id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 Rolnummer: P.24.1462.N Zaak: LakeSprings contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2025-06-20 Raadplegingen: 519 - laatst gezien 2026-06-18 20:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.3 Fiches 1 - 2 De Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt in artikel 1: -onder paragraaf 4, eerste lid, dat onder “verantwoordelijke voor de verwerking” wordt verstaan degene die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt; -onder paragraaf 5 dat onder “verwerker” degene wordt verstaan die, ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke, persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken;- onder paragraaf 6 dat onder “derde” wordt verstaan degene die niet de betrokkene bedoeld in paragraaf 1 is, de verantwoordelijke voor de verwerking, de verwerker of de persoon die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de verwerker gemachtigd is om de gegevens te verwerken; artikel 39, 2° en 3°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt de straffen voor de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België en zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt, hetzij buiten de door artikel 5 toegelaten gevallen (2°), hetzij in overtreding van de artikelen 6, 7 of 8 (3°); die personen zijn voor de vermelde feiten nog steeds strafbaar op grond van artikel 222, 1° en 2°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018
(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Artt. 1 en 39, 2° en 3° Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Art. 222, 1° en 2° Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 39, 2° en 3 ° - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Fiches 3 - 4 Een computerbestand in de vorm van een rekenblad, waarin zich persoonsgegevens in de zin van artikel 1, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bevinden, is een bestand zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van die wet; bijgevolg kan het overdragen of bewaren van een dergelijk bestand, ook zonder dat er vervolgens sprake is van een bijkomende bewerking of aanwending van de erop voorkomende gegevens, een verwerking uitmaken zoals bedoeld in artikel 1, § 2, van die wet en kan het aantreffen van een dergelijk bestand op een laptop het bewijs van een verwerking opleveren. De rechter bepaalt of dit in de hem concreet voorgelegde omstandigheden het geval is
(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Art. 1 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Artt. 1 en 6 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Fiches 5 - 6 De regel van artikel 3, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 dat deze wet niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die door een natuurlijk persoon in activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden wordt verricht geldt niet voor de overdracht van digitale persoonsgegevens op de gegevensdrager die toebehoort aan een derde, in strijd met een dienstverleningsovereenkomst tussen de partijen die toestemming gaven tot de verwerking van persoonsgegevens, indien de rechter een miskenning van deze overeenkomst vaststelt
(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Art. 3 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Artt. 1 en 6 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Fiches 7 - 8 Ook een bedrag dat de rechter principieel op 1,00 euro bepaalt, kan een morele schade vergoeden die het slachtoffer van een onrechtmatige daad ondervindt; het loutere feit dat de dader tot schadevergoeding is veroordeeld, kan voor het slachtoffer immers een morele genoegdoening opleveren waarmee zijn schade, zoals onaantastbaar door de rechter bepaald, werkelijk en concreet wordt vergoed
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Morele schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie P.24.1462.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door de overdracht van een digitaal bestand naar een gegevensdrager van een derde en het bewaren van de gegevens op die gegevensdrager”.
- Situering van de zaak.
- Eisers 1 Segers en zijn managementvennootschap PANORAMA bv werden in eerste aanleg vrijgesproken wegens feiten in 2017 van A) interne hacking, dit is het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden zijn toegangsbevoegdheid tot een informaticasysteem te hebben overschreden (art. 550bis Sw. 1867), B) heling van gegevens bekomen door hacking (art. 550bis Sw. 1867), C) misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw. 1867), D) verwerking van persoonsgegevens zonder toestemming van de betrokkene (art. 5 en 39, 2° Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992) en E) verwerking van medische persoonsgegevens buiten de bij wet toegestane gevallen (art. 7 en 39, 3° Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992).
