id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 Rolnummer: P.25.0504.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-06-18 21:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.31 Fiches 1 - 2 Uit artikel 420 Wetboek van Strafvordering volgt dat behoudens in de in het tweede lid van die bepaling vermelde gevallen de eiser in cassatie tegen een tussenbeslissing slechts cassatieberoep kan instellen na de eindbeslissing; indien een eiser in cassatie enkel cassatieberoep instelt tegen de eindbeslissing en niet tegen een tussenbeslissing, ook al was die beslissing vatbaar voor een uitgesteld cassatieberoep, kan hij in het kader van zijn cassatieberoep tegen de eindbeslissing geen ontvankelijke middelen aanvoeren betreffende een onwettigheid van de tussenbeslissing; dat de onwettigheid van de tussenbeslissing kan doorwerken op de eindbeslissing doet daaraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Verband met bestreden beslissing Vrije woorden: Middel dat gericht is tegen een beslissing alvorens recht te doen - Ontbreken van een cassatieberoep tegen de beslissing alvorens recht te doen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 420 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Beslissing alvorens recht te doen - Middel dat gericht is tegen een beslissing alvorens recht te doen - Ontbreken van een cassatieberoep tegen de beslissing alvorens recht te doen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 420 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Tekst van de conclusie P.25.0504.N Advocaat-generaal Bart DE SMET heeft in hoofdzaak gezegd: “De ontvankelijkheid van het middel in cassatie dat is gericht tegen een beslissing alvorens recht te doen waartegen geen apart cassatieberoep is ingesteld”. 1. Eiser heeft alleen cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeslissing van 30 januari 2025, maar komt vooral op tegen het tussenvonnis van 2 januari 2025 dat het verzoek tot uitstel van de zaak afwijst
(1), geformuleerd door een advocaat die niet de titularis was van het dossier. Eiser zelf was niet aanwezig, omdat hij later op de dag van de vastgestelde zitting (2 januari 2025, vanaf 19.00u) afscheid wou nemen van een overleden familielid. Het bestreden eindvonnis vermeldt over het procedure-incident alleen dat de zaak op 2 januari 2025 ‘op tegenspraak werd behandeld’. Vervolgens heeft de rechtbank na een debat over alleen de strafmaat, gelet op het grievenschrift van eiser, het beroepen vonnis bevestigd (een veroordeling tot een geldboete van 3.200 euro, een rijverbod van 4 maanden en het opleggen van twee herstelonderzoeken (medisch en psychologisch)).
- De vraag rijst of het middel dat schending aanvoert van artikel 6 EVRM over een incident beslecht bij tussenvonnis, waartegen geen apart cassatieberoep is ingesteld, ontvankelijk is.
- Artikel 420 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat behoudens enkele gevallen, niet van toepassing in deze zaak, tegen voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep kan worden ingesteld na de eindbeslissing.
- Het Hof, 2N Kamer, nam op 30 maart 2010 aan dat het “in de regel enkel de regelmatigheid onderzoekt van de beslissingen waartegen het cassatieberoep is gericht”. Als het cassatieberoep enkel is gericht tegen het eindarrest, onderzoekt het Hof dus niet de wettigheid van het arrest alvorens recht te doen waartegen geen cassatieberoep is ingesteld, “behalve als deze tussenbeslissing de wettigheid van de eindbeslissing zou aantasten”
(2). In deze zaak had eiser IX geen cassatieberoep ingesteld tegen een tussenarrest dat een hoger beroep tegen een beslissing tot het stellen van een prejudiciële vraag onterecht ontvankelijk had verklaard
(3). Advocaat-generaal DUINSLAEGER stelde in deze zaak dat “het devolutief karakter van het ontvankelijk cassatieberoep tegen het eindarrest ook reikt tot tussenarrest, indien het eindarrest door de onwettigheid van het tussenarrest wordt aangetast”
(4). 5. Zoals Attaché-Jurist Ward YPERMAN aangaf in zijn studie over de doorwerking van onwettigheden in de eindbeslissing, opgenomen in Jaarverslag van het Hof 2024, is er over dit thema onduidelijkheid in de rechtspraak en rechtsleer
(5). 6. De Voorzitter van het Hof stelde in zijn studie van 2023 over de cassatiemiddelen dat een middel tot staving van een cassatieberoep tegen de eindbeslissing en een onwettigheid aanvoert van een beslissing alvorens recht te doen slechts ontvankelijk is als (tegelijk) aan twee voorwaarden is voldaan: 1°de onwettigheid van de tussenbeslissing tast de wettigheid aan van de eindbeslissing (de theorie van de doorwerking van een onwettigheid) en 2° tegen de tussenbeslissing staat geen cassatieberoep open, onmiddellijk of samen met de eindbeslissing
(6). Ontbreekt een tijdig cassatieberoep tegen de tussenbeslissing, hoewel dat wettelijk mogelijk was, dan kan de eiser die alleen beroep instelde tegen de eindbeslissing geen ontvankelijk middel aanvoeren tegen de tussenbeslissing
(7). De Voorzitter verwijst hiervoor naar rechtspraak over een niet-ontvankelijk middel dat is gericht tegen een tussenbeslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep
(8)of tegen een tussenbeslissing over het niet-horen van een getuige
(9)of tegen een verwijzingsbeschikking
(10)of tegen een arrest over een nietigheid opgeworpen voor het onderzoeksgerecht (arrest K.I. op basis van oud art. 235bis Sv.)
