste naar de tweede huiszoeking, zodat een onregelmatigheid tijdens de eerste huiszoeking ook aanleiding geeft tot onregelmatigheid van de tweede huiszoeking. Of die onregelmatigheid in de opsporing aanleiding geeft tot de uitsluiting van het bekomen bewijsmateriaal moet door de feitenrechter worden beoordeeld aan de hand van de criteria vermeld in art. 32 V.T.Sv. In zoverre lijkt mij het onderdeel eveneens gegrond.
  4. Huiszoeking wegens een noodsituatie.
  5. Politieambtenaren kunnen als maatregel van bestuurlijke politie een niet voor het publiek toegankelijke plaats doorzoeken op verzoek van de persoon die het genot heeft van het gebouw of met diens toestemming of wanneer de lichamelijke integriteit van personen in het gebouw ernstig is bedreigd en alleen door de zoeking kan worden afgewend. Het gaat daarbij om een situatie van en ‘ernstig en nakend gevaar voor rampen, onheil of schadegevallen of wanneer het leven of de lichamelijke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd, zowel ’s nachts als overdag’ (art. 27 Wet Politieambt van 5 augustus 1992, gewijzigd door art. 4 Wet 19 juli 2018, BS 21 augustus 2018)
(31). Voor deze betreding in een woonst in een noodsituatie is er geen voorafgaande toestemming van de bewoner vereist
(32). 30. In het bestreden arrest wordt geen melding gemaakt van art. 27 Wet Politieambt als grondslag voor de woonstbetreding. De woonstbetreding diende voor ‘controle van het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19-maatregelen’ (blz. 15) en lijkt te zijn opgevat als een maatregel van gerechtelijke politie. De Wet Civiele Veiligheid van 15 mei 2007, zoals van toepassing voor de Pandemie-wet van 14 augustus 2021, bevat geen bijzondere voorschriften over de woonstbetreding of de huiszoeking. Het betreden van woningen voor naleving van de toen geldende Covid-19-maatregelen, zoals bepaald in art. 15 MB 28 oktober 2020 en gesteund op deze wet, vereist bijgevolg een situatie van heterdaad
(33)of van toepassing van de Huiszoekingswet van 7 juni 1969, zoals de voorafgaande schriftelijke toestemming van de bewoner, waarbij voor deze voorwaarden een strikte interpretatie geldt. Het middel komt mij ook op dit punt gegrond voor.
  1. Huiszoeking op basis van de Drugwet.
  2. Artikel 6bis, derde lid, Drugwet bepaalt dat de officieren van gerechtelijke politie en de ambtenaren of beambten, daartoe aangewezen door de Koning, te allen tijde de lokalen mogen bezoeken welke dienen voor onder meer het bewaren of het opslaan van de in de Drugwet genoemde stoffen. Uit die bepaling volgt dat een bevoegd opsporingsambtenaar een huiszoeking mag uitvoeren in een woning zonder voorafgaand rechterlijk bevel tot huiszoeking zo hij voorafgaandelijk beschikt over reële, ernstige en objectieve aanwijzingen dat die woning wordt gebruikt voor het bewaren, bezit of het opslaan van in de Drugwet genoemde stoffen.
(34)Die aanwijzingen kunnen niet bestaan in louter subjectieve elementen en moeten het niveau van een eenvoudig vermoeden overstijgen, zoals aangegeven in het bestreden arrest (blz. 15). 32. Bij toepassing van art. 6bis Drugwet mogen officieren van gerechtelijke politie de woning niet alleen betreden voor een louter visuele inspectie van de ruimten, maar ook doorzoeken, om de nodige bewijzen te verzamelen over het vervaardigen of het bewaren van verdovende middelen. Een heterdaadsituatie is daarbij niet vereist
(35).
  1. Het bestreden arrest stelt vooreerst dat nadat “de officier van gerechtelijke politie” de woning rechtmatig had betreden, hij de aanwezigheid vaststelde van allerlei drugsattributen die vrij zichtbaar lagen (blz. 16). Deze vaststellingen vormden ernstige en objectieve aanwijzingen dat in de woning van eiser 2 verdovende middelen werden vervaardigd. Daarenboven nam de officier van gerechtelijke politie na de rechtmatige betreding van de woning de kenmerkende cannabisgeur waar. Het lijkt mij niet duidelijk of met de ‘officier van gerechtelijke politie’ een politieambtenaar van het eerste of het tweede interventieteam wordt bedoeld.