- De correctionele rechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, was voor de feiten C en D in zijn vonnis van 23 februari 2022 van mening dat het zuiver aantreffen van fragmentarische gegevens in een laptop niet valt onder de verwerking ervan, zoals bepaald in de Wet Verwerking Persoonsgegevens en eisers I na beëindiging van hun contract met eiseressen II geen enkele handeling hebben gesteld in de vorm van verwerking van persoonsgegevens over verweerders
- Op enkel hoger beroep van de burgerlijke partijen (verweerders 1 en eiseressen 2) heeft het hof van beroep van Gent bij arrest van 10 oktober 2024 geoordeeld dat eisers 1 een onrechtmatige daad hebben begaan, door persoonsgegevens van voetballers R.V. en B. M. van FC Club Brugge (verweerders 1) zonder toestemming van de betrokkene over te dragen op een laptop van een nieuwe opdrachtgever verbonden aan concurrent FC Antwerp (RAFC) en die gegevens op deze laptop te bewaren.
- Aan deze verweerders 1 werd een definitieve schadevergoeding toegekend van één euro morele schadevergoeding, gesteund op de feiten van de tenlasteleggingen D en E. Voor de overige feiten gekwalificeerd onder A, B en C werd de burgerlijke vordering ongegrond verklaard, omdat eisers 1 na de verbreking van hun contract met eiseressen 2 geen digitale gegevens meer hebben opgevraagd bij Club Brugge nv en er geen bewijs voorligt van verduistering van deze gegevens, of bekendmaking ervan aan derden, zoals de nieuwe opdrachtgever FC Antwerp.
- Inzet van de discussie is een dienstverleningsovereenkomst gesloten op 16 februari 2015 tussen enerzijds Lakesprings nv. (eiseres 2.1), handelend in opdracht van FC Club Brugge nv (eiseres 2.2) en anderzijds eiser 1.1 S. en zijn management vennootschap Criseco (thans Panorama bv) over het verlenen van advies voor businessplannen en financiële modellen voor investeringen. Deze consultancyovereenkomst werd gesloten in opdracht van eiseres 2.2 Club Brugge nv, dat een systeem ‘Club lab’ wou ontwerpen, om onder meer de sportieve prestaties van zijn profvoetballers op te volgen. Eisers 1 kregen op die manier kennis van persoonlijke gegevens van de voetballers, voor analyse en verbetering van de prestaties. Aan die overdracht van gegevens waren contractuele beperkingen verbonden van vertrouwelijkheid en niet-concurrentie.
- Aan de overeenkomst kwam een einde door een bericht van opzegging van eiseres 2.1 Lakesprings nv op 7 april 2017 en nadien een ingebrekestelling op 19 mei 2017, wegens niet-naleving van het concurrentiebeding, als grove fout (blz. 8). In juni 2017 diende eiseres 2.1 een klacht met burgerlijke partijstelling in, gesteund op het gegeven dat eisers 1 zouden samenwerken met concurrent FC Antwerp (RAFC), in strijd met het niet-concurrentiebeding. Verweerders 1 stelden zich in 2019 burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter.
- De eerste zes middelen hebben betrekking op de fout van eisers 1 en de overige drie middelen op de omvang van de schade en de bedragen verschuldigd aan verweerders
- De onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens.
- Het bestreden arrest oordeelt dat de overeenkomst niet alleen betrekking heeft op financiële dienstverlening, maar ook op data-analyse van persoonlijke gegevens van de profvoetballers, waartoe eisers 1 op legitieme wijze toegang hadden, voorafgaand aan de ingebrekestelling op 19 mei
- Het oordeel lijkt mij niet in strijd met de bewoordingen van de overeenkomst en bevat voldoende antwoord op het verweer dat de data-analyse van persoonlijke gegevens buiten de contractuele opdracht zou vallen. Het eerste middel, dat schending aanvoert van de artikelen 149 Grondwet en 8.17 en 8.18 BW, kan bijgevolg niet worden aangenomen.
