← België

SUNWEST nv contra INDIMMO DEVELOPMENT nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 mei 2025 ECLI

Art. 1017

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1018

, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1022

, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 7 Een procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn; dit betekent dat partijen ondubbelzinnig hun gemeenschappelijke wil hebben geuit om af te wijken van het basisbedrag; de louter cijfermatige overeenstemming tussen de door partijen gevraagde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding volstaat daartoe niet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Procedureakkoord - Zeker karakter van het procedureakkoord - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1017

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1018

, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1022

, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 8 Een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet zeker zijn en veronderstelt dat een partij ondubbelzinnig haar wil heeft geuit om af te wijken van het basisbedrag; het loutere feit dat een partij, zonder verdere precisering, een rechtsplegingsvergoeding vraagt die hoger is dan het volgens de rechter van toepassing zijnde basisbedrag, volstaat daartoe niet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Basisbedrag - Verzoek tot afwijking - Zeker karakter van het verzoek tot afwijking - Begrip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1017

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1018

, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1022

, eerste, tweede en derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 3 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 4 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de conclusie C.24.0087.N Conclusies van advocaat-generaal VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge gewezen op 18 oktober

  1. Door de eiseres worden er drie middelen aangevoerd. I. Situering. Aan de basis van het geschil ligt volgende feitelijke situatie zoals die blijkt uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan (nl. de syntheseberoepsconclusie van eiseres van 3 mei 2023 (in het bijzonder pagina 45-48), het beroepen vonnis van de vrederechter en het bestreden vonnis): Eiseres en derde verweerster sloten bij notariële akte van 21 oktober 1994 een huurovereenkomst af met betrekking tot een bedrijfs- en kantoorruimtencomplex. Volgens artikel 2, eerste lid van deze overeenkomst is volgende bestemming bepaalt: “Partijen verklaren uitdrukkelijk het hierboven omschreven goed conventioneel te willen brengen onder de handelshuurwetgeving”. Artikel 3 van deze overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst is toegestaan voor een termijn van 27 jaar die aanvang neemt op 1 oktober 1994 en eindigt op 1 oktober
  2. Artikel 4, eerste lid van deze overeenkomst bepaalt dat de huurder recht op hernieuwing van de huur heeft, hetzij bij het verstrijken van de huurovereenkomst, hetzij bij het verstrijken van de eerste of tweede hernieuwing, telkens voor de duur van negen jaar en beperkt tot drie huurhernieuwingen, en dat de verhuurder geacht wordt met de hernieuwing in te stemmen tenzij hij kennis geeft van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing of van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde. In artikel 8 wordt het de huurder toegelaten het gehuurde goed geheel of gedeeltelijke in onderhuur te geven en in artikel 10 wordt bepaald dat de door de huurder uitgevoerde verbeteringen en aanpassingen aan de verhuurder zullen toekomen. Op 2 april 2020 vraagt eiseres de hernieuwing van de huurovereenkomst. Op 26 juni 2020 weigert de derde verweerster de hernieuwing van de handelshuurovereenkomst. Met ingang van 1 oktober 2021 verhuurde derde verweerster het complex quasi