← België

SE CHUBB EUROPEAN GROUP contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 juni 2025 ECL

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Stuiting - Daad van onderzoek of van vervolging - Brief van de onderzoeksrechter over de stand van het onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Stuiting - Daad van onderzoek of van vervolging - Brief van de onderzoeksrechter over de stand van het onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 22

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 7 De schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering geldt in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang en het is de vonnisrechter die definitief beslist over het bestaan van die samenhang waarbij het geen belang heeft of de feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten; die regel is evenwel niet absoluut en de vonnisrechter kan oordelen dat, in de omstandigheden die hij vaststelt, de strafvordering ondanks de cassatieprocedure toch verder is kunnen worden uitgeoefend, hetgeen onder meer het geval kan zijn wanneer misdrijven het voorwerp uitmaken van verschillende gerechtelijke onderzoeken, de cassatieprocedure slechts betrekking heeft op een van die onderzoeken, de strafvordering inmiddels verder kan worden uitgeoefend in de andere onderzoeken en alle uit de verschillende onderzoeken voortvloeiende zaken pas bij een latere beslissing worden samengevoegd

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd door art. 36 van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024 (BS 18 april 2024) vervangen en luidt thans: “De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling van de strafvordering verhindert." Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 24

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 24

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: SAMENHANG Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 24

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei Vrije woorden: Verjaring van de strafvordering - Schorsing - Samen behandelde of berechte misdrijven - Beoordeling door de rechter - Meerdere gerechtelijke onderzoeken - Schorsingsgrond die voortvloeit uit een cassatieprocedure - Cassatieprocedure die slechts betrekking heeft op één gerechtelijk onderzoek - Werking van de schorsingsgrond - Grens Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 24

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 8 - 10 Uit de bepalingen van artikelen 130, 131, § 1, 135, § 2 en § 3, 235bis, § 1, § 2 en § 5 en 235 Wetboek van Strafvordering, in hun onderling verband gelezen, volgt dat, hoewel de kamer van inbeschuldigingstelling zich op het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking in beginsel niet uitspreekt over de door de raadkamer aangenomen bezwaren, haar beslissingen over de gegrondheid van dat hoger beroep en over de eventuele ambtshalve toepassing van de haar door de artikelen 235 en 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering toebedeelde bevoegdheden niettemin een impact kunnen hebben op het lot van de strafvordering en op het bestaan van de door de raadkamer aangenomen bezwaren, zodat de vonnisrechter zijn rechtsmacht ingevolge de aanhangigmaking van de zaak slechts kan uitoefenen na kennis te hebben genomen van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling; hieruit volgt dat, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt over het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen de beslissing van de raadkamer die hem naar de vonnisrechter verwijst, de strafvordering in de zin van artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering slechts bij de vonnisrechter aanhangig wordt gemaakt door het arrest van die kamer, in zoverre zij het hoger beroep van de inverdenkinggestelde ontvankelijk verklaart

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zoals vervangen door art. 35 van de Wet Strafprocesrechter I van 9 april 2024 (BS 18 april 2024). Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring - Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Aanhangigmaking van de strafvordering bij de vonnisrechter - Tijdstip van aanhangigmaking - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer tot verwijzing - Hoger beroep door inverdenkinggestelde - Ontvankelijk hoger beroep - Arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling - Invloed Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.

8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 131, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 135, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 235bis, §§ 1, 2 en 5 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de conclusie P.24.1485.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: II. Onderzoek van de middelen. II.

