id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.6 Rolnummer: F.23.0011.N Zaak: JUNIOR S.W. bv contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 457 - laatst gezien 2026-06-18 18:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.6 Fiche De doelstelling van het systeem van de subsidiaire aanslag bestaat erin om in gevallen waarin de oorspronkelijke aanslag om een andere reden dan verjaring moet worden vernietigd, de administratie de mogelijkheid te bieden om alsnog een correcte aanslag te vestigen, ook al zijn de aanslagtermijnen inmiddels verstreken, en aldus te bewerkstelligen dat de wettig verschuldigde belasting kan worden geïnd; gelet op deze doelstelling kan de rechter aan wie een subsidiaire aanslag ter beoordeling wordt voorgelegd, de administratie de mogelijkheid geven om de subsidiaire aanslag aan te passen of een andere subsidiaire aanslag ter beoordeling voor te leggen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Vrije woorden: Subsidiaire aanslag - Aanpassing - Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 356 Tekst van de conclusie F.23.0011.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
- Situering. 1.
- Naar aanleiding van de gerechtelijke betwisting van een aanvullende aanslag in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2012 heeft de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, deze wegens willekeur vernietigd bij tussenvonnis dd. 5 september 2018 en aan de fiscale administratie de mogelijkheid gegeven een subsidiaire aanslag in de zin van artikel 356 WIB 92 aan de rechtbank voor te leggen. Bij eindvonnis van 4 mei 2020 heeft de rechtbank de voorgelegde subsidiaire aanslag niet geldig en invorderbaar verklaard. De rechtbank oordeelde dat de door haar bij tussenvonnis vastgestelde willekeur het bestaan van de belastbare grondslag betrof en dat een subsidiaire aanslag niet mogelijk is indien de willekeur betrekking heeft op het bestaan van de belastbare grondslag. 1.
- Bij tussenarrest van 7 september 2021 verklaarde ook het hof van beroep te Gent deze subsidiaire aanslag niet geldig en invorderbaar en verwierp aldus het hoger beroep. Het hof van beroep oordeelde weliswaar dat de willekeurigheid van de initiële aanslag betrekking had op de berekening van de belastbare grondslag en niet op het bestaan ervan, zodat er volgens het hof van beroep wel een subsidiaire aanslag kon worden voorgelegd. Het hof van beroep oordeelde ten gronde echter eveneens dat de subsidiaire aanslag willekeurig was, dit om reden dat die aanslag dubbele belasting inhoudt en uitgaat van onjuiste veronderstellingen. Het appelgerecht oordeelde tenslotte niet te kunnen uitsluiten dat de administratie alsnog een andere subsidiaire aanslag zou willen voorleggen. 1.
- De fiscale administratie heeft vervolgens bij conclusie van 11 januari 2022 aan het hof van beroep opnieuw een subsidiaire aanslag voorgelegd die door het hof van beroep te Gent geldig en invorderbaar werd verklaard bij eindarrest van 21 juni
- 1.
- Eiseres komt op tegen het tussenarrest van 7 september 2021 en tegen het eindarrest van 21 juni 2022 van het hof van beroep te Gent met twee middelen tot cassatie.
- Bespreking van het eerste middel. 2.
- Eiseres voert aan dat de bestreden arresten artikel 356 WIB92 schenden door in het tussenarrest van 7 september 2021 na vernietiging van de eerste subsidiaire aanslag te oordelen dat niet kan worden uitgesloten dat de administratie alsnog een andere subsidiaire aanslag zou willen voorleggen, vervolgens de zaak uit te stellen om aan de administratie de mogelijkheid te bieden een nieuwe tweede subsidiaire aanslag te vestigen, en door vervolgens in het eindarrest van 21 juni 2022 te oordelen dat uit artikel 356 WIB92 niet volgt dat het recht van de administratie om aan de rechter een aangepaste subsidiaire aanslag voor te leggen zou zijn uitgesloten wanneer een voorafgaandelijk voorgelegde subsidiaire aanslag niet geldig en invorderbaar werd verklaard. 2.
- Krachtens artikel 356, eerste lid, WIB92 blijft, wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. 2.
- Over artikel 356 WIB92 oordeelde het Hof in een arrest van 26 november 2015: “Uit artikel 356 WIB92, dat ertoe strekt het voeren van een geheel nieuwe procedure te vermijden en door een versnelde procedure een uitspraak te verkrijgen over de verschuldigdheid van de belasting, volgt dat de bevoegdheid van de administratie beperkt is tot het vestigen van de subsidiaire aanslag zonder dat zij zich mag uitspreken over de uitvoerbaarverklaring ervan en het de rechter is die oordeelt over de wettigheid en de gegrondheid van de aanslag; daaruit volgt dat de administratie niet verplicht is deze aanslag in te kohieren of de taxatieprocedure te hernemen, maar zich ertoe mag beperken om overeenkomstig artikel 356 WIB92 de subsidiaire aanslag aan de rechter ter beoordeling voor te leggen, hetgeen een voldoende waarborg biedt voor het recht van verdediging van de belastingplichtige.”