volledig aan de voormalige zittende onderhuurders van de eiseres. Er wordt door eiseres een procedure ingeleid bij de vrederechter om eiseres te veroordelen tot een provisionele schadevergoeding van 75.000 euro wegens uitzetting en ondergeschikt de weigering van de huurhernieuwing van ‘onwaarde, ongedaan en ongeldig te horen verklaren’. In het vonnis van 9 juni 2022 verklaart de vrederechter de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond. Derde verweerster wordt veroordeeld om 75.000 euro provisie te betalen en de debatten worden heropend en de verwerende partij wordt gelast om een overzicht te geven van de huurinkomsten, de onroerende voorheffing en gebeurlijk andere kosten voor een bepaalde periode. De derde verweerster werd op 24 juni 2022 gedeeltelijk gesplitst in eerste en tweede verweerster. Eerste verweerster neemt onder meer het kwestieuze verhuurde goed over en herneemt de geschillen voortvloeiend uit de aan haar overgedragen activiteiten. Eerste verweerster hervat het geding op 9 september 2022 en tekent hoger beroep aan tegen het vonnis van de vrederechter. Op 26 oktober 2022 komen tweede en derde verweerster vrijwillig tussen in de beroepsprocedure. Bij conclusie van 12 december 2022 stelt eiseres incidenteel hoger beroep in en vordert ze in hoofdorde de weigering van de huurhernieuwing van onwaarde te verklaren en de huurcontracten over te dragen en ondergeschikt vordert ze de verweersters te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 75.000 euro ten titel van schadevergoeding wegens weigering van huurhernieuwing en uitzetting, minstens op grond van rechtsmisbruik of ongerechtvaardigde vermogensverschuiving. Op 18 oktober 2023 beslist de appelrechter het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de vrijwillige tussenkomsten ontvankelijk te verklaren, het incidenteel beroep wordt ontvankelijk doch ongegrond verklaard en de vorderingen van eiseres worden afgewezen als ongegrond en eiseres wordt veroordeeld in de kosten. II. Eerste middel. In het eerste middel verwijt eiseres de appelrechter artikel 149 Grondwet, de artikelen 2, 1134 en 1156 Oud Burgerlijk Wetboek (thans de artikelen 5.14, 5.69 en 5.64 Burgerlijk Wetboek), de artikelen 1, 13, 16.IV en 25, tweede lid, Handelshuurwet te hebben geschonden - door de bindende kracht van de huurovereenkomst te miskennen waarin de partijen de bedoeling hadden om de Handelshuurwet toepasselijk te maken, zoals de appelrechter zelf heeft vastgesteld, en dus ook artikel 16.IV Handelshuurwet in hun contractuele relatie toepasselijk te achten ook al viel hun overeenkomst wettelijk gezien niet onder het toepassingsgebied van deze bepaling (eerste onderdeel – schending artikel 1134 Oud Burgerlijk Wetboek en 16.IV Handelshuurwet en voor zoveel als nodig de artikelen 2 en 1156 Oud Burgerlijk Wetboek en 1, 13 en 25 Handelshuurwet); - door niet te antwoorden op het door haar aangevoerde middel in haar conclusie dat haar werkelijke schade ten gevolge van de huurhernieuwing veel hoger lag dan de wettelijk bepaalde forfaitaire uitzettingsvergoeding van drie jaar huur (pagina 50-51 van de syntheseconclusie) (tweede onderdeel – eerste grief - schending van artikel 149 Grondwet) en door in de ten overvloede gegeven overwegingen onder randnummer 9 van titel 2.3 van het bestreden vonnis, zonder onderzoek van de door eiseres ingeroepen werkelijk geleden schade, louter op grond van een aftrek overeenkomstig artikel 25, tweede lid, Handelshuurwet, tot het besluit te komen dat eiseres geen uitzettingsvergoeding zou toekomen (tweede onderdeel, tweede grief - schending van artikel 16.IV en 25, tweede lid, Handelshuurwet). II.
  3. Beantwoording van het eerste onderdeel. Het is uw vaste rechtspraak dat de rechter de verbindende kracht van een overeenkomst niet miskent, wanneer hij daaraan het gevolg toekent dat zij, in de uitlegging die hij eraan geeft, wettig tussen de partijen heeft