- Het oordeel dat eisers I persoonsgegevens hebben verwerkt die eiseres 2.1 Lakesprings nv contractueel ter beschikking stelde, zonder voorafgaande toestemming, lijkt mij naar recht verantwoord, gelet op de ruime definities in de Wet Verwerking Persoonsgegevens van 8 december 1992 (WVP 1992), BS 18 maart 1993, zoals van toepassing ten tijde van de feiten. Deze wet is met ingang van 5 september 2018 opgeheven en vervangen door de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, BS 5 september 2018 (WVP 2018), van toepassing op “elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op elke niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen” (art. 2 WVP 2018). Deze wet geeft in haar algemene bepalingen (art. 1-24, Titel II) uitvoering aan de EU-Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 94/46/EG
(1). De sancties in Titel 6 hebben betrekking op onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door particulieren als overheden.
- Er is geen betwisting over de omschrijving van de opgeslagen bestanden bekomen tijdens de duur van de dienstverleningsovereenkomst als “persoonsgegevens’’ in de zin van artikel 1, § 1 WVP
- Volgens het arrest bevatten deze bestanden informatie over de geleverde voetbalprestaties van verweerders 1, benaderd zowel vanuit fysisch als mentaal oogpunt, en hebben zij deels betrekking op hun gezondheid, in de zin van artikel 7, § 1 WVP
- De term ‘persoonsgegevens is volgens artikel 1, § 1 WVP 1992 gedefinieerd als “iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna "betrokkene" genoemd. Als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit (art. 1, § 1 WVP 1992).
- De verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, is verboden (art. 7, § 1 WVP 1992), behoudens schriftelijke toestemming van de betrokkene en enkele uitzonderingen die in deze zaak niet van toepassing zijn, zoals de uitvoering van specifieke verplichtingen en rechten van de verantwoordelijke voor de verwerking met betrekking tot het arbeidsrecht of de verwerking die noodzakelijk is voor het verstrekken van medische zorgen aan de betrokkene (art. 7, § 2 WVP 1992).
- Thans zijn persoonsgegevens te beschouwen als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”, de betrokkene genoemd (art. 4.1 EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP 2018). Als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatiemiddel zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificatiemiddel of van één of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon ” (art. 4.1 EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP 2018).
- Onder “verantwoordelijke voor de verwerking” wordt verstaan “de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt” (art. 1, § 4, eerste lid, WVP 1992)
(2).
- De “verwerker” van persoonsgegevens is volgens artikel 1, § 5 WVP 1992 “de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken”.
- Als “derde” wordt beschouwd de natuurlijke persoon, de rechtspersoon, de feitelijke vereniging of het openbaar bestuur die niet de hoedanigheid heeft van “betrokkene, verantwoordelijke voor de verwerking, verwerker of personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de verwerker gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken” (art. 1, § 6 WVP 1992).
- Thans is de “verwerkingsverantwoordelijke” opgevat als: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoons gegevens vaststelt” (art. 4.7 EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP 2018) en de “verwerker” als: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat namens de verwerkingsverantwoordelijke of een andere verwerker persoonsgegevens verwerkt” (art. 4.8 EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP 2018).
- De niet-toegelaten verwerking van persoonsgegevens is in hoofde van de verantwoordelijke of de verwerker van gegevens strafbaar, of op burgerlijk gebied onrechtmatig, ingevolge artikel 39, 2° en 3° Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 en nadien artikel 222, 1° en 2° Wet Verwerking Persoonsgegevens 30 juli 2018, dat verwijst naar de artikelen 5 en 6 EU-Verordening 2016/679 over toegelaten en niet-toegelaten redenen voor verwerking van persoonsgegevens
(3).
- Het arrest geeft m.i. terecht aan dat eiseressen 2 de ‘verantwoordelijken zijn voor verwerking’ van de persoonsgegevens en eisers 1 in uitvoering van het contract de ‘verwerkers’ zijn van de persoonsgegevens over verweerders 1, hen ter beschikking gesteld door eiseressen
- Het tweede middel dat een schending inroept van onder meer artikel 1 Wet Verwerking Persoonsgegevens, omdat eisers 1 geen ‘verwerkers’ maar ‘derden’ zouden zijn, kan aldus niet worden aangenomen. De toepassing van de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 is eveneens met voldoende redenen omkleed, als antwoord op het verweer van eisers 1, zodat het middel gesteund op de motiveringsplicht van art. 149 Grondwet niet kan worden aangenomen.
