id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.5 Rolnummer: C.23.0212.N Zaak: R. contra PENTAHOLD nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-08-01 Raadplegingen: 473 - laatst gezien 2026-06-18 18:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250530.1N.5 Fiche 1 Een cassatiemiddel dat schending aanvoert van artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek op grond dat de rechter op verwijzing een onjuiste draagwijdte heeft verleend aan het wettelijk begrip “beslecht rechtspunt”, is ontvankelijk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Ontvankelijkheid van het cassatiemiddel - Begrip “beslecht rechtspunt” - Aanvoering dat rechter op verwijzing onjuiste draagwijdte gaf aan dit begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 2 - 3 Het Hof mag niet zelf oordelen dat een bepaling van Titel II Grondwet klaarblijkelijk niet is geschonden. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Klaarblijkelijk geen schending van een bepaling van Titel II Grondwet - Stellen van prejudiciële vraag - Verplichting voor het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Klaarblijkelijk geen schending van een bepaling van Titel II Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 4 De rechter op verwijzing is enkel gebonden door de interpretatie van een rechtsregel, zoals weergegeven door het Hof in zijn vernietigingsarrest
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERWIJZING NA CASSATIE - BURGERLIJKE ZAKEN Vrije woorden: Rechter op verwijzing - Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1110, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.23.0212.N Conclusies van advocaat-generaal VROMAN: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 2 maart
- Door eisers wordt één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag naar de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de rechter op verwijzing na een vernietigingsarrest van het Hof. In het bijzonder staat in deze zaak het begrip “beslechte rechtspunt’ bedoeld in artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek centraal. II. Het middel. Eisers voeren aan dat de appelrechters artikel 1110 (in het bijzonder het vierde lid van deze bepaling) van het Gerechtelijk Wetboek hebben geschonden door hun hoger beroep onontvankelijk te verklaren door te weigeren de door hen gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof omdat het cassatiearrest van 16 september 2022 louter betrekking had op de vraag of het hof van beroep te Gent terecht had besloten tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van de overweging dat de feitelijke vaststellingen van de eerste rechter een eindbeslissing vormen in de zin van artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek (schending van artikelen 19 en 1050 Gerechtelijk Wetboek) en dus geen beletsel vormt voor de appelrechters om te oordelen over het door de eisers aangevoerde middel gebaseerd op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 1050 en 1055, alsook artikel 875bis, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek. III. Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Tegen de voorziening worden door verweerster twee middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Verweerster laat vooreerst gelden dat het cassatieberoep van eisers niet ontvankelijk is omdat het gericht is tegen de beslissing van het hof van beroep te Antwerpen die overeenstemt met het vernietigingsarrest van het Hof. Verweerster laat vervolgens gelden dat tegen een beslissing van een rechtscollege waarin wordt geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof geen rechtsmiddel kan worden aangewend en het cassatieberoep dus onontvankelijk is. II.
- Eerste middel van niet-ontvankelijkheid. Artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gerecht zich voegt naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt en dat er tegen de beslissing van dat gerecht geen voorziening in cassatie wordt toegelaten in zoverre deze beslissing overeenstemt met het vernietigingsarrest. In het arrest van 16 september 2022 van het Hof werd als volgt geoordeeld
(1): “Tweede onderdeel. II. Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis een eindvonnis is voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te spreken, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
- Artikel 1050, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te spreken slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.
- Met ‘eindvonnis’ in de zin van artikel 19, eerste lid, en 1050 Gerechtelijk Wetboek doelt de wetgever op een eindbeslissing waarmee de rechter een geschilpunt definitief beslecht, zodat hij zijn rechtsmacht over dat punt uitput.
- Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt, hetzij om de vordering te onderzoeken hetzij om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij erover debat gevoerd. Dit geldt ongeacht de aard van de betwisting die voor de rechter over een op grond van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek gevorderde voorafgaande maatregel werd gevoerd. Elke beslissing die de rechter neemt in het raam van een vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel, na beoordeling van de middelen van de partijen, is een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat. De rechter beslecht aldus geen geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Hij beoordeelt enkel, alvorens enig geschilpunt te beslechten, de vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel. Dergelijke beoordeling en beslissing laat, ongeacht de door de rechter gebruikte bewoordingen, de latere beoordeling en beslissing door de rechter onverlet. De omstandigheid dat de rechter daarbij feitelijke vaststellingen doet, met beoordeling van de middelen van de partijen, neemt niet weg dat het gaat om een beslissing alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat. Bij de bedoelde beoordeling beslecht hij immers geen geschilpunt in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Hij beoordeelt enkel, alvorens enig geschilpunt te beslechten, de vordering tot het bevelen van een voorafgaande maatregel.
- Hiervan te onderscheiden is het geval dat de rechter, onafhankelijk van enige voorafgaande maatregel, een geschilpunt definitief beslecht en zodoende zijn rechtsmacht over dat punt uitput. Alsdan bevat het tussenvonnis, los van de voorafgaande maatregel, een eindbeslissing en is het bijgevolg onmiddellijk appellabel.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat de eerste rechter bij wijze van onderzoeksmaatregel de overlegging van een aantal stukken heeft bevolen. Hij verklaarde uitdrukkelijk deze maatregel te bevelen in het raam van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek zonder enige beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of gegrondheid van de vordering van de eiseres. Hij verklaarde verder dat de maatregel de partijen geenszins belet om later alle mogelijke middelen aan te voeren tot inwilliging of afwijzing van de vordering van de eiseres.
- De appelrechters die oordelen dat het beroepen vonnis, gelet op de feitelijke vaststellingen van de eerste rechter, met beoordeling van de middelen van de partijen, een eindbeslissing bevat en bijgevolg onmiddellijk appellabel is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond”. Het beslechte rechtspunt vindt men dus terug in r.o. 4 van het vernietigingsarrest van 16 september
- In het vernietigingsarrest van 16 september 2022 besluit het Hof tot cassatie van het bestreden arrest omdat de appelrechters die oordelen dat het beroepen vonnis, gelet op de feitelijke vaststellingen van de eerste rechter, met beoordeling van de middelen van de partijen, een eindbeslissing bevat en bijgevolg onmiddellijk appellabel is, hun beslissing niet naar recht verantwoorden en dit wegens schending van de artikelen 19, eerste en derde lid, en 1050 Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd door de Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie (verder Wet van 6 juli 2017)
(2). Uit artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat bij de controle door het Hof op de toepassing door de rechter op verwijzing van deze bepaling moet worden gekeken naar wat de rechter op verwijzing na cassatie moet beoordelen en over welke vrijheid deze nog beschikt om de zaak te beoordelen. Er moet worden nagegaan of de rechter op verwijzing in het licht van de door de partijen eventueel nieuwe aangevoerde feiten en middelen terecht oordeelde dat hij toepassing diende te maken van het beslechte rechtspunt zoals dit blijkt uit het vernietigingsarrest van het Hof. De rechter op verwijzing is volgens de tekst van artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek immers enkel gebonden door dit beslechte rechtspunt. Het Hof oordeelde reeds dat wanneer de vernietiging van een arrest door het Hof wordt uitgesproken en in de mate waarin zij wordt uitgesproken, de partijen voor de rechter op verwijzing worden teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing werd vernietigd, op voorwaarde dat de beschikkingen van die beslissing waaraan de vernietiging niet raakt, worden geëerbiedigd