(1). De rechter moet dus nagaan wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen bij het opstellen van de overeenkomst was (veeleer dan zich aan de letterlijke zin van de woorden te houden) (artikel 1156 Oud Burgerlijk Wetboek). Het bestaan en de draagwijdte aan deze bedoeling wordt op soevereine wijze door de feitenrechter beoordeeld, voor zover hij de bewoordingen van de overeenkomst niet miskent
(2)(in casu voert eiseres zelfs geen schending aan van de bewijskracht van de overeenkomst). Het Hof kan daarbij echter wel nagaan of de rechter zijn beslissing daaromtrent kon afleiden uit de door hem gedane vaststellingen. In casu is er discussie over de vraag of de eiseres op basis van de huurovereenkomst van 21 oktober 1994 recht heeft op een uitzettingsvergoeding bedoeld in artikel 16.IV Handelshuurwet. Artikel 16.IV Handelshuurwet luidt als volgt: “Buiten de hierboven bedoelde gevallen kan de verhuurder de hernieuwing weigeren mits hij aan de huurder een vergoeding wegens uitzetting uitkeert, gelijk aan drie jaar huur, eventueel verhoogd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden”. Artikel 1 Handelshuurwet bepaalt dat handelshuur betrekking heeft op de huur van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingenottreding van de huurder, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen in de loop van de huur, door de huurder of door een onderhuurder in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek. Uit de rechtspraak van het Hof volgt: 1. De Handelshuurwet strekt tot bescherming van de handelszaak. De uitzettingsvergoeding, zoals zij door die wet is bepaald, strekt ertoe de huurder te vergoeden voor het verlies van de handelszaak, dat het gevolg is van de uitzetting
(3); 2. Opdat de huurder aanspraak kan maken op deze vergoeding is vereist dat door de weigering tot huurhernieuwing de handelszaak, waarvan hij eigenaar is en die hij in het huurpand exploiteert, verloren gaat
(4); 3. Uit het doel van de Handelshuurwet, dit is alleen de bescherming van de handelszaak van de kleinhandelaars en ambachtslieden die rechtstreeks in contact staan met het publiek, volgt dat wanneer de hoofdhuurder het gehuurde goed in onderhuur heeft gegeven en de onderhuurder alleen rechten heeft op de handelszaak, de hoofdhuurder geen eigen recht op een vergoeding kan doen gelden; in dit geval en in zoverre door de weigering van huurhernieuwing door de verhuurder de handelszaak van de onderhuurder verloren gaat, heeft alleen deze laatste, door verplichte bemiddeling van de hoofdhuurder, recht op die vergoeding
(5). Met de vaststellingen en het oordeel onder titels 2.1, 2.2 en onder randnummer 6, 8 en 9 van titel 2.3 van het bestreden vonnis, kent de appelrechter aan de huurovereenkomst de gevolgen toe die zij, volgens zijn uitleg ervan, die ten andere ook verenigbaar is met de bewoordingen ervan, wettig tussen de partijen heeft, en miskent hij de verbindende kracht van de overeenkomst niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. II.2. Beantwoording van het tweede onderdeel. (…) III. Tweede middel. (…) IV. Derde middel. In het derde middel verwijt eiseres de appelrechter de artikelen 774, 1017, 1018, 1022 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2 en 3 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging te hebben geschonden door te beslissen dat de vordering van de eiseres een niet in geld waardeerbare vordering is en het door de verweersters gevorderde bedrag in eerste aanleg daarom ambtshalve te herleiden tot het basisbedrag en in hoger beroep ambtshalve het basisbedrag te verhogen wegens de complexiteit van de zaak zonder dat er hieromtrent een procedureakkoord tussen de partijen of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag voorlag. Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt het volgende: “Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijkgestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie”. Het is de vaste rechtspraak van het Hof dat, behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dient te bepalen
(6). Uit de rechtspraak van het Hof in verband met procedureakkoorden blijkt dat partijen door een uitdrukkelijk procedureakkoord de rechter kunnen binden over een punt in rechte of in feite waartoe zij het debat willen beperken
(7). Een dergelijk procedureakkoord moet bovendien zeker zijn
(8). De loutere vaststelling dat alle partijen hetzelfde bedrag vragen voor de rechtsplegingsvergoeding volstaat daarbij niet
(9). Net zoals voor het procedureakkoord geldt volgens mij dat ook een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding zeker moet zijn en houdt in dat een partij ondubbelzinnig haar wil heeft geuit om af te wijken van het basisbedrag. Wanneer een partij een rechtsplegingsvergoeding vraagt die overeenstemt met het basisbedrag van de in concreto in geld waardeerbare vordering gaat, terwijl het in werkelijkheid gaat om een niet in geld waardeerbare vordering, kan dit niet om die loutere reden worden beschouwd als een verzoek tot afwijking van het basisbedrag. Dit laatste is nu precies wat in deze zaak is gebeurd. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt: Eiseres vroeg in haar syntheseberoepsconclusie dat eerste verweerster zou worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen, begroot op 4.500 euro. Dit is het bedrag dat overeenstemt met het basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering met een waarde tussen 60.000,01 en 100.0000 euro vanaf 1 november 2022. Eerste verweerster vroeg in haar appelconclusie dat eiseres worden veroordeeld in de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 4.500 euro. De appelrechter beslist met de redenen onder titel 3.1.2 en 3.2.2 van het bestreden vonnis dat: - de eiseres de in het ongelijk gestelde partij is en - haar hoofdvordering een niet in geld waardeerbare vordering betreft en - dat het basisbedrag bijgevolg 1.800 euro bedraagt en dat er geen redenen zijn op grond waarvan voor de procedure bij de vrederechter een hoger bedrag dan de rechtsplegingsvergoeding zou moeten worden toegekend; - wat betreft de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep er in hoger beroep sprake is van een complexe zaak en daarom de door verweersters gevraagde rechtsplegingsvergoeding van 4.500 euro wordt toegekend. Deze beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord omdat de appelrechter ambtshalve een rechtsplegingsvergoeding toekent die hoger is dan het basisbedrag wegens de complexiteit van de zaak, zonder dat hierover een procedureakkoord was of een uitdrukkelijk verzoek van de ingelijkgestelde partij. Conclusie: Cassatie van het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. _______________________________________________________________________
(1)Cass. 25 oktober 2021, AR C.20.0422.F, AC 2021, nr. 673 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211025.3F.2; Cass. 4 januari 2019, AR C.18.0045.N, AC 2019, nr. 9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGHEM; Cass. 22 april 2010, AR C.09.0253.N, AC. 2010, nr. 272 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.15; Cass. 23 oktober 2009, AR C.08.0010.F, AC 2009, nr. 611 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091023.8; Cass. 29 mei 2008, AR C.07.0321.N, AC 2008, nr. 332 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.3.
(2)VAN INGELGEM A., concl. bij Cass. 4 januari 2019, AR C.18.0045.N, AC 2019, nr. 9 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.1.
(3)Cass. 18 november 2019, AR C.19.0123.F, AC 2019, nr. 602 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.4, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT, ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191118.3 op datum in Pas.; Cass. 14 maart 2013, AR C.12.0243.F, AC 2013, nr. 182, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130314.4; Cass. 6 mei 2010, AR C.08.0588.N, AC 2010, nr. 317, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100506.5; Cass. 12 november 1982, AR 3474, AC 1982, nr. 160 ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19821112.4.
(4)Cass. 6 mei 2010, AR C.08.0588.N, AC 2010, nr. 317, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100506.5.
(5)Cass. 29 november 2001, AR C.98.0064.N, AC 2001, nr. 654, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011129.5, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE.
(6)Cass. 18 januari 2024, AR C.23.0157.N, AC 2024, nr. 50, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1, met concl. van advocaat-generaal met opdracht. DECONYNCK, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1; Cass. 23 juni 2023, AR C.22.0384.N, AC 2023, nr. 476, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK; Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N, AC 2023, nr. 168, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023, nr. 41, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT, op datum in Pas.; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, AC 2023, nr. 38 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4.
(7)Cass. 23 januari 2014, AR C.12.0467.N, AC 2014, nr. 58, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140123.4; Cass. 28 september 2012, AC C.12.0049.N, AC 2012 nr. 500, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120928.8; Cass. 9 mei 2008, AR C.06.0641.F, AC 2008, nr. 283, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5, JT 2008, 721 met noot J. VAN DROOGHENBROECK; RW 2008-09, 1765, met noot S. MOSSELMANS.
(8)Zie Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N, AC 2023, nr. 168, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8; Cass. 8 september 2022, AR C.21.0537.F, AC 2022, nr. 518, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220908.1F.7, met concl. van advocaat-generaal INGHELS, op datum in Pas. ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220908.1F.7.
(9)VAN DROOGHENBROECK J.-F., “Indemnité de procédure et principe dispositif” (noot onder 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, AC 2023, nr. 41 en Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, AC 2023, nr. 38, JT 2023,
(175)176, nr. 8. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250530.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1982:ARR.19821112.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011129.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080509.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080529.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091023.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100506.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130314.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140123.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190104.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.4 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190104.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191118.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211025.3F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220908.1F.7 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220908.1F.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.