id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.8 Rolnummer: F.24.0075.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT FOD Financiën Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-07-04 Raadplegingen: 323 - laatst gezien 2026-06-18 16:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.8 Fiche 1 Uit artikel 355 WIB92 volgt dat de termijn van drie maanden om een nieuwe aanslag in de zin van deze bepaling te vestigen een aanvang neemt vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Directeursbeslissing - Nietigverklaring van de aanslag - Nieuwe aanslag - Aanslagtermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 355 Fiche 2 De nietigverklaring van een aanslag, omdat hij werd gevestigd met miskenning van de wachttermijn van artikel 1385undecies, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, kan niet worden beschouwd als een nietigverklaring wegens schending van een regel betreffende de verjaring en kan het voorleggen van een subsidiaire aanslag dan ook niet beletten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Directeursbeslissing - Nietigverklaring van de aanslag - Nieuwe aanslag gevestigd vóór aanvang aanslagtermijn - Subsidiaire aanslag - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 355 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1385undecies - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie F.24.0075.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…) 2.
- Eisers voeren aan dat de appelrechter zijn beslissing om de zaak gedurende minstens zes maanden op de rol te houden teneinde verweerder toe te laten een subsidiaire aanslag voor te leggen, niet wettig verantwoordt, nu de reeds vernietigde aanslag wegens miskenning van artikel 351 WIB92 tevens nietig is wegens het verval van het recht enige belasting te vestigen ingevolge een regel betreffende de verjaring, hetzij gevestigd te zijn op 31 maart 2015 buiten de aanslagtermijn van artikel 355, 1° lid, WIB92 die gerekend vanaf de datum van de beslissing van de directeur op 14 januari 2015 in elk geval slechts drie maanden later, na 31 maart 2015, kon aanvangen. (Schending van de artikelen 355, 1° lid, en 356 WIB92 en artikel 1385undecies, 2de lid Ger. W.) 2.
- Krachtens artikel 355 WIB92 kan de administratie, wanneer een aanslag nietig verklaard is omdat hij niet werd gevestigd overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, zelfs wanneer de voor het vestigen van de aanslag gestelde termijn reeds is verlopen, ten name van dezelfde belastingschuldige, op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht. Krachtens artikel 356 WIB92 blijft de zaak, wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelement als de initiële aanslag. De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing. 2.
- Het Hof oordeelde reeds dat de aanslagtermijn van drie maanden voorzien in artikel 355 WIB92 een aanvang neemt op het ogenblik dat de termijn om tegen die beslissing een vordering in rechte in te stellen (art. 1385undecies, 2de lid Ger.W.), is verstreken, zonder dat moet worden onderzocht of de belastingplichtige (of de belastingadministratie) een belang heeft om op te komen tegen de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag
(1). 2.
- De vraag stelt zich wat het gevolg is van een nieuwe aanslag die voortijdig werd gevestigd, met name in de periode tussen de beslissing van de gewestelijke directeur over het bezwaar tegen de oorspronkelijke aanslag en de dag waarop die beslissing niet meer voor de rechter kan worden gebracht. Volgens eisers is de termijn van artikel 1385undecies, 2de lid Ger.W. die de beslissing van de directeur definitief maakt, alvorens de aanslagtermijn van drie maanden kan aanvangen een regel betreffende de verjaring in de zin van artikel 355 en 356 WIB92, in zoverre dat zowel een te vroeg als een te laat gevestigde aanslag verval tot gevolg heeft van de mogelijkheid voor de administratie om een aanslag te vestigen. 2.
- De regel vervat in artikel 355 WIB92 kan m.i. evenwel niet worden gezien als een regel betreffende de verjaring in zoverre daaruit volgt dat de nieuwe belastingaanslag niet kan worden gevestigd vóór het ogenblik dat de termijn om tegen de beslissing van de directeur een vordering in rechte in te stellen, is verstreken. De verjaring is immers een wijze van verval van de vordering wegens het verstrijken van de door de wet bepaalde termijn. Het voortijdig vestigen van een nieuwe aanslag kan dan ook geen verjaring inhouden. De schending van de ‘wachttermijn’ van drie maanden van artikel 355 WIB92, heeft derhalve weliswaar de nietigheid van de nieuwe aanslag tot gevolg, doch nu deze overtreding geen schending van een regel van verjaring betreft, belet ze niet dat een subsidiaire aanslag bij toepassing van artikel 356 WIB92 wordt voorgelegd. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt m.i. naar recht. (…)
- Besluit: Verwerping. _____________________________________________________
(1)Cass. 21 december 2023, AR F.22.0004.N, AC 2023, nr. 870, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.8; Cass. 22 juni 2007, AR F.05.0029.N, AC 2007, nr. 350, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4; Cass. 30 juni 2003, AR F.02.0048.F, AC 2003, nr. 385, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030630.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231221.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div