- In de inleidende akte is de periode van de inbreuken op de Wet Verwerking Persoonsgegevens omschreven als “van 16 februari 2015 tot en met 25 september 2017”, dit is de periode tussen vermelde dienstverleningsovereenkomst en de inbeslagname van laptop Elitebook tijdens een huiszoeking bij eiser 1.1 (blz. 4 en 8). In de periode tussen 16 februari 2015 tot 19 mei 2017, dit is de dag van de ingebrekestelling door eiseressen 2, is er volgens het bestreden arrest geen onrechtmatige daad begaan. In die periode hebben eiseressen 2 de persoonlijke gegevens over profvoetballers doelbewust aan eisers 1 ter beschikking gesteld voor verdere analyse. Eisers 1 mochten er voor die periode op vertrouwen dat deze gegevens mochten worden verwerkt met toestemming van verweerders 1 (blz. 16).
- Het bestreden arrest stelt dat na de ingebrekestelling van 19 mei 2017 eisers 1 de spelersfiches met persoonlijke gegevens over de sportprestaties en conditie van verweerders 1 hebben overgedragen en bewaard op een nieuwe laptop ‘HP ‘Elitebook’, afkomstig van APEC, verbonden aan de nieuwe opdrachtgever FC Antwerp (blz. 17). Het ging daarbij om gegevens voorafgaand aan het einde van vermelde dienstverleningsovereenkomst over de verwerking van de gegevens, zonder enige machtiging van de spelers of de opdrachtgevers (blz. 17). Die gegevens hadden bewaard moeten blijven op alleen de werkcomputer ‘HP Probook’ van eiseres 2.1 Lakesprings, die aan haar moest worden teruggegeven. De overdracht van data van na 19 mei 2017 en de bewaring ervan zonder voorafgaande toestemming van de profvoetballers (verweerders 1), bewust of door nalatigheid, houdt volgens het arrest een onrechtmatige daad in (blz. 17-18).
- In hun derde middel voeren eisers 1 aan dat de motivering over het tijdstip van de onrechtmatige daad in strijd is met de bewoordingen van PV 452/18, waaruit blijkt dat eiser de nieuwe laptop van Apec al in gebruik nam op 12 mei
- De persoonsgegevens opgeslagen op de laptop van eiseressen II waren dus vóór de ingebrekestelling overgedragen op een andere gegevensdrager.
- Dit middel over miskenning van de bewijskracht van PV 452/18 en een foute motivering kan volgens mij niet worden aangenomen, omdat 1°het arrest niet verwijst naar het PV 452/18 over de ingebruikname van de nieuwe laptop en 2°het gebruik van de nieuwe laptop HP Elitebook 850 van vóór 19 mei 2017 niet betekent dat eisers vóór die datum al digitale persoonlijke gegevens hebben overgedragen naar die nieuwe laptop. Voor het overige lijkt mij het oordeel correct dat de onrechtmatige ‘verwerking’ van persoonsgegevens niet alleen bestaat in het switchen van data van de ene naar de andere laptop, maar ook in het onterecht bewaren van die gegevens (blz. 17).
- Een computerbestand in de vorm van een rekenblad (Excell-tabel) dat persoonsgegevens bevat, onder meer over de gezondheid van een voetballer, kan worden beschouwd als een bestand in de zin van de artikelen 1, § 3 en 3, § 1 Wet Verwerking Persoonsgegevens
- Onder die noemer valt immers “elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze”
(4). Deze definitie van het bestand is behouden in art. 4, 6° EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP
- Het overdragen van het bestand of het bewaren zonder aanpassing van de gegevens kan een vorm zijn van ‘verwerking’, dat volgens artikel 1, § 2 WVP 1992 is opgevat als “elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens”.
- Thans is ‘verwerking’ gedefinieerd als "een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaking door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens” (art. 4.2 EU-Verordening 2016/679 en art. 6 WVP 2018).
