id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.5 Rolnummer: F.22.0072.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-18 04:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.5 Fiche Aan de registratieverplichting opdat in toepassing van artikel 1.3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 de antidumpingheffing kan worden geïnd zijn geen formele vereisten verbonden; het is enkel vereist dat de registratie geen twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle aan heffing onderworpen invoerverrichtingen van de betrokken producten en het mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Antidumpingrechten - Invoer - Registratieverplichting - Vormvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EU) nr. 990/2011 van de Raad ... - 25-09-2012 - Art. 2 Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap - 30-11-2009 - Art. 13, derde lid Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap - 30-11-2009 - Art. 14, vijfde lid Tekst van de conclusie F.22.0072.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het geschil betrekking heeft op antidumpingrechten van 48,5% op de invoer van tweewielige en andere rijwielen, zonder motor, van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië in toepassing van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad van 29/05/
- In opdracht en voor rekening van LOGITOYS nv werd op 7/03/2013 door de firma INFORTRA een douaneaangifte gedaan met referentie IM A 13BEI0000009237343 met vermelding van goederencode 87122003010 (fietsen). Na controle meende de administratie van eiser dat NV LOGITOYS antidumpingrechten verschuldigd zou zijn n.a.v. voormelde invoer. Bij beschikking van 11/06/2015 werd een uitnodiging tot betaling van € 145.253,54 aan aanvullende invoerrechten aan NV LOGITOYS verstuurd. Het administratief beroep tegen deze beschikking werd afgewezen bij beslissing van 14/12/
- De gerechtelijke betwisting van de gevorderde antidumpingrechten leidde tot een arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 7 december
- Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
- Bespreking van het enig middel. (…) TWEEDE ONDERDEEL. 2.
- Eiser voert aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat verweerders de bij artikel 1, lid 1, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 uitgebreide antidumpingrechten niet zijn verschuldigd, in zoverre hij oordeelt dat er geen effectieve registratie is verricht die voldoet aan de artikelen 2 van Verordening (EU) nr.875/2012, 13, lid 3, en 14, lid 5, Verordening (EG) nr. 1225/2009 en 1, lid 3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013, zonder na te gaan of vast te stellen dat de aangifte van de invoer in het PLDA-systeem twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle belastbare invoerverrichtingen van de betrokken producten en het niet mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen, temeer daar blijkt dat eiser op basis van de in het PLDA-systeem opgenomen beschikbare gegevens effectief tot navordering van de uitgebreide antidumpingrechten is overgegaan. (Schending van de artikelen 2 van Verordening (EU) nr.875/2012, 13, lid 3, en 14, lid 5, Verordening (EG) nr. 1225/2009, 1, lid 1 en 3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013). 2.
- Het onderdeel komt mij gegrond voor. Uit de door eiser in zijn voorziening onder de randnummers 1.1., 1.
- en 1.3 geciteerde bepalingen volgt inderdaad dat: * de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 een definitief antidumpingrecht heeft ingesteld op de invoer van tweewielige en andere rijwielen (met inbegrip van bakfietsen, maar exclusief eenwielers) zonder motor, vallende onder de GN-codes ex 8712 00 10 (Taric-code 8712001090), 8712 00 30 en ex 8712 00 80 (Taric-code 8712008090), uit de Volksrepubliek China; * krachtens de Verordening (EU) nr. 875/2012 een onderzoek was geopend naar mogelijke ontwijking van die maatregel en dat de lidstaten in artikel 2 van deze verordening de verplichting werd opgelegd om de invoer van de betrokken uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië verzonden producten te registreren in toepassing van de artikelen 13, lid 3, en 14, lid 5 Verordening (EG) nr.1225/2009; * nadat de ontwijking was vastgesteld, het door Verordening (EU) nr. 990/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 werd uitgebreid tot de invoer van de betrokken producten, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit dat land, dit met ingang van 6 juni 2013; * deze antidumpingrechten krachtens artikel 1, lid 3 van de Uitvoeringsverordening nr. 501/2013 ook geheven moeten worden op de betreffende goederen die overeenkomstig de artikelen 2 Verordening (EU) nr. 875/2012, 13, lid 3 en 14, lid 5 Verordening (EG) nr.1225/2009 werden geregistreerd. 2.
