← België

D. contra HET VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.6 Rolnummer: F.24.0007.N Zaak: D. contra HET VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-07-04 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-15 04:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.6 Fiche Afkoop van het levensverzekeringscontract in de zin van artikel 2.7.1.0.6, § 1, tweede lid, 1°, Vlaamse Codex Fiscaliteit, houdt in dat het levensverzekeringscontract is beëindigd en de begunstigde vrij kan beschikken over de opgebouwde reserves; niet vereist is dat een uitbetaling plaatsvindt van de reserves; dat de begunstigde in plaats daarvan ervoor kiest om de reserves te herbeleggen en daarbij beperkt is tot de producten die hem in het kader van een reserveoverdracht door de verzekeraar worden aangeboden, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Erfbelasting Vlaams Gewest - Levensverzekeringscontract - Overdracht reserves zonder uitbetaling - Afkoop - Begrip Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.6 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.24.0007.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  1. Situering. Op 24 augustus 2017 heeft eiseres naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot een aangifte van nalatenschap ingediend. In deze aangifte werd met betrekking tot tien levensverzekeringen aangegeven dat er geen uitkering plaatsvond naar aanleiding van het overlijden van de erflater; voor één levensverzekering werd aangegeven dat het overlijden wél aanleiding gaf tot een uitkering. Op 9 mei 2019 verzocht de Vlaamse belastingdienst de verzekeraar om bijkomende inlichtingen over de tien voormelde polissen. Uit dat antwoord bleek dat één van de polissen heeft geleid tot een uitkering aan eiseres op de eindvervaldag 17 oktober 2017; de andere polissen werden herbelegd via een overdracht van de reserves naar andere polissen. Op 21 juni 2019 verzond de Vlaamse belastingdienst een voorstel van ambtshalve aanslag. Daarin werd uiteengezet dat de uitkering dan wel de overdrachten hadden moeten zijn aangegeven binnen de vier maanden vanaf de datum van afkoop dan wel overdracht. Er zou een bijkomend bedrag aan erfbelasting verschuldigd zijn van 228.801,70 euro meer een belastingverhoging van 20% (45.760,34 euro). Dit voorstel bleef zonder reactie van de kant van eiseres. Op 24 september 2019 werd de bijkomende aanslag in de erfbelasting ten bedrage van 274.562,04 euro gevestigd. Na het doorlopen van de administratieve bezwaarprocedure maakte eiseres het geschil aanhangig bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in nietigverklaring van de bijkomende aanslag. Bij vonnis van 20 december 2021 werd deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het hoger beroep van eiseres werd bij arrest van 26 september 2023 van het hof van beroep te Gent ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  2. Bespreking van het enig middel. 2.
  3. Eiseres voert aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat de overdracht van de reserves van een verzekeringspolis naar andere polissen beschouwd kan worden als een "afkoop" in de zin van artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF op grond dat die reserveoverdracht noodzakelijk veronderstelde dat eiseres over die gelden kon beschikken. Volgens eiseres heeft de appelrechter uit het enkele feit van de reserveoverdracht, zonder hierbij vast te stellen dat eiseres bij de overdracht daadwerkelijk beschikkingsrecht had over de reserves en vrij kon kiezen op welke manier de reserves werden (her)belegd, niet wettig kunnen afleiden dat er sprake is van een afkoop in de zin van artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF. (Schending artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF) 2.
  4. Artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF bepaalt: "De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval: 1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop; 2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt. Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten". 2.
  5. De geciteerde eerste paragraaf van dit artikel 2.7.1.0.6 VCF werd ingevoegd door artikel 34, 1° van het decreet van 23 december 2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen
(1). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de voorgestelde wijziging door de indieners van het amendement nr. 14 tot invoering ervan als volgt werd verdedigd (eigen onderlijning): “Het schrappen, in artikel 2.7.1.0.6, § 1, tweede lid, van de situatie waarbij de uitkering van de sommen, renten of waarden aan de begunstigde pas na het overlijden van de erflater plaatsvindt (zie punt a), heeft niet als bedoeling een dergelijke uitkering onbelastbaar te maken. De schrapping heeft wel als bedoeling om deze uitkeringen of daarmee gelijkgestelde verrichtingen correcter en billijker te behandelen door de belastingheffing te verschuiven naar het ogenblik van de werkelijke uitkering en dit in hoofde van de werkelijk begunstigde. Door de toevoeging van het nieuwe derde lid worden de bedoelde sommen, renten of waarden belastbaar gesteld op het ogenblik dat ze effectief door een persoon worden verkregen. Naargelang van het geval gaat het om de persoon: (1°) die het levensverzekeringscontract na het overlijden afkoopt, gezien deze persoon na het overlijden van de erflater de rechten van verzekeringnemer bezit; (2°) die de uitkering verkrijgt, als het gaat om een polis die niet wordt afgekocht en tot uitkering komt of als het om een andere structuur gaat (bijvoorbeeld trust of buitenlandse stichting of bijvoorbeeld spaarrekening ten gunste van kind of kleinkind) waarbij er pas uitkeringen na het overlijden zullen gebeuren”