  2. Indien met dit oordeel de eerste fase van de huiszoeking wordt bedoeld, verricht door de eerste interventieploeg, lijkt mij het bestreden arrest niet naar recht verantwoord, omdat 1°uit geen enkel gegeven blijkt dat voorafgaand aan de woonstbetreding met enkel de mondelinge toestemming van de bewoner de politieambtenaren van het eerste interventieteam al beschikten over ernstige en objectieve aanwijzingen van het vervaardigen of de opslag van verdovende middelen in de woning en 2°uit het arrest niet blijkt dat één van de agenten van de eerste interventieploeg de hoedanigheid had van officier van gerechtelijke politie. Die hoedanigheid wordt alleen vermeld voor de leden van de tweede interventieploeg.
  3. Gesteld dat vermelde redengeving betrekking heeft op de vaststellingen van de tweede interventieploeg, lijkt mij het arrest eveneens in strijd met artikel 6bis Drugwet, omdat uit geen enkel gegeven blijkt dat leden van die tweede ploeg vooraf een eigen onderzoek hadden verricht naar druginbreuken en alleen op basis van hun eigen vaststellingen redelijkerwijze konden vermoeden dat er in de woning van eiser 2 verdovende middelen waren bewaard, voorafgaand aan de doorzoeking van die woning. Uit het geheel van redenen blijkt dat de agenten van de tweede interventieploeg zich naar de woning begaven na een oproep tot bijstand van agenten van het eerste team nadat die reeds verdovende middelen in de woning hadden opgemerkt. Zonder de onregelmatige betreding van de woning door agenten van de eerste interventieploeg hadden de agenten van het tweede team geen vaststellingen kunnen verrichten ingevolge een huiszoeking gesteund op artikel 6bis Drugwet. In deze aaneenschakeling van gebeurtenissen, waarbij het optreden van de twee teams van dezelfde politiedienst te beschouwen is als één onafgebroken zoeking in een privéwoning, brengt een onregelmatige woonstbetreding mee dat de latere vaststellingen en inbeslagnames in het kader van een huiszoeking in beginsel niet bruikbaar zijn als belastend bewijs, als vrucht van de eerste onregelmatige vaststellingen van druggebruik in de woning. De regels met betrekking tot de bewijsvoering vereisen volgens het Hof, in principe, dat de rechter de onwettig of onregelmatig bevonden bewijzen uit het debat weert samen met de elementen die er het gevolg van zijn. Dit verhindert evenwel niet dat de rechter uitspraak doet op grond van andere bewijselementen die, zonder aangetast te zijn door enig gebrek, aan het vrije debat tussen partijen onderworpen zijn
(36). In zoverre is het middel eveneens gegrond.
  1. Besluit.
  2. Het oordeel dat de politie de woning van eiser 2 regelmatig heeft betreden na zijn mondelinge toestemming, waarna er in de woning verdovende middelen en een smartphone in beslag werden genomen, lijkt mij in strijd met de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet, aangezien dit betreden was gericht op de vaststelling van een misdrijf en dus een ‘huiszoeking’ als oogmerk had, een voorafgaande schriftelijke toestemming was vereist voor die huiszoeking en uit geen enkele reden blijkt dat voorafgaand aan de woonstbetreding de politie kon overgaan tot een huiszoeking wegens heterdaad of een huiszoeking op basis van art. 6bis Drugwet.
  3. De onregelmatigheid op het moment van de woonstbetreding kan niet worden weggewerkt door aan te nemen dat latere vaststellingen in de woning, verricht door leden van een ander politieteam, regelmatig zouden zijn wegens een situatie van heterdaad of ernstige en objectieve aanwijzingen van opslag van verdovende middelen in de woning. Het arrest maakt geen melding van een andere wetsbepaling waarop de politiedienst kon steunen om een woning te betreden enkel op basis van aanwijzingen van een inbreuk op het samenscholingsverbod van het MB van 28 oktober 2020, met of zonder de toestemming van de bewoner. Het middel van eiser 1 komt mij gegrond voor en kan eveneens worden aangewend als ambtshalve middel wat betreft eiser 2, die geen memorie met cassatiemiddelen heeft ingediend. De overige grieven (tweede onderdeel eerste middel en het tweede en derde middel) kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie of tot een cassatie zonder verwijzing van de zaak, en behoeven geen antwoord.