(1)Het Hof oordeelde verder in een arrest van 24 februari 2023: “De doelstelling van het systeem van de subsidiaire aanslag bestaat erin om in gevallen waar de oorspronkelijke aanslag om een andere reden dan verjaring moet worden vernietigd, de administratie de mogelijkheid te geven om alsnog een correcte aanslag te vestigen, ook al zijn de aanslagtermijnen inmiddels verstreken, en aldus te bewerkstelligen dat de wettig verschuldigde belasting kan worden geïnd.”
(2)2.4. De toepassing van artikel 356 WIB92 kan niet los gezien worden van de wijze waarop de taak van de rechter in fiscale zaken dient ingevuld. In tal van arresten van het Hof wordt gezegd dat de rechter ook in geschillen inzake inkomstenbelastingen niet gebonden is door de juridische gronden waarop het bestuur zich bij het vestigen van de aanslag baseerde en bijgevolg uitspraak moet doen over de gronden die het bestuur voor het eerst voor hem aanvoert ter verantwoording van de belastingschuld of meer nog, zelf eigen juridische gronden moet aanvoeren als die de aanslag kunnen verantwoorden
(3). Het openbare orde karakter van de fiscale wet leidt tot deze conclusie. De rechter moet desnoods zelf de juiste feitelijke en juridische grondslag - bijvoorbeeld de correcte wetsbepaling – die de betwiste belasting verantwoordt, opsporen en deze aan de door de fiscus opgegeven grondslag substitueren
(4). Dit geldt m.i. evenzeer bij het beoordelen van een voorgelegde subsidiaire aanslag en kan in het kader van de toepassing van artikel 356 WIB92 desgevallend tegensprekelijk georganiseerd worden middels het heropenen van de debatten. 2.
- De bij toepassing van artikel 356 WIB92 aan de fiscale rechter voorgelegde subsidiaire aanslag – die eigenlijk enkel een voorstel van subsidiaire aanslag is zolang de fiscale rechter zich niet definitief over de (on)gegrondheid ervan heeft uitgesproken - kan door de belastingplichtige worden betwist tijdens een tegensprekelijk debat overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Om rekening te kunnen houden met de middelen aangevoerd door de belastingplichtige of met de eventuele opmerkingen van de fiscale rechter betreffende de wettigheid en de gegrondheid dient de administratie logischerwijze te beschikken over de mogelijkheid om in het kader van het tegensprekelijk debat voor de fiscale rechter de nodige aanpassingen aan te brengen aan het voorstel van subsidiaire aanslag. Na een tegensprekelijk debat over de hem voorgelegde subsidiaire aanslag, zal de fiscale rechter desgevallend de debatten kunnen heropenen teneinde de administratie toe te laten de voorgelegde subsidiaire aanslag aan te passen in functie van de opmerkingen van de belastingplichtige en/of van zijn eigen opmerkingen. Het bevelen van de heropening van de debatten door de rechter kadert aldus perfect enerzijds in diens taak in gevolge het openbare orde-karakter van de fiscale wet en anderzijds in de doelstelling van het systeem van de subsidiaire aanslag om alsnog een correcte aanslag te vestigen, en te bewerkstelligen dat de wettig verschuldigde belasting kan worden geïnd. Het voorliggende, aan de opmerkingen “aangepaste” of “andere” voorstel van subsidiaire aanslag vanwege de administratie valt geenszins te beschouwen als de vestiging van een nieuwe tweede subsidiaire aanslag, na vernietiging van een eerste subsidiaire aanslag, zoals het middel aanvoert. Er is hier immers geen sprake van inkohiering, noch van het oorspronkelijke voorstel van subsidiaire aanslag, noch van het aangepaste/andere voorstel van subsidiaire aanslag. Overigens is er i het tussenarrest evenmin sprake van een vernietiging van de eerste subsidiaire aanslag. Ook bij de beoordeling door het hof van beroep blijft het referentiepunt van het aan te passen eerste voorstel van subsidiaire aanslag derhalve “alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag”. Het middel kan m.i. niet worden aangenomen. (…)
- Besluit: Verwerping. _______________________________________________________________
(1)Cass. 26 november 2015, AR F.14.0077.N, AC 2015, nr. 703, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6.
(2)Cass. 24 februari 2023, AR F.22.0095.N, arrest niet gepubliceerd.
(3)Zie o.m. Cass. 4 februari 1993, AR F.1232.F, AC 1993, nr. 76, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20: het hof van beroep dat in eerste en laatste aanleg uitspraak moet doen over de voorzieningen van de belastingplichtige moet, nu de belastingen de openbare orde raken, zelf in feite en in rechte uitspraak doen binnen de perken van het aan het hof voorgelegde geschil; het hof van beroep is niet gebonden door de ramingen in de conclusies van de partijen of in de beslissing van de directeur en kan meer bepaald eigen gronden aanvoeren om de heffing van het juiste bedrag te wettigen; Cass. 15 mei 2003, AR F.02.0025.F, AC 2003, nr. 298, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6. Voorheen reeds: Cass. 14 februari 1986, AR F.1227.F, AC 1986, nr. 388, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12, RW 1986-87, 346; Cass. 30 september 1983, AR F.1077.N, AC 1983, nr. 55, ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2.
(4)Zie hierover concl. OM ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5, randnummer 2.4, vóór Cass. 23 november 2023, AR F.20.0153.N, AC 2023, nr. 768, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250523.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830930.2 ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860214.12 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930204.20 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030515.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div