← België

BELGISCHE STAAT FINANCIEN c EAGLE AIR AGENCIES nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.2 Rolnummer: F.21.0198.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIEN c EAGLE AIR AGENCIES nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 249 - laatst gezien 2026-06-15 05:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.2 Fiche Het Hof verwijst naar het arrest van 3 maart 2005 in de zaak C-195/03, Papismedov, waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat bij de douane aangebrachte goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend en een document van extern communautair douanevervoer is geldig gemaakt, niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht wanneer de goederen in de aan de douaneautoriteiten overgelegde documenten onder een “onjuiste benaming” zijn opgegeven

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen - Summiere aangifte - Goederen met onjuiste benaming Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 202 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de conclusie F.21.0198.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  1. Situering. 1.
  2. De zaak heeft betrekking op 2 aangiften IM4 met nummers s0308861 en s038868 voor respectievelijk 20 en 16 kartonnen dozen met “automatisch gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor”, gedaan op 25 oktober 2005, met als goederencode telkens 8471
  3. De beide aangiften hadden betrekking op voordien ingevoerde goederen, aangezien de cargo-manifesten (= de summiere aangifte) op 16 oktober 2005 werden afgestempeld door de douaneadministratie. De summiere aangifte van de lading met referentie 297-85856816 omschreef, via het cargomanifest, de goederen als “consol”. De aangifte onder referentie 618-13804486 werd omschreven als “LCD-monitor”. Uit een controle door de fiscale administratie bleek echter dat een foutieve goederencode werd gehanteerd. Op 3 juli 2008 werden verweerster en de firma D.S.E. uitgenodigd de zaak te regelen door betaling van 26.117,61 euro aan invoerrechten, interest en 1.300 euro als boete. Verweerster verzocht daarop om inzage in het dossier, stellende dat de goederen al eerder op onregelmatige wijze in het douanegebied werden binnengebracht. Indien de douaneschuld daardoor ontstaan was in toepassing van artikel 202 CDW, dan kon zij volgens haar daartoe niet gehouden zijn. 1.
  4. Na het doorlopen van de administratieve bezwaarprocedure werd de zaak aanhangig gemaakt bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die hierover op 12 oktober 2015 een vonnis velde. Met betrekking tot de draagwijdte van de summiere aangifte in het licht van de beoordeling van het feit of er sprake is van een onregelmatige aangifte, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 2005 (C-195/03), waarin het Hof oordeelt dat “bij de douane aangebrachte goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend en een document van extern communautair douanevervoer is geldig gemaakt, niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht wanneer de goederen in de aan de douaneautoriteiten overgelegde documenten onder een onjuiste benaming zijn opgegeven”. De rechtbank oordeelde dat de omschrijving van de goederen als “consol” (= afkorting van “consolidated”) (in de summiere aangifte van de lading met referentie 297-85856816) onjuist is, wat door eiser niet werd betwist, en dat de omschrijving van de goederen als “LCD-monitor” “onvoldoende is om het toepasselijke douanetarief te bepalen”, omdat “de term “monitor” verscheidende betekenissen kan hebben en als dusdanig onder verscheidene goederencodes vallen”. Verder oordeelde de rechtbank dat de stelling van verweerster dat de aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie hoe dan ook geen toepassing kan vinden omdat er geen sprake is van fraude niet kan gevolgd worden, gelet op het proces-verbaal van 5 maart 2009 waaruit blijkt dat er sprake was van een fraudecircuit. De eerste rechter besloot dat de aangehaalde rechtspraak onverkort van toepassing is en dat de douaneschuld is ontstaan op grond van art. 202 CDW. Aangezien verweerster op generlei wijze betrokken was bij de summiere aangifte, kan zij op basis van art. 202 CDW niet beschouwd worden als schuldenaar van de douaneschuld. 1.
  5. Bij arrest van 6 mei 2020 bevestigde het hof van beroep te Brussel het vonnis van de eerste rechter. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  6. Bespreking van het enig middel. EERSTE ONDERDEEL. 2.