  1. Eerste middel van eiseres I. (…) II.
  2. Tweede middel van eiseres I.
  3. Eiseres I voert de schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en van de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april
  4. Eiseres I stelt dat het bestreden arrest ten onrechte geen rekening houdt met de volgende nuttige stuitingsdaad gesteld binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn: een brief van de onderzoeksrechter gedagtekend op 18 november 2014 en gericht aan de raadsman van eiseres I, in het kader van het (gevoegde) dossier HV70.99.306 /
  5. Deze brief is volgens eiseres I een daad van onderzoek die de verjaring van de strafvordering stuit nu deze verbonden is met het in staat stellen van een zaak. Uitgaande van deze stuitingsdatum zou de verjaring van de strafvordering zich situeren op 18 maart 2021, dit is na het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021 waarbij volgens het arrest de strafvordering bij de vonnisrechter aanhangig is gemaakt.
  6. Het Hof is bevoegd om na te gaan of er onder de regelmatig overgelegde procedurestukken stukken voorkomen waaruit blijkt dat de verjaring van de strafvordering regelmatig is gestuit of geschorst

(1). Evenwel laat het onderzoek naar de verjaring van de strafvordering en stuiting of schorsing ervan, mijns inziens het Hof niet toe kennis te nemen van stukken die door een partij aan het Hof zijn overgelegd tijdens de cassatieprocedure, maar die zich niet bevinden onder de regelmatig overgelegde procedurestukken en waarvan niet blijkt dat de appelrechters ermee rekening hebben kunnen houden. Behoudens vergissing van mijnentwege bevindt het stuk waarnaar eiseres I verwijst en hetgeen zij voegt bij haar memorie, niet onder de stukken waarvan het Hof kennis vermag nemen. Het middel gesteund op dergelijk stuk, lijkt mij niet ontvankelijk. 11. Mocht ik mij vergissen, lijkt het middel niet te kunnen worden aangenomen. Overeenkomstig artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht vóór de inwerkingtreding van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, wordt de verjaring van de strafvordering gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de eerste verjaringstermijn. Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken bewijzen te verzamelen of het dossier in staat van wijzen te brengen
(2). De rechtspraak bevat veel voorbeelden van akten die de verjaring al dan niet stuiten
(3). Het stuk in kwestie betreft een brief van de onderzoeksrechter gedagtekend op 18 november 2014 gericht aan de raadsman van eiseres I, in antwoord op een vraag omtrent de stand van zaken. De onderzoeksrechter meldt de goede ontvangst van het schrijven van de raadsman van eiseres I en herinnert hem eraan dat reeds bij een vorige brief werd meegedeeld dat de zaak voor eventuele nuttige vorderingen aan het ambt van de procureur des Konings werd overgemaakt. De onderzoeksrechter deelt mee dat hij tot dus ver geen enkele reactie van het parket registreerde. Dergelijke brief lijkt mij niet te beschouwen is als een daad van onderzoek die de verjaring van de strafvordering stuit. II.3 Derde middel van eiseres I.
  1. Eiseres I voert de schending aan van artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 21, 22 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van kracht voor de wijzing bij Wet Strafprocesrechter I van 9 april
  2. Het middel verwijt dat het bestreden arrest ten onrechte oordeelt dat de verjaring niet is geschorst gedurende de behandeling van het cassatieberoep tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2011, waarbij de hogere beroepen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 18 juni 2010 in de zaak HV 70.97.1052/2005 werden afgewezen, tot aan de uitspraak van het cassatiearrest van 8 mei
  3. Volgens eiseres I is gedurende de cassatieprocedure de verjaring geschorst, gezien het cassatieberoep krachtens het toen toepasselijk artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering ontvankelijk was en de strafvordering gedurende die tijd niet verder kan uitgeoefend worden. Deze schorsing m.b.t. de feiten in de zaak HV70.97.1052/2005 (dossier “Hodec”) heeft ook schorsing tot gevolg van de verjaring van de strafvordering m.b.t. de feiten van de zaak 70.99.306.2007 (dossier “KBC”), nu de feiten volgens de onaantastbare vaststellingen van het bestreden arrest samenhangend zijn. Rekening houdende met deze schorsing eindigt de eerste verjaringstermijn niet op 31 januari 2015, maar wel op 13 augustus
