id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 juni 2025 ECL
Art. 329
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Programmawet (I)
Art. 330
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Programmawet (I)
Art. 339
- 31 ELI link Pub nr 2002021488 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 21, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 38, § 3bis, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Tekst van de conclusie S.21.0078.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Brussel, gewezen op 20 mei
- Door eiseres worden er twee middelen aangevoerd.
- Het eerste middel. A. Probleemstelling. De discussie in het eerste middel betreft de toepassing van de zinsnede “geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid” in het kader van de bijdrageverminderingen waarvan sprake is in de artikelen 329, 330 en 339 van de Programmawet (I) van 24 december
- In het bijzonder betreft het de vraag inzake de invulling van “4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen en beroepsziekten” van het voormelde artikel 21, §
- Het standpunt van de appelrechters was dat de voormelde zinsnede verwees naar de verschillende takken die van toepassing zijn in het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Zij oordeelden dat de werknemers van eiseres hier niet aan voldeden daar zij betreffende de arbeidsongevallen en beroepsziekten onderworpen zijn aan de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; terwijl de arbeidsongevallenwet waarvan sprake in artikel 21, § 1 de wet van 10 juli 1971 is en de beroepsziekten de wet van 3 juli 1970 betreft
(1). Het standpunt van eiseres is dat onder het 4° van artikel 21, § 1 zowel de arbeidsongevallenwet van 1971 als de wet van 1967 worden gevat, in zoverre de wet van 3 juli 1967 van toepassing is op contractueel tewerkgesteld overheidspersoneel. Het contractueel personeel van eiseres zou derhalve vallen onder het geheel van de regelingen voor de sociale zekerheid van werknemers zoals bedoeld in artikel 21, § 1 Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid. B. Beoordeling. Ik deel de visie van de appelrechters. Het standpunt van eiseres gaat van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt dan ook naar recht. Ter zake kan ik verwijzen naar de parlementaire werkzaamheden. Vooreerst zijn er de voorbereidende werken van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. In de memorie van toelichting van het wetsontwerp wordt duidelijk aangegeven dat de scope van de wet zich beperkt tot de sociale zekerheid van de werknemers. Daarbij wordt, na het aspect van de solidariteit tussen de diverse groepen van de bevolking onder de aandacht te hebben gebracht, expressis verbis, aangegeven dat het waarborgen van de bestaanszekerheid op een verschillende wijze dient geconcretiseerd te worden rekening houdende met hun specifieke situatie en behoeften. Hierna wordt een opsomming gegeven van de diverse specifieke stelsels waarbij naast de sociale zekerheid voor de werknemers onder andere deze van de “sociale zekerheid in de overheidssector” wordt aangehaald
(2). Men onderscheidt dus de sector werknemers “sensu stricto” ten aanzien van de overige stelsels. Zodoende weerhoudt men een duidelijke scheiding tussen werknemers in de privésector en werknemers uit de publieke sector. Bij deze laatste zijn noodzakelijkerwijs, tevens de contractuele ambtenaren begrepen in zoverre deze onder één van de takken van de sociale zekerheid overheidssector zouden vallen zoals de arbeidsongevallenwet overheidssector. De regelgeving inzake arbeidsongevallen komt bovendien in de memorie van toelichting uitdrukkelijk aan bod wanneer het gaat over het, in huidig geschil ter debatten staande, artikel 21
(3). Bij het overlopen van de evolutie van de diverse takken van de sociale zekerheid komt uitdrukkelijk de wet 1971 aan bod
(4). De wet van 1967 wordt niet vermeld. Tevens is relevant wat te lezen is in de voorbereidende werken van de Programmawet I van 24 december 2002. Inzonderheid betreft dit het artikel 216 van deze wet waardoor in artikel 21, § 1 van de wet van 1981 de woorden “hierna volgende regelingen” vervangen worden door “de hierna volgende takken”. Na de aanpassing luidt § 1: “De sociale zekerheid der werknemers omvat de hierna volgende takken:”, waarna de opsomming van de diverse takken volgt. De oorsprong van deze wijziging betreft een regeringsamendement
(5). De verantwoording van dit amendement luidde: “Dit artikel vervangt de term “regelingen” door de term “takken” in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze bepaling heeft immers betrekking op de verschillende takken van de algemene regeling van de werknemers, terwijl de term “regelingen” die thans in deze bepaling voorkomt verkeerdelijk laat vermoeden dat deze bepaling geldt voor alle regelingen van de sociale zekerheid”. Deze wijziging van artikel 21, § 1 onderlijnt duidelijk dat deze bepaling enkel de sociale zekerheidsstelsels van de werknemers betreft met uitsluiting van, onder anderen, deze van de overheidssector. Tot slot, kan ook nog verwezen worden naar de wet van 25 december 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken. Inzonderheid betreft dit het artikel 20 van deze wet waarbij uitdrukkelijk, voor wat betreft hun contractuele werknemers, enkele publiekrechtelijke rechtspersonen worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 1967. Ook hier zijn de voorbereidende werken verhelderend inzake de hoger beschreven problematiek. Het motief van deze uitsluiting is gegrond in het gegeven dat door de onderwerping aan de wet van 1967 de contractuele werknemers van deze publiekrechtelijke rechtspersonen “niet onderworpen zijn aan alle takken van de sociale zekerheid. Teneinde de bestaande praktijk te bevestigen en deze naamloze vennootschappen van publiek recht verder te laten genieten van de structurele lastenvermindering (bijdragevermindering RSZ) en de verlaging van de werkgeversbijdragen, is het noodzakelijk dat de contractuelen uitdrukkelijk worden uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 1967”
(6). Dienvolgens, opdat er sprake kan zijn van de bijdrageverminderingen is er dus vereist dat de werknemers onderworpen zijn aan het geheel van de sociale zekerheidsstelsels voor werknemers. Derhalve zijn hiervan uitgesloten de meeste contractuele personeelsleden van de openbare sector
(7). Het standpunt van de appelrechters dat met het “geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid” uitsluitend de diverse takken van sociale zekerheid voor werknemers wordt bedoeld, waartoe de wet van 1967 niet behoort, dient dan ook te worden onderschreven. 3. Het tweede middel. (...) Conclusie: verwerping. _______________________________________________________
(1)Bestreden beslissing p. 31 en 32.
(2)Parl. St. Senaat, Memorie van toelichting, zittijd 1979-1980, 508/1, p. 4 en bestreden arrest p. 24 en 25.
(3)Dit was artikel 18 van het wetsontwerp.
(4)Parl. St. Senaat, Memorie van toelichting, zittijd 1979-1980, 508/1, p. 20.
(5)Amendementen, Parl. St., Kamer, 2002-2003, nr. 50-2124/008, p. 9 en 10.
(6)Parl. St. Kamer, Memorie van toelichting, zittijd 2016-2017, 2210/001, p. 7.
(7)L. VAN ASSCHE, “Bijdrageverminderingen”, in Praktijkboek Sociale Zekerheid voor de onderneming en de sociaal adviseur, Mechelen, Kluwer 2024, p. 167. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div