id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 mei 2025 ECLI
Art. 1217
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1220
, § 1 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1223
, § 1, eerste en vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.24.0085.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eisers tot cassatie komen op tegen de arresten van het Hof van Beroep te Antwerpen, gewezen op 24 januari 2023 en 7 november
- Door eisers wordt er één middel aangevoerd.
- Probleemstelling. De problematiek in huidig geschil betreft de toepassing van artikel 1220, § 1, Gerechtelijk Wetboek in het kader van een vereffening-verdeling van een huwelijksvermogensstelsel/nalatenschap. De vraag is of, gelet op de bewoordingen van de voormelde bepaling, zo een partij nalaat om opmerkingen te formuleren tegen een aanspraak hij in een latere fase alsnog bezwaar kan aantekenen tegen de desbetreffende aanspraak. De appelrechter oordeelde, in het arrest 24 januari 2023
(1), dat er zich niets tegen verzette dat een partij die geen opmerkingen betreffende een aanspraak formuleerde bij de toekenning van deze aanspraak alsnog een bezwaar zou formuleren. c. Beoordeling. Ik deel niet het standpunt van de appelrechters. Chronologisch kan men, in het kader van de vereffening/verdeling, de volgende stappen onderscheiden waar telkenmale wettelijke of conventionele termijnen zijn voorzien: - Vooreerst is er, in de regel, de boedelbeschrijving waarbij een inventaris wordt opgesteld van hetgeen afhangt van de vereffening/verdeling. - Vervolgens dienen de partijen hun aanspraken en stukken mededelen. Aanspraken kunnen omschreven worden als de vorderingen die uitgaan van een partij of het voordeel dat deze partij wenst te bekomen
(2). Dit is bijvoorbeeld de vraag voor de inbreng van de door andere partijen verkregen schenkingen. - Op deze aanspraken kunnen de partijen hun gebeurlijke opmerkingen formuleren. Dit betreft het verweer tegen de door de andere partijen geformuleerde aanspraken. Het is dus de tegenspraak op de onderscheiden aanspraken en vorderingen
(3). Voortgaande op het voorbeeld inzake de inbreng, zouden deze opmerkingen er in kunnen bestaan dat de schenkingen buiten erfdeel en met vrijstelling van inbreng zijn gebeurd. - Op grond van wat werd aangevoerd, in de vorige stappen, maakt de notaris vervolgens een staat van vereffening op met een ontwerp van verdeling
(4). - Tegen de door de notaris opgestelde staat kunnen de partijen bezwaren uiten. Op dat ogenblik gaat de notaris, in de plaats van sluiting van de werkzaamheden, over tot het opstellen van een PV van zwarigheden tezamen met zijn advies
(5). Het geschil desbetreffend wordt beslecht door de rechter. Zo men de diverse stadia, die voorkomen in het kader van een vereffening-verdeling, zoals deze te lezen zijn in de artikelen 1218 e.v. Gerechtelijk Wetboek, in ogenschouw neemt en meer in het bijzonder acht slaat op artikel 1220, § 1 van hetzelfde wetboek, dan kan men niet anders dan vaststellen dat de regelgever duidelijk een gefaseerd systeem voor ogen heeft. De kerngedachte is dat iedere etappe op een bepaald ogenblik als definitief verworven wordt beschouwd en niet meer het voorwerp kan uitmaken van enige betwisting behoudens zo dit uitdrukkelijk is bepaald. De termijnen die moeten worden nageleefd zijn deze van de artikelen 1217 en 1218 Gerechtelijk Wetboek. Het artikel 1220 heeft enkel betrekking op deze termijnen
(6). Deze dienen, gelet op wat te lezen is in artikel 1220, § 1, beschouwd te worden als vervaltermijnen
(7). Het sanctiesysteem dat aan te treffen is in artikel 1220, § 1 laat desbetreffend geen twijfel bestaan. Immers, er wordt expressis verbis gesteld dat de notaris-vereffenaar geen rekening houdt met aanspraken, opmerkingen en stukken die na het verstrijken van de overeengekomen of bij de wet bepaalde termijnen worden aangebracht. Uitzondering op deze regel is wanneer er sprake is van een akkoord van alle partijen of van een ontdekking van nieuwe feiten of nieuwe stukken van overwegend belang. Het is duidelijk dat nieuwe aanspraken of opmerkingen niet meer aan bod kunnen komen tijdens de bezwaarprocedure tegen de staat van vereffening die door de notaris werd opgesteld. Aanspraken/opmerkingen situeren zich in een totaal verschillende fase van de vereffeningsprocedure dan de bezwaren. Het kan, gelet op het door de wetgever ontworpen strikt schema, niet worden aangenomen dat aan de door de regelgever ontworpen weringssanctie zou ontkomen worden door alsnog toe te laten dat er nieuwe aanspraken/opmerkingen zouden geformuleerd worden in de bezwaarfase