(11). In assisenzaken laat een cassatieberoep tegen het arrest over de straf niet toe een middel aan te voeren tegen het arrest over de schuld
(12). Deze visie komt erop neer dat als de eiser geen apart cassatieberoep instelt tegen de tussenbeslissing (na de eindbeslissing of onmiddellijk, in de beperkte gevallen van art. 420 Sv.), hij die beslissing niet aanvecht. Alleen als cassatieberoep tegen de tussenbeslissing uitgesloten is, zoals de beslissing om conclusietermijnen vast te leggen (art. 152 en 211 Sv.)
(13), kan de eiser die alleen cassatieberoep instelt tegen de eindbeslissing een ontvankelijk middel formuleren tegen een voorgaande beslissing. 7. Voor andere auteurs is een bijkomend cassatieberoep tegen de beslissing alvorens recht te doen niet vereist, ook als de wet dat beroep toelaat. De eiser die in zijn akte ter griffie alleen de eindbeslissing aanvecht in cassatie kan volgens hen in zijn memorie een ontvankelijk middel aanbrengen tegen de tussenbeslissing. Het cassatieberoep tegen de einduitspraak is dan een soort breekijzer om ook de tussenbeslissing omver te halen. De enige voorwaarde is dan dat de onwettigheid van de tussenbeslissing uitdijt, zich uitstrekt naar de ganse rechtspleging, dus van aard is om de eindbeslissing aan te tasten
(14). In een zaak van een tussenarrest in een proces-verbaal over de behandeling van de gesloten deuren nam het Hof, 2F-Kamer, op 4 november 2020 aan (impliciet) dat het cassatieberoep gericht tegen alleen de eindbeslissing kan leiden tot vernietiging van de tussenbeslissing en de erop volgende rechtspleging
(15). 8. Attaché-Jurist Ward YPERMAN komt terecht tot het besluit dat het Hof “soms op enkel beroep tegen de eindbeslissing middelen toelaat tegen een tussenbeslissing, zelfs wanneer er tegen deze tussenbeslissing ook cassatieberoep openstond” en “In hoeverre het een voorwaarde is dat er geen cassatieberoep openstaat tegen de tussenbeslissing, is dus een vraag die momenteel geen duidelijk antwoord kent”
(16). 9. Voor beslissingen die geen vonnissen zijn alvorens recht te doen, zoals de beschikking tot verwijzing van de zaak naar het vonnisgerecht (art. 130, 230 en 231 Sv.), is de situatie duidelijk. Heeft de eiser in cassatie tegen deze aparte beslissing (van een ander gerecht) geen cassatieberoep ingesteld, hoewel dat beroep openstond, maar wel tegen de eindbeslissing ten gronde, dan kan hij de wettigheid van de eerste beslissing niet in cassatie aanvechten
(17). Wat betreft de voorliggende zaak, over een tussenvonnis dat enkel in een proces-verbaal van de terechtzitting is weergegeven en uitgaat van dezelfde rechtsinstantie, gaat mijn voorkeur uit naar de (tweede) visie dat een apart cassatieberoep tegen het tussenvonnis niet nodig is, indien de onwettigheid van de tussenbeslissing doorwerkt tot en met de eindbeslissing
(18).