- Persoonsgegevens mogen volgens art. 5 WVP 1992 slechts worden verwerkt in één van zes gevallen, waaronder a) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; b) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of voor de uitvoering van maatregelen die aan het sluiten van die overeenkomst voorafgaan en die op verzoek van de betrokkene zijn genomen en f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen. Thans zijn de toegelaten vormen van verwerking van persoonsgegevens vermeld in de artikelen 5-11 EU-Verordening 216/679 en 6-17 WVP 2018
(5).
- Het bestreden arrest oordeelt dat eisers 1 rechtmatig over persoonsgegevens van voetballers (verweerders 1) konden beschikken vóór 19 mei 2017, in het kader van de overeenkomst met eiseressen II, en die gegevens na die datum van het einde van het contract op een nieuwe laptop hebben overgedragen, toebehorend aan een derde (Apec). Bij het inleveren van de oude laptop van eiseressen 2 hadden eisers I afstand moeten doen van de persoonsgegevens (blz. 17). Verder is de onrechtmatige verwerking van gegevens niet beperkt tot het switchen van digitale data van de ene naar de andere laptop. Het arrest stelt eveneens dat door de persoonsgegevens over te dragen naar een nieuwe laptop afkomstig van een derde eisers I deze “gegevens (onterecht) bewaard, doorgezonden en verspreid hebben, hetgeen telkenmale een vorm van verwerking impliceert”, waarvoor de verweerders 1 hun toestemming niet hebben verleend (blz. 17). Het arrest acht het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens vaststaand, “ook in de hypothese waarin de spelersfiches na de overdracht niet meer bijkomend werden bewerkt”.
- Ik ben van mening dat het arrest met voldoende redenen wettig heeft geoordeeld dat eisers een onrechtmatige daad begingen door in strijd met bepalingen van de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 persoonsgegevens aan te wenden in de vorm van een ‘bestand’ als ‘verwerker’ van die gegevens (art. 1, § 5 WPG 1992), en niet als een ‘derde’ (art. 1, § 6 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992). In zoverre kan het vierde middel over schending van onder meer de artikelen 1, §§ 2 en 3 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 niet worden aangenomen.
- Verder biedt het arrest m.i. een voldoende antwoord op het verweer van eisers 1 dat 1° de digitale fiches met spelersdetails geen bestanden zouden zijn, omdat er geen sprake is van een systematische registratie en bewaring
(6), zoals aangenomen door de eerste rechter, 2° er geen sprake is van een (semi)geautomatiseerde verwerking of het houden van een manueel bestand in hun hoofde, 3° eisers 1 niet onder het toepassingsveld vallen van de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, omdat de verwerking van spelersgegevens gebeurde op niveau van Club Brugge nv, 4° er geen enkele systematiek was in de opslag van persoonsgegevens van voetballers en er een bestand ontbrak waarin die gegevens samen werden bewaard of konden geraadpleegd worden, 5° de overdracht van de data met persoonsgegevens gebeurde voor 19 mei 2017, als beginpunt van de incriminatieperiode en 6° er na de overdracht van die gegevens geen verdere verwerking of aanwending gebeurde zonder toestemming van verweerders
- De redenen van het arrest lichten de onrechtmatige daad toe zonder dat er m.i. een antwoord nodig was op elk argument dat eisers aanbrachten tot staving van hun verweer, maar geen afzonderlijk middel vormt.
- Het vierde middel, dat wat betreft de datum van overdracht van de persoonsgegevens is afgeleid uit het derde middel, kan bijgevolg niet worden aangenomen. Voor zover eisers I opkomen tegen het onaantastbaar oordeel over het onderbrengen van persoonsgegevens in een bestand of handelingen die een niet-toegelaten verwerking van persoonsgegevens uitmaken in de zin van art. 5 WVP 1992, is het middel niet-ontvankelijk.