- Opdat in toepassing van artikel 1, lid 3 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 de antidumpingheffing kan worden geïnd, is vereist dat de invoer van de aan antidumpingrechten onderworpen goederen regelmatig is geregistreerd overeenkomstig de artikelen 2 Verordening (EU) nr. 875/2012, 13, lid 3 en 14, lid 5, Verordening (EG) nr. 1225/
- Het doel van deze registratie is om ervoor te zorgen dat de relevante gegevens van die invoeren worden bijgehouden tijdens de registratieperiode zodat naderhand, indien de ontwijking wordt bevestigd en er definitieve antidumpingrechten worden ingesteld, de betreffende antidumpingrechten kunnen worden geïnd met betrekking tot die geregistreerde invoeren. 2.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot de registratie van de invoer, in het specifieke kader van ontwijking, blijkt dat aan deze registratieverplichting geen formele vormvereisten zijn verbonden. Enkel de volgende vereisten worden gesteld: “29 Bijgevolg dient ook de verplichting tot registratie van de betrokken invoer, in het specifieke kader van ontwijking, de doeltreffendheid van de uitgebreide definitieve maatregelen, door de toepassing van de rechten met terugwerkende kracht mogelijk te maken om te vermijden dat de toe te passen definitieve maatregelen hun nuttig effect verliezen. In dat verband moeten de bevoegde nationale autoriteiten, aangezien de Commissie hun de opdracht heeft gegeven passende maatregelen te nemen voor de registratie van de betrokken invoer om ervoor te zorgen dat de uitgebreide antidumpingrechten met terugwerkende kracht worden geïnd, aan die verplichting voldoen. (…)
- Het staat echter, bij gebreke van enige precisering in de basisverordening of in verordening nr. 966/2010 over de voorwaarden waaronder de lidstaten moeten overgaan tot registratie, aan deze laatste om die voorwaarden zodanig in te vullen dat de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht worden geïnd en zo het doel van die verordening wordt verwezenlijkt. 33 In dat verband blijkt uit de stukken dat de registratie door middel van het ED in het bestaande BIMIS voldoet aan de opgelegde verplichting, voor zover deze registratie geen twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle belastbare invoerverrichtingen van de betrokken producten en het mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen”
(1). (eigen onderlijning) De algemene registratie van de invoer in het PLDA-aangiftesysteem naar aanleiding van de aangifte beantwoordt derhalve in beginsel aan de registratie voorgeschreven door de artikelen 2 Verordening (EU) nr. 875/2012, 13, lid 3 en 14, lid 5, Verordening (EG) nr. 1225/2009, voor zover deze registratie geen twijfel laat bestaan inzake de identificatie van alle belastbare invoerverrichtingen van de betrokken producten en het mogelijk maakt om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen. 2.
- De appelrechter oordeelt dat een registratie van de aangifte van de invoer in het PLDA-systeem in theorie een afdoende registratie kan zijn, maar dat in concreto dient te worden nagegaan of de registratie ook correct gebeurde (p. 8, punt 8). Verder oordeelt de appelrechter dat uit de door partijen neergelegde stukken blijkt dat de aangifte dd. 7 maart 2013 van verweerders wel degelijk de juiste taric-code bevatte (3712 0030 10) om op grond van artikel 2 Verordening (EU) nr.875/2012 de invoer te registreren als zijnde afkomstig van (onder meer) Sri Lanka (p. 9, punt 10). De appelrechter besluit niettemin dat “inzake van een registratie die voldoet aan art. 2 Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25/09/2012 geen bewijs voorligt”. Evenwel verantwoordt hij met de redenen vermeld onder randnummer 11 van het arrest deze beslissing niet naar recht nu hij hiermee niet vaststelt dat de registratie van de invoer in het PLDA-systeem twijfel liet bestaan over de identificatie van alle belastbare invoerverrichtingen van de betrokken producten en het niet mogelijk maakte om doeltreffend alle beschikbare informatie te verzamelen teneinde de uitgebreide antidumpingrechten correct met terugwerkende kracht te innen.
- Besluit: Vernietiging. ___________________________________________________________
(1)HvJ 6 juni 2013, nr. C-667/11, Paltrade, ECLI:EU:C:2013:368. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.5 citeert: ECLI:EU:C:2013:368 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div