← België

FEDERALE PENSIOENDIENST contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.5 Rolnummer: S.20.0045.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-18 04:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.5 Fiche Uit artikel 74, § 11, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen volgt dat de gepensioneerde werknemer die van tafel en bed gescheiden is of van zijn echtgenoot feitelijk gescheiden leeft, in plaats van de helft van het pensioen als gehuwde, het pensioen als alleenstaande verkrijgt, zolang zijn echtgenoot geen aanspraak kan maken op een deel van zijn rustpensioen; die bepaling strekt niet ertoe aan de gepensioneerde werknemer het recht op pensioen als gehuwde dat hij aan een tweede huwelijk ontleent, te ontzeggen ingeval het huwelijk met zijn eerste echtgenoot niet is ontbonden, welke situatie zich naar Belgisch personen- en familierecht niet kan voordoen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: Polygamie - Feitelijke scheiding - Pensioenbedrag Wettelijke bepalingen: KB 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers - 21-12-1967 - Art. 74, § 11 - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Tekst van de conclusie S.20.0045.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 23 april
  2. Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
  3. Het middel. A. Probleemstelling. De problematiek in huidig geschil betreft de toepassing van artikel 74, § 11 Algemeen Reglement Werknemerspensioenen. Inzonderheid betreft het de vraag op welk pensioenbedrag verweerder gerechtigd is zo hij, in het kader van een polygaam huwelijk nog steeds gehuwd is met een echtgenote waarvan hij feitelijk gescheiden leeft, doch samenwoont met een andere echtgenote. In het huidige geschil was er sprake van een verstoting van de eerste echtgenote doch eiser in cassatie voerde voor de feitenrechters aan dat de verstoting, in casu, strijdig was met de Belgische internationale openbare orde zodat er aan het volgende huwelijk, op gebied van het rustpensioen, geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden
(1). Eiser weerhoudt dat er in dat geval toepassing dient gemaakt te worden van artikel 74, § 11 waardoor verweerder slechts gerechtigd is op een uitkering gelijk aan het bedrag van een pensioen als alleenstaande. De appelrechters deelden deze visie niet en oordeelden dat het gegeven of er al dan niet een erkenning is van de verstoting van de eerste echtgenote, en verweerder dus nog met deze gehuwd is, niet relevant is voor de beoordeling van het geschil daar het verzoek van verweerder betrekking heeft op de toekenning van pensioenrechten in het kader van zijn huwelijk met de echtgenote met wie hij samenwoont. Zij vernietigen de administratieve beslissing en oordelen dat verweerder gerechtigd is op een gezinspensioen
(2). Eiser voert in de voorziening aan dat de appelrechters artikel 3, § 1 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, alsook het voormelde artikel 74, § 11 schenden. B. Beoordeling. Het standpunt van eiser gaat van een verkeerde rechtsopvatting uit en faalt dan ook naar recht. De regelgeving betreffende de vaststelling van de pensioenrechten is van openbare orde en derhalve van strikte interpretatie. Eén en ander houdt in dat een in een materie van openbare orde ontworpen rechtsregel zich enkel richt tot dat wat aan de grondslag ligt van zijn totstandkoming. Voor hetgeen hier vreemd aan is kan de norm niet worden toegepast. De regel kan dan ook niet extensief of naar analogie worden toegepast. Betreffende het artikel 74, § 11 moet er worden vastgesteld dat deze bepaling, inhoudelijk, nooit een andere formulering heeft gekend. De tekst zoals ze thans aan te treffen is in het KB is deze zoals ze gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 16 januari
  1. Het is voor de hand liggend dat de toenmalige regelgever, bij het opstellen van deze bepaling, op geen enkel ogenblik de situatie voor ogen had die zich thans stelt. Het dateert immers van voor het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende de sociale zekerheid dat in werking getreden is op 1 augustus
  2. Bovendien moet er worden vastgesteld dat zelfs dit verdrag, wat betreft het gegeven polygamie, zeer summier is. Er kan desbetreffend enkel iets gelezen worden in artikel 24, §
  3. Hierin wordt gesteld, zonder dat er expliciet verwezen wordt naar polygamie, dat het weduwenpensioen eventueel, gelijkelijk en definitief, wordt verdeeld onder de gerechtigden, in de voorwaarden die zijn bepaald in het persoonlijk statuut van de verzekerde.