- Met de redenen dat de overdracht van persoonsgegevens naar de laptop van een derde en de bewaring van die gegevens een onrechtmatige daad is, in strijd zijn met de artikelen 1, § 5, 5 en 7 Wet Verwerking Persoonsgegevens van 1992 geeft het arrest naar mijn mening te kennen dat de uitzondering van artikel 3, § 2 van die Wet niet van toepassing is. Volgens die bepaling is de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 niet van toepassing op de verwerking voor “uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden”
(7). Het bestreden arrest geeft immers aan dat eisers I zelf verklaarde dat hij een (nieuwe) dienstverlengingsovereenkomst heeft afgesloten met APEC, dit is een dienstverleningsfirma van de concurrerende voetbalclub FC Antwerp (blz. 10) en vervolgens de persoonlijke gegevens van profvoetballers van hun vorige opdrachtgever (FC Club Brugge) hadden geplaatst op een nieuwe laptop van APEC (blz. 16). De hypothese van het bewaren van persoonsgegevens verkregen in het kader van een vorige dienstverleningsovereenkomst voor louter persoonlijk gebruik wordt hiermee uitgesloten. Ook het vijfde middel, over de motiveringsplicht en art. 3, § 2 Wet Verwerking Persoonsgegevens, kan niet worden aangenomen.
- Omvang van de schade.
- Het bestreden arrest baseert de onrechtmatige daad over de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 op de tenlasteleggingen D en E, weliswaar met de ingekorte tijdsspanne “van 20 mei 2017 tot 25 september 2017” (blz. 16). Het bestreden arrest wijst in de motivering over de onrechtmatige daad of fout op het bewaren van de gegevens tot 25 september 2017, op de laptop toebehorend aan een derde (blz. 16), maar stelt in een andere alinea (blz. 18) in het beschikkend gedeelte (blz. 23) dat de fout betrekking heeft op de periode tot 27 september 2017, tevens als datum voor de vergoedende interesten. Ik ben van mening dat het voor die laatste vermelding gaat om een materiële vergissing en het Hof de datum kan verbeteren naar 25 september
- Het zesde middel over de saisine van de rechter in hoger beroep (artikelen 204 en 210 Sv.) mist feitelijke grondslag of kan zelfs als niet-ontvankelijk worden afgewezen, bij gebrek aan belang
(8).
- Het bestreden arrest verwerpt de vorderingen van de profvoetballers en verweerders I (burgerlijke partijen) voor een schadevergoeding wegens materiële en morele schade, geraamd op 25.000 euro, en kent alleen een definitieve morele schade van 1,00 euro toe, omdat hun persoonsgegevens niet werden verspreid aan derden en de schade ontstond omdat de verweerders na de onrechtmatige daad vaststelden dat “er slordig en lichtzinnig met hun persoonsgegevens was omgesprongen” (blz. 19). Op basis van die vaststelling kennen de appelrechters aan verweerders 1 een “louter extra-patrimoniale en/of morele schade van principiële aard” toe, begroot op 1 euro. Enige meerschade komt niet bewezen voor.
- Uit de motivering blijkt dat eisers I een fout begingen door de onrechtmatige bewerking van persoonsgegevens, en de in het middel betwiste reden van het slordig omgaan van die gegevens gericht is op de omvang van de schade. Die reden sluit overigens aan op de motivering over de onrechtmatige daad zelf, als oorzaak van de schade. De appelrechters oordeelden dat de overdracht van persoonsgegevens van de hardware van de ene naar de andere laptop een ‘actieve en bewuste daad’ vergt of dat eisers 1 “op zijn minst fundamenteel nalatig en onvoorzichtig zijn geweest door lichtzinnig persoonsgegevens over te dragen zonder enige elementaire inhoudelijke controle uit te oefenen omtrent hetgeen werd getransfereerd” (blz. 18). Mij komt voor dat de appelrechters het voorwerp en de oorzaak van de vorderingen van de burgerlijke partijen niet hebben gewijzigd, en het zevende middel over het beschikkingsbeginsel feitelijke grondslag mist.