(8). Om terug te komen op huidig geschil is er inderdaad, wat betreft het formuleren van opmerkingen op de aanspraken, sprake van een betwistingslast
(9)
(10). Het gegeven dat de mogelijkheid om verweer te voeren op een aanspraak onderworpen is aan een vervaltermijn doet geen afbreuk aan het recht van verdediging. Immers de partij kan dit recht ten volle uitoefenen tijdens de wettelijk/conventioneel bepaalde termijn. De termijnregeling is inderdaad geen onredelijke belemmering van het recht van verdediging. Het algemeen rechtsbeginsel staat er niet aan in de weg dat de regelgever het ogenblik vaststelt tegen wanneer een partij een handeling of een vordering dient te stellen
(11). De termijnregeling die gehandhaafd wordt door artikel 1220 Ger.W. kan worden beschouwd als een wettelijke bevestiging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de redelijke termijn ook van toepassing achtte op gerechtelijke vereffening en verdelingen
(12). De niet-betwiste aanspraken zullen als dusdanig dienen te worden aanvaard in de latere vereffening
(13). Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan blijkt dat verweerders bij de boedelbeschrijving melding maakten van een ontvangen schenking. Eisers vormden desbetreffend de aanspraak dat de schenkingen dienden te worden ingebracht alsook het bijbrengen van informatie inzake deze schenking zoals datum ervan, oorsprong van de gelden, … Verweerders beantwoorden deze aanspraken in hun opmerkingen dat het bestaan van de schenking voldoende geleverd is door de verklaringen desbetreffend aan de notaris. Het is evenwel slechts in de fase van de bezwaren dat verweerders aanvoerden dat de schenkingen buiten erfdeel werden gedaan. Indien het voormelde wordt getoetst aan de hoger aangehaalde principes dan moet vastgesteld worden dat een verweer dat geuit wordt betreffende het bestaan van een schenking zich fundamenteel onderscheidt van een verweer dat betrekking heeft op het gegeven dat het een schenking is met vrijstelling van inbreng. Het aspect “buiten erfdeel” werd door verweerders aangevoerd in de bezwaarfase daar waar het had dienen te gebeuren op het ogenblik dat er opmerkingen op de aanspraken van de eisers dienden te worden geformuleerd. De appelrechter verantwoordt dan ook niet naar recht zijn oordeel dat het dit verweer nog kon worden aangevoerd tijden de bezwaarprocedure. Conclusie: cassatie. _____________________________________________________________________
(1)Pagina 20.
(2)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., Gerechtelijk recht, artikelsgewijze commentaar, Kluwer, losbl, p. 10.
(3)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., o.c., p. 11.
(4)Artikel 1218, § 3.
(5)Artikel 1223.
(6)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., o.c., p. 6.
(7)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., o.c., p. 15 en V. ALLAERTS, “Evaluatie van de termijnenregeling van de wet van 13 augustus 2011: een tijdspad met vleugels en teugels?”, TEP 2016, p. 96. Zie ook artikel 1218, § 3, tweede lid.
(8)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., o.c., p. 6.
(9)Hetgeen thans te lezen is in artikel 8.3 Burgerlijk Wetboek betreft een voorheen reeds bestaande en aanvaarde regel zoals blijkt uit de voorbereidende werken van het Boek 8 Bewijs. (Zie Memorie van Toelichting, wetsontwerp houdende invoeging van Boek 8 “Bewijs” in het nieuw Burgerlijk Wetboek, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3349/001, 11). Derhalve was er ook voor de invoering van artikel 8.3 sprake van een bewijslast die op een partij rust zo de feiten die deze aanvoert worden betwist.
(10)B. VAN DEN BERG, “Over uitstelgedrag en andere vormen van abusieve procesvoering: hoe kan de notaris-vereffenaar zich wapenen?”, P&B 2023, p. 48.
(11)B. VAN DEN BERG, “Aanspraken, stukken en opmerkingen in de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling”, T.Not. 2021, p. 211.
(12)B. VAN DEN BERG, Commentaar bij artikel 1220 Ger.W., o.c., p. 6.
(13)B. VAN DEN BERG, “Haast u langzaam: over termijnen in de notariële fase van de procedure van gerechtelijke vereffening en verdeling”, T.Not. 2021, p. 625, nr. 25 en J. VERSTRAETE, “Het verloop van de werkzaamheden en de beslechting van de geschillen voor de rechter” in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, II, De verdeling van de nalatenschap, Mechelen, Kluwer 2021, p. 1101, nr. 1551. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250519.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250519.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div