id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.10 Rolnummer: F.24.0054.N Zaak: Gemeente Middelkerke contra MARVA PARKEN nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-08-28 Raadplegingen: 383 - laatst gezien 2026-06-16 09:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.10 Fiches 1 - 4 De toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en de beweerde ongelijkheid in de fiscale behandeling is slechts aan de orde wanneer de onderscheiden behandeling betrekking heeft op categorieën van personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden; rekening houdend met de aard en het doel van de belasting en met hun objectieve kenmerken zijn de exploitanten van logies niet vergelijkbaar met dagtoeristen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Belasting op toeristische logies - Gelijkheidsbeginsel - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Gemeentebelasting op toeristische logies - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Beginsel van non-discriminatie - Gemeentebelasting op toeristische logies - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: Gelijkheid inzake belastingen - Gemeentebelasting op toeristische logies - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie F.24.0054.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. De gemeenteraad van eiseres heeft op 20 november 2019 het 'belastingreglement op het exploiteren van toeristische logies — aanslagjaar 2019 goedgekeurd. Krachtens artikel 3, eerste lid, van het belastingreglement is de belasting verschuldigd door diegene die het toeristisch logies exploiteert en is de eigenaar van het onroerend goed waarin de exploitatie is gevestigd hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting. De betwisting betreft 5 aanslagen die in hoofde van verweerster werden gevestigd. De gerechtelijke betwisting van de aanslagen leidde tot een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12 maart
- Het appelgerecht oordeelde dat het belastingreglement in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in essentie om reden dat er een vergelijkbare categorie, namelijk deze van de dagtoeristen, is die geheel vrijgesteld wordt van belasting zonder dat dit in het licht van de doelstellingen van het belastingreglement redelijk verantwoord is. De bestreden aanslagen werden integraal ontheven. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. 2.
- Eiseres voert aan dat de appelrechter, bij het nagaan van de bestaanbaarheid van het belastingreglement met het gelijkheidsbeginsel, de artikelen 10 en 11van de Grondwet en, voor zoveel als nodig, artikel 3 van het belastingreglement heeft geschonden door te oordelen dat de categorie van exploitanten van toeristische logies waartoe verweerster behoort vergelijkbaar is met de groep van dagtoeristen, en derhalve zijn beslissing niet naar recht heeft verantwoord. 2.
- De door artikel 170, § 4, Grondwet gewaarborgde fiscale autonomie van de gemeenten houdt in dat de gemeenten, behalve voor de wettelijk vastgestelde uitzonderingen, en binnen de perken van de wet, vrij bepalen welke materie zij aan belastingen onderwerpen
(1). Het Hof oordeelde reeds dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen er niet aan in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel
(2). Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate vergelijkbaar zijn
(3). Indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet verder worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel
(4). De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagegaan
(5). 2.
- De appelrechter stelt vast dat in de preambule bij het belastingreglement het invoeren van de belasting onder meer wordt verantwoord aan de hand van de volgende gegevens: * de toeristen en/of personen die tijdelijk verblijf houden op het grondgebied van de gemeente zorgen voor een toename van de bevolking en zorgen ervoor dat de gemeentelijke voorzieningen aan die toename moet aangepast worden; * de capaciteitsuitbreiding legt een last op de financiële mogelijkheden van de gemeente aangezien het overgrote aantal toeristische logies aanleiding geeft tot verhoogde kosten inzake veiligheid en het onderhoud van het openbaar domein; * de toeristische logies binnen het grondgebied van de gemeente trekken grote en geconcentreerde groepen aan zodat de gemeente er belang bij heeft een belasting op deze toeristische logies in te voeren wegens een zwaardere taak inzake toezicht en veiligheid. Hieruit blijkt duidelijk dat deze vorm van verblijfsbelasting een heffing is die door de gemeente wordt opgelegd aan exploitanten van logies, omdat het tijdelijk verblijf in de gemeente en het overnachten van toeristen in logies ook leidt tot extra kosten voor de gemeente. 2.
