id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.4 Rolnummer: S.22.0021.N Zaak: ALLIANZ BENELUX nv contra S. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-07-15 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-18 14:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.4 Fiche De forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2° van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, is slechts van toepassing in geval van vorderingen tegen de werkgever; in alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1° van toepassing
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 11 mei 2020, AR S.18.0094.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Discriminatiewet - Discriminatie op grond van geslacht - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Werkgever - Derde - Morele en materiële forfaitaire schadevergoeding - Omvang - Bepaling Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 23, §§ 1 en 2 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 25, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de conclusie S.22.0021.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het arbeidshof te Brussel gewezen op 6 september
- Door eiseres worden er drie middelen aangevoerd.
- Wat betreft het eerste middel. (…)
- Wat betreft het tweede middel. (…)
- Wat betreft het derde middel. Het middel is gegrond. De problematiek die aan de orde is in onderhavig middel betreft deze van de toepassing van artikel 23, § 2 van de Genderwet, zoals in deze van toepassing
(1). Deze paragraaf betreft de bepaling van de forfaitaire schadevergoeding voor het slachtoffer van de discriminatie. Bij de beoordeling van de geformuleerde grieven kan ik verwijzen naar de rechtspraak van uw Hof. In zonderheid betreft dit Uw arrest van 11 mei 2020
(2). Uw Hof oordeelde toen dat de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2°, slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever
(3). In alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1°, Genderwet van toepassing. Ik onderschrijf de visie van Uw Hof, dat zijn grondslag vindt in zowel de logische opbouw en de, in deze opbouw, gehanteerde terminologie in de handhavingsbepalingen van de Genderwet, alsook hetgeen aan te treffen is in de voorbereidende werken van deze wet. Inderdaad, de regelgever heeft, bij het uitbouwen van de handhavingsregels, zowel de discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, wat geregeld wordt in artikel 22 van voormelde wet, als deze hierbuiten, hetgeen aan bod komt in artikel 21 van dezelfde wet, voor ogen gehad
(4). Het onderscheid, dat in aanmerking genomen werd bij de opbouw van de artikelen 21 en 22 zijnde buiten/binnen het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, wordt door de wetgever tevens gehanteerd voor het onderscheid in de pecuniaire sancties
(5). Dat de handhaving van artikel 23, § 2, 2° enkel de werkgever betreft, blijkt uit de niet-pecuniaire handhavingsregels, zoals ze bijvoorbeeld aan te treffen zijn in artikel 22, § 5, wanneer het, in het kader van de door de werkgever genomen nadelige maatregelen, gaat om de re-integratie. Het weder in dienst nemen kan slechts gedaan worden door de werkgever. Het artikel 23 bouwt verder op hetgeen aan te treffen is in de artikelen 21 en
- Er is geen reden voorhanden waarom het artikel 23, § 2, 2° een andere, ruimere, invulling zou kennen dan wanneer het gaat om de toepassing van artikel
- In een andere interpretatie zou het geheel onlogisch en incoherent zijn. Eén en ander vindt tevens steun in de voorbereidende werken. Uit de voorbereidende werken blijkt tevens dat de forfaitaire schadevergoeding, artikel 23, § 2, 2°, waar als basis de brutobeloning wordt gehanteerd, geïnspireerd is op het arbeidsrecht. In het bijzonder blijkt dat men zich voor dit aspect gespiegeld heeft aan de nationale ontslagbeschermingen
(6). Ontslagbeschermingen betreffen per definitie enkel de werkgever. Uit het voorgaande moge dan ook blijken dat het standpunt van de appelrechters niet kan worden weerhouden. Met hun oordeel dat verweerster lastens eiseres gerechtigd is op de forfaitaire schadevergoeding van artikel 23, § 2, 2° Genderwet, terwijl eiseres in deze niet de hoedanigheid van werkgever heeft, schenden de appelrechters de in de voorziening aangehaalde bepalingen. Verweerders verzoeken Uw Hof om, betreffende de interpretatie die uw Hof geeft aan artikel 23, § 2, 2°, twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In het kader hiervan zou ik het arrest nr. 70/2018 van 7 juni 2018 van het Grondwettelijk Hof onder de aandacht willen brengen. Inzake artikel 18, § 2, 1° en 2° van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie oordeelde het Grondwettelijk Hof dat deze de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden doordat werkgevers die zich schuldig maken aan discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, kunnen worden veroordeeld tot het betalen van een hogere schadevergoeding dan andere rechtzoekenden die zich aan discriminatie schuldig maken. Voor huidig geschil is relevant dat het Grondwettelijk Hof in het desbetreffende arrest betreffende de schadevergoeding, zoals geregeld in het voormelde artikel 18, § 2, 1° en 2°, herhaalde malen vaststelt dat een identieke schadevergoedingsregeling is bepaald in artikel 23 van de Genderwet
(7). Het artikel 23 van de Genderwet, zoals door Uw Hof uitgelegd schendt dan ook klaarblijkelijk niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ingevolge artikel 26, § 4, tweede lid, 2° van de Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof dient er dan ook geen vraag te worden gesteld. Door verweerders wordt tevens voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Er is evenwel geen reden om de prejudiciële vraag te stellen. Er dient te worden vastgesteld dat de voorgestelde vraag er niet toe strekt om een uitlegging te vragen van de artikelen 18 en 25 van de Richtlijn 2006/54 maar of dat de artikel 23 Genderwet een richtlijnconforme omzetting is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie kan desbetreffend niet bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak doen in toepassing van artikel 267 WVEU. Conclusie: cassatie. _______________________________
(1)Voor de wijziging bij artikel 46 van de wet van 28 juni 2023 houdende wijziging van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen.
(2)Cass 11 mei 2020, AR S.18.0094.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2, AC 2020, nr. 280, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 met concl OM.
(3)Betreffende de invulling van het begrip “werkgever” wil ik ook verwijzen naar Uw arrest van 24 maart 2025 in AR S.22.0009.N, AC 2025, nr. 223 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.5 betreffende artikel 18, § 2, 2°, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. In het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in het kader van de Richtlijn 2000/78, wordt onder dit begrip ook gevat “een zelfstandige beroepsactiviteit met het oog op het verwerven van bestaansmiddelen en dat gekenmerkt wordt door een zekere stabiliteit in de rechtsbetrekking tussen de contractspartijen”. Het is ruimer dan de traditionele invulling van het begrip werkgever maar kenmerkt zich door het gegeven dat er tussen de contractspartijen sprake is van de uitoefening van een beroepsactiviteit die een zekere stabiliteit vereist. Een verzekeringsmaatschappij, als derde, wordt hier dus niet onder begrepen.
(4)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 25-26; zie ook Verslag, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2720/009, 20.
(5)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 28.
(6)Wetsontwerp ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2721/001, 58-59; zie ook Verslag, Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2720/009, 58.
(7)Overwegingen B.5.1 en B.9.4 arrest nr. 70/2018. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200511.3N.2 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200511.3N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250324.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div