(3). De partijen kunnen, binnen de grenzen van de verwijzing, het geschil opnieuw bepleiten, nieuwe feiten aan het oordeel van de rechter op verwijzing voorleggen, nieuwe middelen aanvoeren of zelfs, indien zij dat nog op een ontvankelijke wijze kunnen doen, hoger beroep instellen tegen beschikkingen van het beroepen vonnis die zij vooralsnog niet hadden bekritiseerd
(4). Essentieel voor de toepassing van artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek is het begrip “beslechte rechtspunt”. Hoewel deze bepaling werd ingevoerd door de Wet van 6 juli 2017, is “beslechte rechtspunt” geen nieuw begrip in de wettelijke bepalingen in verband met voorziening in cassatie. Dit begrip kwam reeds voor in het thans opgeheven artikel 1120 Gerechtelijk Wetboek in verband met een tweede vernietigingsarrest van het Hof op dezelfde gronden
(5). Dit artikel was op zijn beurt de eenvoudige overname van artikel 2 van de Wet van 7 juli 1865 die de art. 23, 24 en 25 van de wet van 4 augustus 1832 op de gerechtelijke organisatie opheft en vervangt door nieuwe bepalingen (verder: Wet van 7 juli 1865)
(6)
(7). Het hield in dat wanneer de verenigde kamers van het Hof vernietigden op dezelfde gronden als bij de eerste cassatie dat de rechter op verwijzing zich diende te voegen naar het door het Hof beslechte rechtspunt. De interpretatie die door het Hof werd gegeven aan een wettelijke bepaling moest door de rechter op verwijzing worden gevolgd. Dit belette echter niet dat de rechter op verwijzing binnen de omvang van de vernietiging het geschil opnieuw moest beoordelen en dat partijen nieuwe feiten en middelen konden aanvoeren
(8). Dit sluit duidelijk aan bij de bedoeling van de wetgever zoals die uit de voorbereidende werkzaamheden bij de Wet van 7 juli 1865 blijkt
(9). Deze principes gelden volgens mij ook voor het nieuwe artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek. Het Hof besliste reeds dat artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek ertoe strekt te vermijden dat de uitlegging die het Hof in zijn arrest met verwijzing gaf aan een rechtsregel opnieuw in vraag zou kunnen worden gesteld voor de rechter op verwijzing of opnieuw, in het raam van hetzelfde geschil, na de beslissing op verwijzing zou kunnen aangevochten worden met een cassatieberoep en dat een cassatiemiddel, gericht tegen een beslissing van de rechter op verwijzing in navolging van het cassatiearrest, waarbij de reeds beslechte rechtsregel opnieuw in vraag wordt gesteld, niet ontvankelijk is
(10). Dit alles houdt in dat er moet onderzocht worden of het middel aangevoerd voor de rechter op verwijzing wel een schending inhoudt van het rechtspunt dat het Hof in het vernietigingsarrest heeft beslecht. Het is immers enkel aan dit rechtspunt waaraan de rechter op verwijzing is gebonden, dit evident binnen de perken van de omvang van uitgesproken cassatie. Het is enkel wanneer de rechter op verwijzing terecht heeft geoordeeld dat hij gebonden is door het beslechte rechtspunt, dat het nieuwe cassatieberoep tegen het arrest van de rechter op verwijzing onontvankelijk zal zijn. Hoger werd reeds weergegeven wat precies het beslechte rechtspunt in het vernietigingsarrest van 16 september 2022 van het Hof was. In hun appelconclusie vorderden de eisers voor de rechter op verwijzing om hun hoger beroep ontvankelijk te verklaren waarbij ze aanvoerden dat de artikelen 1050, 1055 en 875bis Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden in zoverre niet onmiddellijk hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing waarbij de rechter zich ertoe beperkt een onderzoeksmaatregel ten gronde te bevelen zonder daarbij eerst uitspraak te doen over de opgeworpen middelen van onontvankelijkheid van de vordering, in het kader waarvan zij de rechter op verwijzing verzoeken een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dit is volgens mij duidelijk een ander rechtspunt dan het beslechte rechtspunt van het vernietigingsarrest van 16 september 2022. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Ten overvloede wens ik hier nog enkele bedenkingen aan toe te voegen in verband met de rechtsopvatting die verweerster verdedigt in de memorie van antwoord. Met artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek werd de verplichting ingevoerd voor de rechter op verwijzing om zich vanaf het eerste vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie te voegen naar het door het Hof beslechte rechtspunt. Voor de Wet van 6 juli 2017 was de rechter op verwijzing daartoe slechts verplicht na een tweede vernietigingsarrest. De Wet van 6 juli 2017 voerde dezelfde wijziging door voor de strafzaken door in artikel 435 Wetboek van Strafvordering een gelijkluidend tweede lid in te voegen
(11). Deze wetswijzigingen waren geïnspireerd op de hervormingsvoorstellen van de cassatieprocedure die procureur-generaal bij het Hof van Cassatie Dirk Thijs formuleerde tijdens zijn installatierede
(12). Aan de grondslag van de hervorming lag de idee van de versterking van de proceseconomie
(13). Sedert deze hervorming wordt in de doctrine (volgens mij terecht) vrij algemeen aangenomen dat de vernietigingsarresten van het Hof van Cassatie met betrekking tot het door het Hof beslechte rechtspunt gezag van gewijsde bezitten
(14). Verweerster verwijst uitdrukkelijk in de memorie van antwoord naar het standpunt dat FETTWEIS verdedigde nl. dat gelet op artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek de rechter naar wie verwezen werd geen prejudiciële vraag meer kan stellen aan het Grondwettelijk Hof, het Hof van Justitie en het BENELUX-Gerechtshof om te controleren of de interpretatie van de wet gegeven in het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie wel overeenkomstig de Grondwet, de Europese regelgeving of de gemeenschappelijke rechtsregels waarover het Benelux-Gerechtshof zich kan buigen, is
(15). Het Grondwettelijk Hof oordeelde echter in zijn arrest van 15 september 2022 in verband met de grond van niet-ontvankelijkheid op basis van artikel 435, tweede lid Wetboek van Strafvordering, die door de Ministerraad werd opgeworpen tegen de gestelde prejudiciële vragen, dat werd ingevoerd door dezelfde wet die de huidige gelijkluidende regeling invoerde in artikel 1110, lid 4 Gerechtelijk Wetboek, dat artikel 435, tweede lid Wetboek van Strafvordering de rechter op verwijzing niet ontslaat van de verplichting om bij een vermeende schending van de Grondwet een prejudiciële vraag te stellen. Volgens het Grondwettelijk Hof komt het het verwijzend rechtscollege toe om, rekening houdend met de door het Hof van Cassatie eraan verleende interpretatie, de in het geding zijnde bepaling aan de beoordeling van het Grondwettelijk Hof voor te leggen en zich vervolgens naar het arrest van het Grondwettelijk Hof te voegen
(16). Het Grondwettelijk Hof meende dat anders beslissen de effectiviteit van de grondwettigheidstoetsing van wetskrachtige normen in het gedrang zou brengen. In het arrest van 1 december 2022 oordeelde het Grondwettelijk Hof in verband met artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de bestaanbaarheid ervan met de verplichting voor de rechter op verwijzing tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie als volgt
(17): “B.16.
- Een arrest waarmee het Hof van Cassatie, na vernietiging van een rechterlijke beslissing, een zaak verwijst naar een ander gerecht, heeft, wat het beslechte rechtspunt betreft, een bijzonder gezag ten aanzien van dat gerecht. Het aan een dergelijk arrest verbonden gezag houdt in dat het betrokken rechtspunt moet worden geacht definitief te zijn beslecht en dat de beslissing van het Hof van Cassatie ter zake aldus in beginsel niet meer door het desbetreffende gerecht in het geding kan worden gebracht in de desbetreffende zaak. B.16.
- Gelet op het feit dat het rechtszekerheidsbeginsel gebiedt dat geschillen op een bepaald ogenblik definitief worden beëindigd, heeft de in het geding zijnde bepaling, doordat zij erin voorziet dat het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst, gebonden is door het definitief door dat Hof beslechte rechtspunt, in beginsel geen onevenredige gevolgen. B.16.