(3)Dus het pensioen wordt in dat geval gelijkelijk verdeeld over de verscheidene weduwen. Voor het overige wordt, zoals gesteld, het aspect polygamie en dus ook het aspect feitelijk gescheiden niet geregeld in het verdrag
(4). Het is duidelijk dat noch artikel 74, § 11 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, noch de bepalingen van het verdrag enig soelaas bieden voor de problematiek van de feitelijke scheiding. Immers geen enkel van deze bepalingen vatten de feitelijke gegevens die blijken uit de niet betwiste vaststellingen van de appelrechters, zijnde het gegeven van twee echtgenotes waarvan één gescheiden leeft van de echtgenoot, en zijn hier dus vreemd aan. Het standpunt van eiser kan dan ook niet onderschreven worden. Bijkomend en volledigheidshalve wens ik nog de volgende bedenkingen te maken. Uit Uw rechtspraak blijkt dat de Belgische internationale openbare orde, in de regel, in België niet de erkenning belet van de uitwerking van een polygaam huwelijk indien één en ander volgt uit de nationale wet van de betrokkenen
(5). Ik wil er op wijzen dat de gebeurlijke toepassing van artikel 74, § 11 tot gevolg heeft dat het huwelijk van de echtgenote met wie de pensioengerechtigde samenwoont op die wijze, wat de pensioenrechten betreft, niet als dusdanig erkend zou worden. Het artikel 74, § 11 regelt als het ware een wachtsituatie tot de feitelijk gescheiden levende echtgenote recht heeft op haar gedeelte van het pensioen. Nu wat dat laatste betreft, dit wordt enkel geregeld door artikel 74, § 3 Algemeen Reglement Werknemerspensioenen. Ingevolge deze bepaling heeft de feitelijk gescheiden levende echtgenote, indien aan de hierin bepaalde voorwaarden is voldaan, recht op de helft van het gezinspensioen. Het samenwonend echtpaar zou dienvolgens ook de helft krijgen. Daar waar dit een logische toepassing is in het kader van een feitelijke scheiding bij een monogaam huwelijk is dit niet zo wanneer het gaat om een polygame situatie. Het tweede huwelijk wordt op deze wijze genegeerd. Men kan enkel vaststellen dat er een leemte is in de regelgeving. Geen enkele wettelijke bepaling regelt, in een materie die de openbare orde betreft, de feitelijke situatie, zoals ze door de appelrechters werd vastgesteld. Conclusie: verwerping. ___________________________________________________________
(1)Bestreden beslissing p. 5.
(2)Bestreden beslissing p. 5 en 6.
(3)Y. STEVENS en E. VAN GENECHTEN, Faculteit Rechtsgeleerdheid – K.U. Leuven - Leergang Pensioenrecht – Nieuwsbrief - Nr. 1 - academiejaar 2011 – 2012, p. 4 en Nieuwsbrief - Nr. 3 - academiejaar 2010 – 2011, p. 6.
(4)Y. STEVENS, Deel XI Pensioenen, in Praktijkboek Sociale Zekerheid voor de onderneming en de sociaal adviseur, Mechelen, Kluwer 2024, p. 647 en C. HENRICOT, “L’impact de la polygamie et de la répudiation sur les droits sociaux aperçu de la jurisprudence des juridictions du travail”, Soc. Kron., 2012, p. 66.
(5)Cass. 15 december 2014, AR S.14.0030.F, AC 2014, nr. 794 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.6 met concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas. en Cass 18 maart 2013, AR S.11.0068.F, AC 2013, nr. 194 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.7 met concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas.. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250602.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250602.3N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.