- Eveneens van belang lijkt mij de onafgebroken rechtspleging te zijn. De beslissing om de zaak te behandelen werd meteen gevolgd door een debat over de grond van de zaak. De twee beslissingen zijn dan ook nauw met elkaar verweven, meer dan in de situatie van een formele tussenbeslissing (zoals het ontvankelijk verklaren van verzet of hoger beroep), gevolgd door uitstel van de zaak en een nieuw debat.
- Hierbij moet worden opgemerkt dat na afwijzing van het verzoek tot uitstel de raadsman van eiser (Mr. Regel) toch uitstel vroeg, wegens het verblijf in het buitenland van de advocaat-titularis van het dossier (Mr. Lenaerts) (zie PV van de rechtszitting van 2 januari 2025). Het is dus niet voor het eerst in cassatie dat eiser een miskenning van zijn recht van verdediging aanvoert. Het “nieuw middel” als grond van niet-ontvankelijkheid
(19)ervan lijkt mij niet van toepassing. 12. Wat betreft de gegrondheid van het middel, is het vaste rechtspraak dat de rechter in beginsel uitstel toestaat als de beklaagde aanstuurt op de bijstand van een door hem gekozen advocaat, zonder dat de beklaagde daarbij beschikt over een absoluut recht op uitstel
(20). De rechter mag het verzoek om uitstel van behandeling van de zaak afwijzen als ofwel de afwezigheid van de gekozen advocaat te wijten is aan de beklaagde zelf
(21), ofwel een uitstel niet noodzakelijk is voor het recht van verdediging, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof ziet wel toe op de wettigheid van de motieven, wat inhoudt dat de rechter die de vraag tot uitstel afwijst de concrete omstandigheden daarvoor moet aangeven.
- Mij komt voor dat noch het tussenvonnis (opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 januari 2025) noch de eindbeslissing melding maken van concrete omstandigheden die toelaten de zaak te behandelen, ondanks een verzoek tot uitstel. Het middel is in zoverre gegrond.
- Mijn conclusie is cassatie met verwijzing van de zaak, behalve de beslissing dat eisers hoger beroep ontvankelijk is, waarbij ook het tussenvonnis van 2 januari 2025 wordt vernietigd
(22). ______________________________________________________
(1)Het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 januari 2025 (st. 7) vermeldt enkel “De rechtbank werpt op dat de zaak vandaag om 12h s’ middags wordt behandeld”.
(2)Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC 2010, nr. 229, RO 8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.7, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 141.
(3)Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC 2010, nr. 229, RO 9, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER.
(4)Concl. van procureur-generaal P. DUINSLAEGER, toen advocaat-generaal, in de zaak Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC 2010, nr. 229, § 28.
(5)(Dr.) W. YPERMAN, “Onwettigheden in tussenbeslissingen en hun doorwerking in de eindbeslissingen in strafzaken”, in Jaarverslag Hof van Cassatie 2024, 10-11, https://www.hofvancassatie.be.
(6)F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht” in C. DE BAETS en J. OOSTERBOSCH (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publishing, Herentals, 2023, 127.
(7)F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht” in C. DE BAETS en J. OOSTERBOSCH (eds.), Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publishing, Herentals, 2023, 127, met verwijzing naar Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC 2010, nr. 229.
(8)Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0483.N, AC 2020, nr. 627, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.9; Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0438.N, arrest niet gepubliceerd.
(9)Cass. 11 maart 1992, AR 9477, AC 1991-92, nr. 362 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920311.10.
(10)Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, AC 2022, nr. 27, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5; Cass. 12 november 1991, AR 4258, AC 1991-92, nr. 137 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911112.5; Cass. 9 april 1986, AR nr. 4967, AC 1985-86, nr. 484 ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860409.8.
(11)Cass. 13 juni 2023, AR P.23.0266.N, AC 2023, nr. 448, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.23 RO 10 en 11.
(12)Cass. 3 mei 2011, AR P.10.1865.N, AC 2011, nr. 292 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110503.1. (zie ook Cass. 19 juli 2017, AR P.16.0990.N, arrest niet gepubliceerd). Contra: Cass. 17 april 1996, AR P.96.0022.F, AC 1996, nr. 116 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2 en Cass. 29 januari 1992, AR 9581, AC 1991-92, nr. 281 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920129.6.