- Niettemin kan het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst, worden geconfronteerd met bijzondere omstandigheden, zoals uit de Grondwet of uit internationale verdragen voortvloeiende verplichtingen die conflicteren met de uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeiende verplichting, waarbij die bepaling, in de interpretatie dat dat gerecht in geen enkele omstandigheid kan afwijken van het oordeel van het Hof van Cassatie, onevenredige gevolgen kan hebben ten aanzien van de ermee nagestreefde doelstelling”. Dit standpunt gaat volgens mij uit van een foute interpretatie van artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek gelet op de hogervermelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in verband met het gelijkaardige artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Ten einde zekerheid omtrent de juiste interpretatie te bekomen, zou er een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moeten worden gesteld maar gelet op de volgens mij verkeerde toepassing van artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek door de rechters op verwijzing, is er daar in deze zaak geen aanleiding toe. II.
- Tweede middel van niet-ontvankelijkheid. Artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat de beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, de redenen van de weigering moet aangeven en dat tegen de beslissing van het rechtscollege geen afzonderlijk rechtsmiddel kan worden aangewend. Het Hof besliste reeds dat in een zaak waarin geen middel ambtshalve kan worden opgeworpen, het cassatieberoep onontvankelijk is wanneer het alleen opkomt tegen de weigering een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen en er geen middel wordt aangevoerd tegen de beslissing die het gevolg van de weigering is
(18). Omgekeerd besliste het Hof ook reeds dat het cassatieberoep ontvankelijk is wanneer het niet beperkt is tot de weigering van de feitenrechter om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen, maar de bestreden beslissing bekritiseert, in zoverre de feitenrechter die vraag zelf beantwoord heeft
(19). Uit artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof volgt dus impliciet dat er een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen de weigering om een prejudiciële vraag te stellen wanneer dat gebeurt samen met een rechtsmiddel gericht tegen de eindbeslissing. SCHOLLEN wijst er terecht op dat dit logisch is. Want als er nog geen eindbeslissing is, is er geen reden om een beslissing tot het wel of niet stellen van de vraag verschillend te behandelen, en als er wel al een eindbeslissing zou zijn, heeft een partij er enkel belang bij de beslissing omtrent de prejudiciële vraag aan te vechten, als de eindbeslissing voor haar nadelig is
(20). De rechters op verwijzing hebben een eindbeslissing uitgesproken aangezien zij het hoger beroep van de eisers niet ontvankelijk verklaren nadat ze oordeelden dat zij zich overeenkomstig artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek moeten voegen naar het door het Hof in het vernietigingsarrest beslechte rechtspunt. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. IV. Gegrondheid. Ik verwijs naar wat ik reeds schreef in deze conclusie bij de eerste door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid. Uit artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter op verwijzing enkel de interpretatie die door het Hof werd gegeven aan een rechtsregel in zijn vernietigingsarrest moet volgen en dat de rechter op verwijzing binnen de omvang van de vernietiging het geschil opnieuw moet beoordelen en dat partijen nieuwe feiten en middelen kunnen aanvoeren en de rechter op verwijzing deze nieuwe feiten en middelen dan ook moet ontmoeten. Uit de vergelijking van het beslechte rechtspunt in het vernietigingsarrest van 16 september 2022 en het middel gegrond op de mogelijke ongrondwettigheid van de artikelen die verhinderen dat onmiddellijk hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing alvorens recht te spreken waarbij wordt nagelaten de vereisten van artikel 875bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek correct toe te passen, blijkt volgens mij dat dit middel niet het beslechte rechtspunt van het vernietigingsarrest van 16 september 2022 betreft. Met de vaststellingen en het oordeel onder punt 2.2 en 2.3. van het bestreden arrest, hebben de rechters op verwijzing dan ook hun beslissing dat zij zich gelet artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek dienen te voegen naar het door het Hof beslechte rechtspunt dat in het beroepen vonnis een beslissing werd genomen alvorens recht te spreken waartegen geen onmiddellijk hoger beroep open staat en zich daarom niet kunnen uitspreken over de door de eisers opgeworpen ongrondwettelijkheid, niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Conclusie: Cassatie. _________________________________________________________________
(1)Cass. 16 september 2022, AR C.22.0035.N, AC 2022, nr. 548, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10.