  4. Gezien het bestreden arrest aangeeft dat de smartphone van eiser 2, in beslag genomen tijdens de betwiste huiszoeking, in het kader van het huidig strafdossier over de druginbreuken werd uitgelezen en de resultaten hiervan worden gebruikt als bewijs, zonder enige verduidelijking over dat bewijs als steunpunt voor alle bewezen verklaarde of sommige ervan of voor de schuld van beide beklaagden of slechts één van hen, ben ik van mening dat er reden is voor een cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de veroordeling van eisers voor de tenlasteleggingen A1, A4, A5, A6, A7 en B. __________________________________
(1)J. SMETS en S. VANDROMME, “Huiszoeking met toestemming”, in Comm.Straf. 2005, al. 5bis, met verwijzing naar Corr. Antwerpen 23 juni 1998, Vigiles 1999, nr. 4, 22 noot F. VERSPEELT, “Huiszoeking in een drugpand”.
(2)EHRM 24 april 1990, Kruslin en Huvig t/Frankrijk, www.echr.coe.int; P. DE HERT, “Artikel 8- Recht op privacy”, in Handboek EVRM. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2004, 757-769; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina 2022, 1113-1114; E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 59-61.
(3)K. RIMANQUE, De Grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Intersentia 2004, 65-66; E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie& Recht, 2023, 61-65.
(4)Concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in de zaak Cass. 4 januari 2006, AR P.05.1417.F, Pas. 2006, nr. 6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1; P. DE HERT, “Artikel 8 EVRM. Recht op privacy”, in Handboek EVRM. Deel 2. Artikelsgewijze commentaar, Intersentia 2005, 757.
(5)Cass. 26 april 2018, AR C.15.0258.N, AC 2018, nr. 270 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.9, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM.
(6)Concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM in de zaak Cass. 26 april 2018, AR C.15.0258.N, AC 2018, nr. 270, p.2, met verwijzing naar GwH 16 december 1998, nr. 140/98, B.1 en B.2; GwH 14 februari 2001, nr. 16/2001, B.13.2 en 13.7; GwH 28 maart 2002, nr. 60/2002, B.3.4 en 3.8; GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, B.77.3; GwH 3 december 2008, nr. 171/2008, B.5.1; GwH 27 januari 2011, nr. 10/2011, B.6.2. Zie aanvullend GwH 22 april 2021, arrest 60/2021, RW 2020-21, 1640; E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 62.
(7)Cass. 20 maart 2018, AR P.17.0905.N, AC 2018, nr. 192 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2. Zie ook de definitie van de huiszoeking in de rechtsleer als een “dwangmaatregel die bestaat in het binnendringen, door een bevoegde autoriteit, in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, volgens de door de wet bepaalde voorwaarden en procedures, teneinde er een misdrijf vast te stellen en/of er de bewijzen van een misdrijf te verzamelen of er vermoedelijke daders en medeplichtigen van een misdrijf te arresteren” (S. VANDROMME, “De huiszoeking: de principes en de toepassing ervan in de rechtspraak”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia 2012, 149-150).
(8)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 579.
(9)Cass. 6 maart 2013, AR P.13.0333.F, AC 2013, nr. 152 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130306.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas..
(10)Cass. 22 april 2025, AR P.25.0519.N, AC 2025, nr. 315 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.25.
(11)Cass. 22 april 2025, AR P.25.0519.N, AC 2025, nr. 315 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.25.
(12)Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0817.N, AC 2024, nr. 468 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.7; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, 216.
(13)Over de vereiste van een schriftelijke toestemming voorafgaand aan de huiszoeking zie Cass. 5 oktober 2022, AR P.22.1200.F, AC 2022, nr. 610 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11, met concl. van advocaat-generaal. D. VANDERMEERSCH, JLMB 2022, 1643; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0100.F, AC 2018, nr. 82 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 12 januari 2000, AR P.00.0024.F, AC 2000, nr. 29 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000112.12; M. VAN DER STRATEN, “Over de huiszoeking met toestemming”, RW 2003-04, 793-794; J. SMETS en S.VANDROMME, “Huiszoeking met toestemming”, in Comm. Strafr. 2005, 19p.; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 220-222; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, é-280; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 577-580.
(14)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0671.N, AC 2020, nr. 8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3; Cass. 4 januari 2006, AR P.05.1417.F, AC 2006, nr. 6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., RDPC 2006, 454, JT 2006, 47, T. Strafr., 2006, 90; Cass. 8 september 1993, AR P.93.1035.F, AC 1993, nr. 336 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930908.16, RW 1994-95, 465; J. SMETS en S. VANDROMME, “Huiszoeking met toestemming”, in Comm.Straf. 2005, 2; A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, 234.
(15)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 574.
(16)R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, 238-239.
(17)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, 235.