(13)Andere voorbeelden zijn het bevel tot persoonlijke verschijning (art. 185 en 211 Sv.), de beslissing van de vonnisrechter om, bij toepassing van de procedure snelrecht voor aangehouden beklaagden, de zaak terug te zenden naar de procureur des Konings, voor aanvullend onderzoek (art. 216sexies, § 1 Sv., ingevoegd door art. 9 wet 18 januari 2024, BS 26 januari 2024) of de weigering van het bevoegde gerecht om een akkoord over de voorafgaande erkenning van schuld de bekrachtigen, waarna de zaak terug aan de procureur des Konings wordt overgemaakt (art. 216, § 6 Sv.).
(14)J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 141; met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE in de zaak Cass. 4 november 2020, AR P.20.0250.F, AC 2020, nr. 680, punt 4, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201104.2F.3; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 2095. Zie ook R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Larcier 2006, p. 363, met verwijzing naar o.a. Cass. 29 januari 1992, AR 9581, AC 1991-92, nr. 281 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920129.6 en Cass. 17 april 1996, AR P.96.0022.F, AC 1996, nr. 116 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2, RDPC 1997, 214 (over een tussenarrest in assisen over het stellen van vragen aan de jury).
(14)Cass. 4 november 2020, AR P.20.0250.F, AC 2020, nr. 680 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.3, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas. (impliciete oplossing); Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1592.N, AC 2010, nr. 229, RO 9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.7, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 8 april 1998, AR P.97.1692.F, AC 1998, nr. 195 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11.
(15)Cass. 4 november 2020, AR P.20.0250.F, AC 2020, nr. 680, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.. De samenvatting op ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.3 vermeldt: “Het feit dat een beslissing alvorens recht te doen onherroepelijk is, bij ontstentenis van cassatieberoep of wegens verwerping van het cassatieberoep, doet niets af aan de eventuele onwettigheid van de eindbeslissing die daarop is gegrond; aangezien die onwettigheid een dergelijke beslissing betreft, kunnen de eisers middelen aanvoeren die daarop betrekking hebben”.
(16)W. YPERMAN, “Onwettigheden in tussenbeslissingen en hun doorwerking in de eindbeslissingen in strafzaken”, in Jaarverslag Hof van Cassatie 2024, 11.
(17)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 1582, met verwijzing naar o.a. Cass. 3 maart 1993, AR 9840, AC 1993, nr. 125 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930303.11 (over de beschikking tot verwijzing); J. DE CODT, “La présentation des moyens de cassation”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ., 2016, 141.
(18)Over dit mechanisme zie concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE in de zaak Cass. 4 november 2020, AR P.20.0250.F, AC 2020, nr. 680, punt 4, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.3
(19)Zie F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, C. DE BAETS en J. OOSTERBOSCH (eds.), Knops Publ. 2023, 132-134.
(20)Cass. 25 maart 2025, AR P.24.1509.N, AC 2025, nr. 227 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8; Zie Cass 8 oktober 2024, AR P.24.0901.N, AC 2024, nr. 656 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9; Cass. 6 juni 2023, AR P.22.1440.N, AC 2023, nr. 405, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7, RW 2023-24, 1314; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N, AC 2020, nr. 676, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5; Cass. 23 december 2014, AR P.14.1384.N, AC 2014, nr. 810 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.2 (zaak voorlopige hechtenis)
(21)Cass. 8 oktober 2024, AR P.24.0901.N, AC 2024, nr. 656 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9; Cass. 6 juni 2023, AR P.22.1440.N, AC 2023, nr. 405 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7, RW 2023-24, 1314; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N, AC 2020, nr. 676 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5; EHRM 20 oktober 2015, Dvorski t/Kroatië, § 78-80, www.echr.coe.int; F. KUTY, Justice pénale et procès equitable, Larcier 2023, 2081-2089.
(22)Over de uitbreiding van de cassatie tot voorafgaande akten zie F. VAN VOLSEM, “Beoordeling van het cassatieberoep in strafzaken”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia 2014, 182-185. Vb. Cass. 4 november 2020, AR P.20.0250.F, AC 2020, nr. 680 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.3, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.31 citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860409.8 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911112.5 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920129.6 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920311.10 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930303.11 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.2 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110503.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141223.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201104.2F.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201104.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.23 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div