(2)BS 24 juli 2017 (zie art. 149, 2°van de Wet van 6 juli 2017.) Deze wet betreft de zogenaamde Potpourri V-wet.
(3)Cass. 20 april 2017, AR C.14.00060.F, AC 2017, nr. 271, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170420.1.
(4)Cass. 5 maart 2015, AR C.13.0358.F, AC 2015, nr. 161, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150305.6 met concl. van advocaat-generaal WERQUIN, ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150305.6, op datum in Pas.
(5)Dit artikel 1120 Gerechtelijk Wetboek luidde als volgt: “Wordt de tweede beslissing vernietigd op dezelfde gronden als bij de eerste cassatie, dan voegt de feitenrechter naar wie de zaak is verwezen, zich naar de beslissing van het Hof van Cassatie betreffende het door dat hof beslechte rechtspunt”.
(6)Verslag C. VAN REEPINGHEN, Ontwerp van wet tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek, Senaat, 1963-1964, 10 december 1963, nr. 60, 257.
(7)Wet van 7 juli 1965 die de art. 23, 24 en 25 van de wet van 4 augustus 1832 op de gerechtelijke organisatie opheft en vervangt door nieuwe bepalingen, Pasin. 1865, 215-222. Dit artikel 2 luidde als volgt: « Si le deuxième arrêt, jugement ou décision est annulé par les mêmes motifs que ceux de la première cassation, le juge du fond, à qui l’affaire est renvoyée, se conforme à la décision de la cour de cassation sur le point de droit jugé par cette cour”.
(8)CLAUS L. De gevolgen van de vernietiging door het Hof van Cassatie, LeA-uitgevers, 2024, 315; STORCK Ch., “Le renvoie au juge du fond dans la procédure en cassation en matière civil” in Imperat Lex – Liber amicorum Pierre Marchal, Larcier 2003,
(209)218.
(9)Mvt bij de Wet van 7 juli 1965, Pasin. 1865,
(215)218: “il conserve à la cour de cassation sa haute destination et son influence légitime sur les corps dont elle doit être le régulateur; il lui maintient le droit de prononcer le dernier mot chaque fois qu'une contestation soumise aux tribunaux rend nécessaire la déclaration du sens de la loi ; il laisse aux cours d'appel le pouvoir d'apprécier souverainement le point de fait, de statuer an fond, c'est-à-dire d'appliquer au fait le droit reconnu”.
(10)Cass. 20 juni 2024, AR F.20.0114.N, AC 2024, nr. 473, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.1.
(11)Art. 161 Wet van 6 juli 2017.
(12)Amendement bij het wetsontwerp houdend vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Kamer 2016-2017, 13 maart 2017, nr. 54-2259/003, 37; D. THIJS, “Van wandelstok naar zwaard – Voorstellen tot modernisering van de cassatieprocedure in het licht van het proceseconomisch gebruik van middelen”, RW 2016-2017, 1043-1057.
(13)Voor een uitvoerige (soms kritische) bespreking van deze hervorming zie STORCK Ch., “Quand l’hubris dicte une réforme de la Cour de cassation”, in Actualités en droit commercial et bancaire – Liber amicorum Martine Delierneux, Larcier 2017, 625-644; STORCK Ch. et WERQUIN T., “Du juge de l’étendue de la cassation”, in Libertés, (l)égalité, humanité – Mélanges offerts à Jean Spreutels, Bruylant 2018, 749-766; ENGLEBERT J. en TATON X. (eds.), Droit du procès civil, vol. 2, Limal, Anthemis 2019, 458-460, randnr. n° 737; VAN DROOGHENBROECK J.-Fr. en LENAERTS J.-S., “Traits essentiels des réformes de procédure civile ‘pots-pourris IV et V’”, JT 2017, 640, randnrs. 29-32; CLAUS L., “Het gewijzigde art. 1110 Ger. W.: de omvang van het debat voor de rechter op verwijzing aan banden gelegd?”, RW 2018-2019, 643-651; FETTWEIS A., “Sur l’autorité contraignante des arrêts de la Cour de cassation”, in Liber amicorum Patrick Henry – Luttons, Larcier 2019, 125-184; LEFEBVRE P., “Les modifications au Code judiciaire tendant à attribuer une autorité de chose jugée aux arrêts de la Cour de cassation prononcés avec renvoi – une modification moins révolutionnaire qu’il n’y appert à première vue?”, in Entre tradition et pragmatisme. Liber amicorum Paul Alain Foriers, vol. 2, Larcier 2021, 1559-1582; DE LEVAL G., Droit judiciaire – Tome 2 Procédure Civile – Volume 2 Voies de recours, Larcier 2021, 357-421.