- Schade in de zin van artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, voorafgaand aan de inwerkingtreding van boek 6 BW, bestaat in de aantasting van elk belang of het verlies van elk rechtmatig voordeel. Het veronderstelt dat het slachtoffer van de onrechtmatige daad zich in een minder gunstige situatie bevindt dan wanneer de fout niet was gepleegd
(9). Daarbij moet de door een misdrijf of onrechtmatige daad veroorzaakte schade actueel en vaststaand zijn
(10). De rechter oordeelt binnen de grenzen van de vordering, op onaantastbare wijze in feite, over het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade en over het herstel ervan
(11).
- Het bestreden arrest stelt onaantastbaar vast dat de onrechtmatige daad bestaande in het doelbewust of door nalatigheid verwerken van persoonsgegevens zonder voorafgaande toestemming van verweerders 1 morele of extrapatrimoniale schade voor verweerders 1 heeft opgeleverd. Die schade bestaat erin dat verweerders 1 “post factum moeten vaststellen dat er slordig en lichtzinnig met hun persoonsgegevens werd omgesprongen”. Naar mijn mening geeft het arrest daarmee te kennen dat verweerders 1 zich bevinden in een minder gunstige situatie na de door eisers 1 gepleegde onrechtmatige daad, ten opzichte van de situatie ervoor.
- Het arrest geeft aan dat door de onrechtmatige verwerking van hun persoonsgegevens verweerders 1 enige onrust hebben ervaren, die er niet was geweest zonder die verwerking. Een morele schadevergoeding die principieel op 1,00 euro is bepaald kan wel degelijk een concrete morele schade vergoeden die het slachtoffer ondervindt door een onrechtmatige transfer en opslag van zijn digitale persoonsgegevens, ook al zijn die niet verspreid naar derden. In zoverre kan het achtste middel niet worden aangenomen.
- Voor zover eisers I opkomen tegen een onaantastbaar oordeel over de omvang van de schade, is het achtste middel niet-ontvankelijk.
- Rechtsplegingsvergoeding.
- De tarieven van de rechtsplegingsvergoeding (RPV) hangen volgens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding (KB van 26 oktober 2007, in uitvoering van art. 1022 Ger. W.) af van “het bedrag van de vordering”. Het gaat volgens vaststaande rechtspraak om het bedrag dat de in het gelijk gestelde partij vordert, en niet om het aan haar toegekende bedrag van schadevergoeding, behoudens rechtsmisbruik door kennelijke overwaardering van de vordering tot schadevergoeding. Deze gronden van vermindering zijn aan de orde wanneer het gevorderde bedrag volgt uit ofwel een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan ofwel een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegingsvergoeding, zonder hiertoe verplicht te zijn
(12).
- Aangezien het bestreden arrest geen rechtsmisbruik vaststelt, mocht het de RPV verschuldigd door eisers 1 bepalen op basis van de gevorderde bedragen van elk 25.000 euro, en niet de toegekende bedragen van één euro. De RPV van 3.000 euro die eisers I verschuldigd zijn lijkt mij correct, zodat het negende middel over een RPV met een basisbedrag beperkt tot 225 euro niet kan worden aangenomen.
- De cassatieberoepen van eiseressen II, burgerlijke partijen (Lakesprings nv en Club Brugge nv) zijn niet-ontvankelijk, bij gebrek aan betekening aan de beklaagden (art. 427 Sv.). Conclusie: Verwerping van de cassatieberoepen. _________________________________________________________
(1)De meeste bepalingen zijn gewijd aan de omzetting van de EU-Richtlijn 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (art. 23-185, Titels II en, III). Zie alg. D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer 2020, 1314p.; Y. LIEGEOIS en F. BLEYEN, “Na een schijnhuwelijk en een schijnscheiding thans een gedwongen opname? Of de (uitoefening van de) rechten van de natuurlijke persoon bij de verwerking van diens persoonsgegevens in het strafproces”, NC 2020, dossier, 53p.
(2)D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer 2020, 745-752.