(18)Cass. 12 december 2023, AR P.23.1074.N, AC 2023, nr. 838 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.14, met concl. OM; Cass. 20 maart 2018, AR P.17.0905.N, AC 2018, nr. 192 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2. Zie hierover S. CAREEL en A.L. CLAES, “Over woonstbetreding voor het afnemen van een ademtest en ademanalyse en de reikwijdte van de bijzondere bewijswaarde in het verkeersrecht”, Politie & Recht (P&R), 2021, 43-47.
(19)Cass. 22 april 2025, AR P.25.0519.N, AC 2025, nr. 315 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.25.
(20)Cass. 18 juni 2024, AR P.24.0817.N, AC 2024, nr. 468 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.7; Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.1327.N, AC 2023, nr. 642 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13.
(21)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, 246.
(22)A. BAILLEUX, Afstand van recht in de strafprocedure, Intersentia 2019, 246-247.
(23)S. VANDROMME, “De huiszoeking: de principes en de toepassing ervan in de rechtspraak”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia 2012, 159.
(24)Cass. 22 april 2025, AR P.25.0519.N, AC 2025, nr. 315 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.25.
(25)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 473-477 en 574-576.
(26)Cass. 9 november 2021, AR P.21.1370.N, AC 2021, nr. 716, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13.
(27)Cass. 29 november 2022, AR P.22.0681.N, AC 2022, nr. 775 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11, (betreft een zaak van overtreding van een toen geldende Covid 19-maatregel van samenscholingsverbod).
(28)Cass. 21 september 2021, AR P.21.1189.N, AC 2021, nr. 578, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.20, NC 2022, 218, T. Strafr. 2022; 325 noot T. DE COSTER; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0100.F, AC 2018, nr. 82 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 13 september 2011, AR P.10.2039.N, AC 2011, nr. 461 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.7.
(29)Cass. 22 september 1981, AC 1981-82, 122; Brussel 30 mei 2023, Politie & Recht 2024, 142 noot P. VAN ROOIJ; S. VANDROMME, “De huiszoeking: de principes en de toepassing ervan in de rechtspraak”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia 2012, 155.
(30)Brussel 30 mei 2023, Politie & Recht 2024, 142 noot P. VAN ROOIJ, “Huiszoeking bij heterdaad: nood aan precieze elementen waaruit het bestaan van het misdrijf objectief afgeleid kan worden” (142-145).
(31)Over het probleem van de overgang van een bestuurlijke huiszoeking (art. 27 Wet Politieambt) naar een gerechtelijke huiszoeking, wegens het ontdekken van bewijsmateriaal in de woning, zie E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 65-67.
(32)Wetsontwerp van 28 mei 2018 tot wijziging van diverse bepalingen die betrekking hebben op de politiediensten en betreffende de Romeinse instellingen, Parl. St. Kamer, Doc 54-3089/001, p.6
(33)Zie Cass. 29 november 2022, AR P.22.0681.N, AC 2022, nr. 775 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11.
(34)Cass. 9 november 2021, AR P.21.1370.N, AC 2021, nr. 716, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.20; Cass. 2 maart 2021, AR P.21.0250.N, AC 2021, nr. 153, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.21; Cass. 18 juni 2019, AR P.19.0588.N, AC 2019, nr. 378 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.4; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0100.F, AC 2018, nr. 82 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 3 december 2013, AR P.13.1859.N, AC 2013, nr. 656 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.6, NC 2016, 140, noot H. BERKMOES, en F. GOOSSENS, “Artikel 6bis Drugswet: vergeefs armworstelen met het Hof van Cassatie” (141-148); Cass. 1 juni 2010, AR P.10.0484.N, AC 2010, nr. 384 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100601.3.
(35)E. DE BOCK, “De huiszoeking: enkele topics toegelicht aan de hand van recente rechtspraak”, Politie & Recht, 2023, 67-68; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 593.
(36)Cass. 13 december 2016, AR P.15.1639.N, AC 2016, nr. 713 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3; Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1789.N, AC 2010, nr. 231 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, T. Strafr. 2010, 276 noot K. BEIRNAERT; Cass. 2 april 2008, AR P.07.1744.F, AC 2008, nr. 202 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080402.4; Cass. 12 mei 2004, AR P.04.0572.F, AC 2004, nr. 255 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040512.26; EHRM 1 juni 2010, Gäfgen t/Duitsland, www.echr.coe.int; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier 2006, 145-147; F. LUGENTZ, La préuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 195-215; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina 2022, 1385-1387; M.A BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2025, 1547-1549. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930908.16 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000112.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040512.26 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060104.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080402.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100601.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130306.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.21 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.20 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.20 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221005.2F.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.