(14)Zie bijv. CLAUS L. De gevolgen van de vernietiging door het Hof van Cassatie, LeA-uitgevers, 2024, 308-311; BAUDONCQ F., “Commentaar bij art. 1110 Ger.W.” in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 31-37; DE LEVAL G., Droit judiciaire – Tome 2 Procédure Civile – Volume 2 Voies de recours, Larcier 2021, 388-389, randnr. 9.246; PARMENTIER C., Comprendre la technique de cassation – 2e édition, Larcier 2018,235-236, randnr. 191; FETTWEIS A., “Sur l’autorité contraignante des arrêts de la Cour de cassation”, in Liber Amicorum Patrick Henry-Luttons, Larcier-Intersentia 2019, 129-131, randnr. 5-10; DE LEVAL G. (ed.), Droit judiciaire - Tome
- Procédure civile Volume
- Voies de recours, Larcier 2021, 388, randnr. 9.
- In ieder geval verdedigde ook procureur-generaal Dirk THIJS dat er gezag van gewijsde zou worden verbonden aan de uitgesproken vernietigingsarresten van het Hof (D. THIJS, “Van wandelstok naar zwaard – Voorstellen tot modernisering van de cassatieprocedure in het licht van het proceseconomisch gebruik van middelen”, RW 2016-2017, 1043-1057) en laat dit nu precies de inspiratiebron zijn voor de wetgever voor het invoeren van het huidige artikel 1110, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek (Amendement bij het wetsontwerp houdend vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, KAMER 2016-2017, 13 maart 2017, nr. 54-2259/003, 37); contra: VANLERBERGHE B., “De hervorming van de cassatieprocedure met betrekking tot de gevolgen van de cassatie”, 252, in TAELMAN P. en ALLEMEERSCH B. (eds.), Het burgerlijk proces opnieuw hervormd, Larcier-Intersentia 2019, 252.
(15)FETTWEIS A., « Sur l’autorité contraignante des arrêts de la Cour de cassation” in Liber Amicorum Patrick Henry-Luttons, Larcier-Intersentia 2019, 138, randnr. 23.
(16)Gwh 15 september 2022, nr. 108/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.108, overweg. B.7.
(17)Gwh 1 december 2022, nr. 159/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.159.
(18)Cass. 30 november 2000, AR D.00.0023.F, AC 2000, nr. 659, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001130.8; Cass. 12 januari 1996, AR C.95.0124.F, AC 1996, nr. 26, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960112.19; Cass. 16 maart 1992, AR M8050N, AC 1991-92, nr. 376, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920316.13; Cass. 17 februari 1992, AR M800N, AC 1992, nr. 320, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920217.8.
(19)Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0117.F, AC 1999, nr. 339; ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.18.
(20)SCHOLLEN P., “Het begrip ‘prejudiciële vraag’, de techniek en de plaats in de procedure” in VAN LERBERGHE B. en GHYSELS J., Prejudiciële vragen. De techniek in kaart gebracht, Intersentia 2013,
(1)27; zie ook SMETS J. en DE GEYTER L., “Commentaar bij art. 29 Bijz.W. 6 januari 1989”, in BIJNENS D., EGGERMONT F., JENART C. en VERRIJDT W., Publiek procesrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, losbl.,
(1)2-3. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250530.1N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920217.8 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920316.13 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960112.19 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.18 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001130.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150305.6 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150305.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170420.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220916.1N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.1 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.108 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div