(3)D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer 2020, 1223-1237. Zie ook Guidelines 2/2019 on the processing of personal data under Article 6
(1)(b) GDPR in the context of the provision of online services to data subjects, 8 oktober 2019, 16p., www.edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guidelines en www.gegevensautoriteit.be/professioneel/avg/rechtsgronden en Ministerie van Justitie en Veiligheid (NL), Handleiding Algemene Verordening Gegevensbescherming, 15 april 2023, www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/01/22/handleiding-algemene-verordening-gegevensbescherming.
(4)D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer 2020, 135-136.
(5)Zie alg. D. DE BOT, De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Kluwer 2020, 399-467 en www.gegevensautoriteit.be/professioneel/avg/rechtsgronden.
(6)Hiervoor verwezen eisers in hun beroepsconclusie naar de tussenkomst van de Minister in Gedr. St. Senaat, BZ 1991-92, Doc 445-2, p. 37.
(7)Deze uitzondering is niet meer opgenomen in de Wet Verwerking Persoonsgegevens van 30 juli 2018 gelet op art. 2.2 EU-Verordening 2016/679; Wetsontwerp van 11 juni 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegeven, Parl. St. Kamer, Doc 54-3126/001, p. 14, www.dekamer.be.
(8)Over het middel gesteund op een materiële vergissing zie F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 156-157.
(9)Cass. 9 januari 2024, AR P.23.1398.N, AC 2024, nr. 22, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1349.N, AC 2023, nr. 855, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7; Cass. 17 oktober 2016, AR C.09.0414.F, AC 2016, nr. 574, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161017.1; Cass. volt. zitt., 14 november 2014, AR C.13.0441.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141114.1, AC 2014, nr. 694; Gent 22 december 2022, T. Fam. 2024, 215; G. JOCQUÉ, “Tijdsverloop en schadevergoeding”, TPR 2016, pp. 1377-1380; G. JOQUE, “Schade en gevolgen van aansprakelijkheid”, TPR 2021, 379-407; M. KRUITHOF, “Is een vordering tot schadeloosstelling voor de krenking van een onrechtmatig belang ontoelaatbaar of ongegrond?”, RW 2022-23, 1563-1578. Over de extrapatrimoniale schade zie thans art. 6.26 B.W., zoals toegelicht door M. KRUITHOF, “Het nodige onderscheid tussen schade en leed”, in Privaatrecht penis coloribus. Liber amicorum Matthias Storme, TPR 2024, 495-518.
(10)Cass. 2 maart 2016, AR P.15.0929.F, AC 2016, nr. 151, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160302.1; G. JOQUÉ, “Schade en gevolgen van aansprakelijkheid”, TPR 2021, 384.
(11)Cass. 20 februari 2006, AR C.04.0366.N, AC 2006, nr. 100, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060220.4, RW 2008-09, 1143.
(12)Cass. 30 oktober 2024, AR P.24.0416.F, AC 2024, nr. 720, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241030.2F.4; Cass. 10 februari 2022, AR C.21.0216.N, AC 2022, nr. 118, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6, JT 2022, 404; Cass. 15 september 2020, AR P.19.1109.N, AC 2020, nr. 535, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.10, RW 2021-22, 634; Cass. 17 november 2010, AR P.10.0863.F, AC 2010, nr. 681, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4, RABG 2011, 595 noot F. VAN VOLSEM; Antwerpen 28 juni 2010, Limb. Rechtsl. 2010, 288 noot I. SAMOY en T. DANG VU, “Veel gevorderd en weinig toegekend. Hoe moet de rechtsplegingsvergoeding bepaald worden?” (290-295); F. VAN VOLSEM, “De rechtsplegingsvergoeding in strafzaken: zeven jaar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie”, in Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling (ed. P. TAELMAN), Kluwer 2016, 611-614; J. LAMBRECHTS, “Rechtsplegingsvergoeding in strafzaken r”, in Comm. Straf., Kluwer 2019, B. VAN DEN BERGH en S. SOBRIE, Wie zal dat betalen…? De rechtsplegingsvergoeding ont(k)leed, Kluwer 2021, 97-100. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060220.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141114.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160302.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161017.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200915.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241030.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div