  7. Eiser voert als eerste grief de miskenning aan van de bewijskracht van zijn beroepsconclusie. (Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 BW zoals van kracht vóór 1 november 2020) In zoverre is het onderdeel m.i. gegrond. Waar het appelgerecht, na te hebben vastgesteld dat de summiere aangifte van de eerste lading met referentie 297-85856816 via het cargomanifest de goederen omschreef als "consol", oordeelt dat die omschrijving onjuist is en dat dit door de diensten van eiser niet wordt betwist, miskent het appelgerecht inderdaad de bewijskracht van de conclusie van eiser, aangezien eiser niet aanvoerde dat de omschrijving onjuist was maar wel aanvoerde dat de summiere aangiften hooguit onvoldoende gegevens bevatten om de tariefcode te bepalen. Aldus kent het hof van beroep aan de conclusie van eiser een inhoud toe die zij niet bevat (nl. het niet betwisten dat de omschrijving onjuist is), en ontzegt het die conclusie tevens een inhoud die zij wel bevat (nl. dat de summiere aangifte onvoldoende gegevens bevat om de tariefcode te bepalen — zie blz. 9, bovenaan, van de besluiten van eiser neergelegd op 22 juni 2016). Nu de appelrechters niet wettig oordelen dat de omschrijving als "consol" onjuist is, hebben zij bijgevolg niet wettig beslist dat de goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap werden binnengebracht. 2.
  8. Kern van het onderdeel is verder de vraag of de douaneschuld ontstaan was op grond van artikel 201 CDW dan wel op grond van artikel 202 CDW (zie ook bestreden arrest, p. 6, nr. 1: “De essentie van de discussie tussen partijen betreft de vraag of de douaneschuld in kwestie is ontstaan op grond van art. 201 CDW (…) of op grond van art. 202 CDW (op 16/10/2005)”. Overeenkomstig artikel 201 CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, of wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer worden geplaatst. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard (art. 201.2 CDW). De schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar (art. 201.3 CDW). Overeenkomstig artikel 202 CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, of indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht. Overeenkomstig artikel 202.1, laatste lid, CDW wordt onder “op onregelmatige wijze binnenbrengen” van goederen verstaan elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje. In dat geval ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht (art. 202.2 CDW). De schuldenaren worden omschreven in artikel 202.3 CDW. Het gaat o.m. om de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht, en de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde. De appelrechters oordelen dat de douaneschuld ontstond op grond van artikel 202 CDW, aangezien “de douaneschuld m.b.t. onder een onjuiste benaming bij de douane aangebrachte en aangegeven goederen ontstaat op grond van art. 202 CDW”. Verder oordelen zij: “[verweerster] was op generlei wijze betrokken bij de summiere aangifte, zodat zij op basis van art. 202 CDW niet kan worden beschouwd als schuldenaar van de douaneschuld”. 2.
  9. De summiere aangifte wordt in het CDW als volgt geregeld: Luidens artikel 40 CDW dienen goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a), bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht, of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht. Krachtens artikel 43 CDW dient, onder voorbehoud van artikel 45, van de overeenkomstig artikel 40 bij de douane aangebrachte goederen een summiere aangifte te worden gedaan. De summiere aangifte wordt ingediend zodra de goederen bij de douane zijn aangebracht. De douaneautoriteiten kunnen voor de indiening van deze aangifte echter uitstel verlenen gedurende een termijn die verstrijkt uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht. Krachtens artikel 44.1 CDW moet de summiere aangifte worden opgesteld op een formulier dat in overeenstemming is met het door de douaneautoriteiten vastgestelde model. De douaneautoriteiten kunnen evenwel aanvaarden dat als summiere aangifte elk handels- of administratief bescheid wordt gebruikt dat de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat. 2.
  10. De vraag stelt zich nu wat de verhouding is tussen de toepassing van artikel 202 CDW en de omstandigheid dat de summiere aangifte goederen aangeeft onder een onjuiste benaming? Over dit vraagstuk sprak het Hof van Justitie zich uit in het arrest Papismedov
(1). Verweerders in het hoofdgeding in die zaak werden ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan sluikinvoer, door onttrekking aan het douanetoezicht tijdens de doorvoer, van 709 dozen met elk 10.000 sigaretten, die achter 29 kartons kookgerei waren verstopt. Van het schip werd een container gelost met, volgens de bij de Belgische douaneautoriteiten ingediende summiere aangifte, 406 kartons kookgerei. Het hof van beroep te Antwerpen stelde verschillende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waaronder: “Moeten goederen, waarvoor een summiere aangifte werd ingereikt met vermelding van een onjuiste benaming/handelsbenaming (in casu kookgerei in plaats van sigaretten) of goederen die onder een onjuiste benaming/handelsbenaming werden aangegeven voor een douaneregeling (zoals de regeling extern communautair douanevervoer), niettegenstaande de, al dan niet opzettelijk, opgegeven onjuiste benaming/handelsbenaming, beschouwd worden als zijnde op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap te zijn binnengebracht en zich bijgevolg onder douanetoezicht (tijdelijke opslag of een douaneregeling) te bevinden?”