(2). Het verslag van de Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting bij het ontwerp van decreet verduidelijkt verder waarom sprake was van een ‘werkelijke uitkering’: “Beoogd worden de levensverzekeringscontracten afgesloten op meerdere hoofden, bijvoorbeeld twee ouders met de kinderen als begunstigden. Tot nu toe betalen de begunstigde kinderen erfbelasting op een dergelijke levensverzekering bij het overlijden van de eerste ouder, terwijl het kapitaal van de polis pas bij het tweede overlijden effectief wordt uitbetaald. De langstlevende partner of echtgenoot zou het contract na het eerste overlijden ook kunnen afkopen en het geld incasseren, terwijl de kinderen ondertussen al de genoemde belasting hebben betaald op een bedrag dat ze mogelijk nooit zullen ontvangen. Die hypothetische en onbillijke situatie wordt verholpen met het voorliggende amendement. Voortaan zullen de kinderen slechts erfbelasting verschuldigd zijn bij het overlijden van de tweede ouder, dus op het ogenblik van de effectieve uitkering. Wanneer de langstlevende na het eerste overlijden de polis afkoopt, dan zal de erfbelasting verschuldigd zijn door deze echtgenoot op het aldus ontvangen bedrag”
(3). Aldus blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat het de bedoeling was de begunstigde te beschermen die nooit een uitkering ontvangt en dat de decreetgever met de toevoeging van het nieuwe derde lid beoogde de bedoelde sommen, renten of waarden pas belastbaar te stellen op het ogenblik dat ze effectief door een persoon worden verkregen. Die verkrijging kan er zijn op een ogenblik voorafgaand aan de contractuele eindvervaldag van de polis onder de vorm van een “afkoop” (artikel 2.7.1.0.6, § 1, derde lid, 1°) dan wel op het ogenblik van het “verkrijgen” (artikel 2.7.1.0.6, § 1, derde lid, 2°) van de uitkering op de contractuele eindvervaldag van de polis. In beide gevallen verwerft de begunstigde het recht om vrij over de opgebouwde reserves te beschikken. Telkens wanneer de begunstigde vrij kan beschikken over de reserves zal dit derhalve aanleiding geven tot de toepassing van de fictiebepaling. 2.
  1. Aansluitend bij het standpunt van verweerder in zijn memorie meen ik dat ook wanneer de begunstigde, zoals in casu het geval was, beslist om de reserves van de polis voor de contractuele eindvervaldag over te dragen naar andere polissen, en aldus beslist over de bestemming van de gelden die hem toekomen als begunstigde van de verzekeringsprestaties, artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF toepassing zal vinden in zoverre er alsdan, zoals bij een afkoop, wordt “beschikt” over de reserves van de polis. Waar een reserveoverdracht niet mogelijk is zonder de beëindiging van de oorspronkelijke polis en het aangaan van een nieuwe polis, impliceert dit noodzakelijk dat de begunstigde beschikkingsrecht had over de gelden van de reserve. De reserveoverdracht kan derhalve gelijkgesteld worden met een afkoop in de zin van de fictiebepaling, ook al wordt het recht op de verzekeringsprestaties hierbij naar een andere polis overgedragen, zonder dat er sprake is van een effectieve uitbetaling van de gelden die de reserve vormen. Dit laatste staat de toepassing van de fictiebepaling niet in de weg nu artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF niet vereist dat er daadwerkelijk een uitbetaling van verzekeringsprestaties plaatsvindt, maar wel dat er wordt "beschikt" over de verzekeringsprestaties, m.a.w. dat men vrij kan beslissen over wat met de opgebouwde reserves of verzekeringsprestaties moet gebeuren: afkopen, uitbetalen, overdracht van reserves, schenking,… In zoverre het middel er van uitgaat dat er bij een reserveoverdracht geen sprake is van een uitkering of afkoop in de zin van artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF, op grond dat er geen sprake is van een werkelijke en effectieve verkrijging door de begunstigde, noch van een uitbetaling, nu die reserves evengoed "vastgeklikt" blijven, faalt het m.i. naar recht. 2.
  2. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter uit het enkele feit van de reserveoverdracht heeft afgeleid dat er sprake is van een afkoop in de zin van artikel 2.7.1.0.6, § 1 VCF, zonder vast te stellen dat eiseres bij de overdracht daadwerkelijk beschikkingsrecht had over de reserves en vrij kon kiezen op welke manier de reserves werden (her)belegd, mist het m.i. feitelijke grondslag. Het bestreden arrest stelt immers uitdrukkelijk vast dat "(h)et feit dat (eiseres) de gelden heeft overgedragen, (in)houdt (...) dat zij over de gelden kon beschikken en er ook over beschikt heeft”
(4). 2.
  1. Het gegeven dat eiseres mogelijks geen of weinig inspraak heeft gehad in de manier waarop de gelden bij een overdracht worden (her)belegd en hierbij beperkt zal zijn door de (verzekerings)producten die haar door de verzekeraar worden aangeboden, neemt niet weg dat eiseres ab initio zelf heeft beslist om tot een reserveoverdracht over te gaan, welke beslissing zij uiteraard niet kon hebben genomen indien zij niet het beschikkingsrecht had over de reserves. Zoals verweerder terecht opmerkt, had eiseres inderdaad evengoed kunnen beslissen om de reserve af te kopen zonder meer, m.a.w. zonder deze over te dragen naar andere polissen.
  2. Besluit: Verwerping. ________________________________________________________
(1)BS 30 december 2016.
(2)Parl.St. VI.Parl. 2016-17, nr. 928/2, 12.
(3)Parl.St. VI.Parl. 2016-17, nr. 928/3, 12.
(4)Pagina 8, midden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.