- Het lijkt mij dat de appelrechter voor de beoordeling van de bestaanbaarheid van het belastingreglement met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ten onrechte de categorie dagjestoeristen vergelijkt met de categorie gasten van de logies, zijnde toeristen of personen die tijdelijk in de gemeente verblijven. De belastingplichtige is immers volgens artikel 3 van het belastingreglement diegene die het toeristische logies exploiteert en verder is er in dit artikel bepaald dat de eigenaar van het onroerend goed waarin de exploitatie is gevestigd hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de belasting en wordt, indien de exploitant niet gekend is, de eigenaar van het onroerend goed, waarin het toeristische logies wordt uitgebaat, geacht de exploitant te zijn. Het louter gegeven dat de exploitant de belasting mogelijkerwijze doorrekent aan zijn cliënten maakt van de gasten van de logies nog geen categorie belastingplichtigen, onderworpen aan het belastingreglement. Het belastbaar feit is te dezen ook niet de aanwezigheid van toeristen en/of personen die tijdelijk verblijf houden in toeristische logies, zoals verweerster aanvoert in de memorie, maar wel het exploiteren van het toeristisch logies. Meer dienstig zou de vergelijking geweest zijn tussen de dagjestoeristen en de exploitanten/eigenaars van het toeristisch logies met inachtneming van dit belastbaar feit. Rekening houdend met het aard en het doel van de belasting en met hun objectieve kenmerken kan deze vergelijking niet anders dan tot het besluit leiden dat de exploitanten/eigenaars van logies niet vergelijkbaar zijn met dagjestoeristen. Indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet verder worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel. 2.
- Door, vanuit de veronderstelling dat dezen de belasting doorrekenen aan hun klanten, te oordelen dat de categorie van de exploitanten van logies vergelijkbaar is met de categorie van dagjestoeristen en dat het volledige belastingreglement buiten toepassing moet worden gelaten omdat er een vergelijkbare categorie (deze van de dagtoeristen) is die geheel vrijgesteld wordt van de belasting, schendt de appelrechter m.i. de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en artikel 3 van het litigieuze belastingreglement. Het onderdeel lijkt mij gegrond.
- Besluit: Vernietiging. ___________________________
(1)Cass. 3 september 2015, AR F.13.0125.N, AC 20215, nr. 481, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.5
(2)Cass. 16 juni 2017, AR F.15.0186.N, AC 2017, nr. 397, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.7.
(3)ALEN A. en MUYLLE K., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer 2011, p. 504, nr. 456; en de verwijzingen naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof: “In de eerste plaats zijn er twee voorafgaande toetsingen. De eerste is de vergelijkbaarheidstoets: opdat het Hof de mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel (in zijn positieve betekenis) zou kunnen onderzoeken, moet het gaan om personen, situaties en verhoudingen die in voldoende mate vergelijkbaar zijn (…)”; Zie ook Arbitragehof, 22 juni 1994, nr. 50/94, B.1.
(4)Cass. 24 mei 2019, AR F.17.0158.N, AC 2019, nr. 321, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5, met eensluidende concl. OM, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.5
(5)Zie en vergelijk MEERSSCHAUT F., “Overzicht van rechtspraak. De rechtspraak van het Arbitragehof ten behoeve van de private rechtspraktijk 1992-1997”, TPR 1998,
(889), 918, nr. 51; Specifiek voor de vergelijkbaarheid in de context van gemeentebelastingen: ANDERSEN R., en WILLEMART E., “Les taxes communales et le principe constitutionnel d'égalité. Jurisprudence 2000-2005”, Droit communal 2006/1, p. 21: “En réalité la comparaison entre deux catégories n'a de sens que si elle est opérée, non pas in abstracte, mais au regards des objectifs de l'impót”. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150903.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170616.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div