. In zijn antwoord oordeelde het Hof van Justitie (eigen onderlijning): * “Zo worden op onregelmatige wijze binnengebracht goederen die worden ingevoerd zonder dat de volgende, in het douanewetboek voorgeschreven handelingen zijn verricht. Eerst moeten de goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, overeenkomstig artikel 38, lid 1, van dit wetboek, onverwijld hetzij naar het aangewezen douanekantoor, hetzij naar een vrije zone worden gebracht. Vervolgens dienen de goederen, wanneer ze bij het douanekantoor aankomen, overeenkomstig artikel 40 van dit wetboek bij de douane worden aangebracht. Het aanbrengen van goederen bij de douane wordt in artikel 4, punt 19, van hetzelfde wetboek gedefinieerd als de mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij dat kantoor of op enige andere aangewezen of goedgekeurde plaats” (r.o. 26); * “Uit de bewoordingen van het samenstel van genoemde bepalingen volgt dat goederen slechts op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht wanneer ze onmiddellijk na aankomst naar een douanekantoor of een vrije zone worden gebracht en bij de douane worden aangeboden. Deze laatste verplichting, die rust op de persoon die verantwoordelijk is voor het binnenbrengen van de goederen of op de persoon die zich met het vervoer ervan belast, beoogt te garanderen dat de douaneautoriteiten niet alleen op de hoogte zijn van het feit dat de goederen zijn aangekomen, maar ook van alle relevante informatie betreffende het soort artikel of product waarom het gaat, alsmede van de hoeveelheid goederen. Deze informatie maakt het immers mogelijk, de goederen op een correcte wijze te identificeren voor de tariefindeling ervan en, in voorkomend geval, voor de berekening van de invoerrechten” (r.o. 27); * “Zoals de Belgische regering opmerkt, ziet het begrip “op onregelmatige wijze binnenbrengen” specifiek en uitsluitend op schending van de artikelen 38 tot en met 41 en 177, eerste alinea, tweede streepje, van het douanewetboek, terwijl de verplichting om bij de douaneautoriteiten een summiere aangifte in te dienen, is vervat in de artikelen 43 en volgende van dit wetboek. Bijgevolg worden goederen volgens deze regering regelmatig in de Gemeenschap binnengebracht wanneer ze op een door genoemde autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats of in een vrije zone zijn geplaatst en voor deze goederen een mededeling van aankomst is gedaan, en bestaat er geen verplichting om deze goederen onder een algemene benaming of een specifieke handelsbenaming aan te geven” (r.o. 29); * “dit laatste standpunt kan niet worden aanvaard. De in artikel 40 van het douanewetboek geformuleerde verplichting om goederen bij de douane aan te brengen gaat immers, gelet op de artikelen 43 en 45 van dit wetboek, gepaard met de verplichting om onverwijld een summiere aangifte in te dienen of binnen dezelfde termijn de formaliteiten te vervullen om de betrokken goederen een douanebestemming te geven, dat wil zeggen dat indien gevraagd wordt, de goederen onder een douaneregeling te plaatsen, een aangifte voor een douaneregeling moet worden gedaan. Uit de bewoordingen van artikel 43, tweede alinea, van dit wetboek volgt dat beide handelingen doorgaans tegelijkertijd worden verricht, want het uitstel dat de douaneautoriteiten voor de indiening van deze aangifte kunnen verlenen, verstrijkt uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht. Bovendien bepaalt artikel 44, lid 1, van genoemd wetboek dat de summiere aangifte de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat” (r.o. 30); * “wanneer overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek aangegeven goederen bij de douane worden aangeboden en tegelijkertijd een summiere aangifte of een aangifte voor een douaneregeling met een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving van het soort goederen wordt ingediend, ontbreekt bijgevolg de mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de goederen in de zin van artikel 4, punt 19, van hetzelfde wetboek. In deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat alleen door de overlegging van bepaalde documenten de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens aan genoemde autoriteiten zijn verstrekt. Het is immers ook vereist dat de verklaringen in de documenten die bij de aanbieding van de goederen aan de douane zijn overgelegd, juist zijn. Wanneer in deze verklaringen geen melding wordt gemaakt van een groot deel van de bij de douane aangeboden goederen, moet worden aangenomen dat deze op onregelmatige wijze zijn binnengebracht” (r.o. 31); * “derhalve dient op de [supra aangehaalde] eerste vraag te worden geantwoord, dat bij de douane aangebrachte goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend en een document van extern communautair douanevervoer is geldig gemaakt, niet op regelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht wanneer de goederen in de aan de douaneautoriteiten overgelegde documenten onder een onjuiste benaming zijn opgegeven” (r.o. 32)
(2). 2.5. Gelet op dit arrest Papismedov van het Hof van Justitie voert eiser m.i. met reden aan dat van een onregelmatig binnenbrengen van goederen dus slechts sprake is wanneer de ware aard van de goederen wordt verborgen gehouden door een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving te geven alsook wanneer de goederen (deels) niet worden aangemeld. Daarentegen, wanneer de summiere aangifte alle voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat, de goederen onder een juiste benaming zijn aangegeven en op juiste wijze zijn geïdentificeerd wat betreft de soort, de hoeveelheid en de verpakking, maar enkel de tariefonderverdeling onjuist is, is geen sprake van een onregelmatig binnenbrengen van goederen
(3). Immers, het aanbieden van de goederen aan de douane strekt ertoe de douaneambtenaren ervan te informeren dat de betrokken goederen zijn aangekomen, en om de relevante informatie te verschaffen betreffende het soort artikel of product waarover het gaat, en de hoeveelheid goederen. De aan de douaneambtenaren meegedeelde informatie moet het mogelijk maken de goederen op correcte wijze te identificeren voor de tariefindeling en de berekening van de invoerrechten. Dat gebeurlijk bijkomende informatie nodig is, leidt er evenwel niet toe dat de goederen op onregelmatige wijze werden binnengebracht. 2.
  1. De appelrechters stellen vast dat “de aangifte van de lading met referentie 618-13804486 omschreven [werd] als “LCD-monitor” en geenszins [volstaat] om het toepasselijke douanetarief te bepalen omdat de term “monitor” verscheidene betekenissen kan hebben en zodoende onder verscheidende goederencodes kan vallen” en dat “meer in het bijzonder de essentiële vermelding of het ging om een ontvangsttoestel voor televisie [ontbrak]”. Het lijkt mij dat de appelrechters aldus slechts een onvolledige omschrijving van de binnengebrachte goederen vaststellen, zonder dat zij vaststellen dat die goederen onder een onjuiste benaming werden opgegeven. Op grond van de loutere vaststellingen dat de goederen werden omschreven als LCD-monitor, die term verscheidene betekenissen kan hebben en de essentiële vermelding ontbrak dat het ging om een ontvangtoestel voor televisie, kan niet worden beslist dat de bewuste goederen onregelmatig werden binnengebracht. Uit die vaststellingen blijkt immers niet dat de ware aard van de goederen verborgen werd gehouden. De omstandigheid dat op grond van de summiere aangifte het toepasselijke douanetarief niet kan worden bepaald, lijkt mij niet relevant voor het antwoord op de vraag of de goederen onregelmatig werden binnengebracht. Door niettemin te oordelen dat de goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Unie werden binnengebracht, verantwoorden de appelrechters m.i. hun beslissing niet naar recht. In zoverre komt het onderdeel mij gegrond voor. 2.
  2. De overige grieven kunnen m.i. niet tot een ruimere cassatie leiden.
  3. Besluit: Vernietiging. ________________________________________________________
(1)HvJ, 3 maart 2005, C-195/03, Papismedov, EU:C:2005:131.
(2)In de rechtsleer wordt terecht gewezen op de verregaande gevolgen van het arrest Papismedov. Auteur VANDROMME stelt: “In de zaak Papismedov oordeelde het Hof van Justitie dat de summiere aangifte van goederen onder onjuiste benaming ook als onregelmatig binnenbrengen moet worden beschouwd en dus als sluikinvoer, hoewel iedereen eigenlijk had verwacht dat het hier slechts een douaneschuld in de zin van de artikelen 203 of 204 CDW zou betreffen. Deze beslissing verhoogt de nauwkeurigheidsvereiste voor de opgave van de gegevens in de summiere aangifte aanzienlijk, en, daarmee samenhangend, ook de aansprakelijkheid van de persoon die tot deze summiere aangifte is gehouden. Bijgevolg is de kapitein, en niet de reder of de agent, aansprakelijk voor de douaneschuld die ontstaat doordat goederen onder verkeerde benaming op het manifest worden binnengebracht en om die reden niet de juiste douanebehandeling ondergaan. De kapitein is weliswaar samen schuldenaar met de smokkelaars, maar deze zijn zelden terug te vinden. De kapitein zou ook verhaal kunnen zoeken bij zijn aansteller, de reder, die vaak ook de vervoerder is, maar de reder is hiervoor in de praktijk niet verzekerd onder de klassieke aansprakelijkheidsdekking van de reder” (S. VANDROMME, Douanerecht versus algemene beginselen van het strafrecht, ATV, p. 86, nr. 27).
(3)HvJ, 8 september 2016, Schenker, C-409/14, EU:C:2016:643, punt 107. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.