  4. Ingevolge de in het middel vermelde stuitingsdaden tijdens deze eerste termijn en met de door het bestreden arrest vastgestelde schorsing van 1 jaar en 120 dagen, was de strafvordering nog niet verjaard op 18 februari 2021 – datum waarop volgens het bestreden arrest de strafvordering aanhangig is gemaakt bij de vonnisrechter. Het hof van beroep heeft zich bijgevolg ten onrechte onbevoegd verklaard om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering.
  5. Voor een goed begrip van dit middel: huidige strafdossier omvat verschillende samengevoegde dossiers, met name: - De onderzoeken gekend onder nummers HV70.99.3995/2000 (zaak “D.” - 178/2012), HV70.99.306/2007 (179/2012 - dossier “KBC”) en HV70.F1.24670/2008 (180/2012 – dossier “Y.”) (= “Zaak I” in het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021). Deze zaken werden bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 april 2019 samen gevoegd en de huidige verweerders werden verwezen naar de correctionele rechtbank, ieder voor de op ieder van hun betrekking hebbende telastleggingen zoals omschreven in de vorderingen van de procureur des Konings van 18 januari 2017 (HV70.99.3995/00 – dossier 178/2012), bevestigd bij kantschrift van 19 juli 2018 en 26 januari 2017 (HV70.99.306/07 – dossier 179/2012 en HV 70.F1.24670/08 – dossier 180/2012). Tegen gemelde beschikking van de raadkamer van 23 april 2019 hebben de verweerders hoger beroep ingesteld. - Het onderzoek gekend onder nummer HV70.97.1052/2005 (18/2005) (= “Zaak II” in het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021). Bij beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 juni 2010, werden de huidige verweerders naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de telastleggingen zoals omschreven in de vordering van de procureur des Konings van 18 juni
  6. Tegen deze beschikking werd door de verweerders hogere beroepen ingesteld die werden afgewezen bij arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober
  7. De verweerders stelden cassatieberoep in tegen de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober
  8. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 8 mei 2012 (arrest P.11.1908.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9) werden de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2011 vernietigd en werd de zaak verwezen naar het hof van beroep van Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel werden “Zaak I” samen gevoegd met de “Zaak II”. De hogere beroepen van de verweerders werden ongegrond verklaard en de bestreden beschikkingen van de raadkamer (i.e. de beschikking van 23 april 2019 (zaak I) en 18 juni 2010 (zaak II) werden bevestigd. Het bestreden arrest oordeelt dat er samenhang is tussen de misdrijven die in de verschillende zaken aan de verweerders ten laste worden gelegd.
  9. Artikel 24 (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, bepaalt dat de verjaring van de strafvordering geschorst is wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Een voorziening in cassatie tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging
(4)schorst de verjaring van de strafvordering, en dit vanaf de dag van de bestreden beslissing tot de dag van het arrest van het Hof van Cassatie
(5). 15. Volgens de rechtspraak van het Hof geldt de schorsingsgrond voor de verjaring in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang, ongeacht wie ze heeft gepleegd. Het is de vonnisrechter die definitief beslist over het bestaan van die samenhang en hierbij speelt het geen rol of de feiten bij hem aanhangig werden gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten
(6). R. Declercq merkt nochtans op dat men zich moet hoeden voor een te absolute formulering van de regel. Hij stelt dat voor een mogelijke uitbreiding van een schorsing van de verjaring men zich de vraag moet stellen niet alleen of er samenhang is, maar of, in de concrete stand van de zaak, de schorsing die voor één beklaagde of voor één feit (eigen onderlijning) geldt in werkelijkheid een weerslag had op het verderzetten van de vervolging voor andere personen of andere feiten (eigen onderlijning)
(7)
(8).
  1. Mij lijkt het dan ook dat de vonnisrechter kan oordelen dat, in de concrete omstandigheden die hij vaststelt, de schorsingsgrond van de verjaring, in casu de cassatieprocedure, die geldt voor een bepaald feit of bepaalde feiten, niet het verderzetten van de vervolging voor andere feiten verhindert en aldus de verjaring van strafvordering voor die andere feiten hierdoor niet geschorst is. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen wanneer misdrijven het voorwerp uitmaken van verschillende afzonderlijke gerechtelijke onderzoeken, de cassatieprocedure slechts betrekking heeft op één van die onderzoeken, de uitkomst van de procedure geen impact heeft op de andere onderzoeken en de strafvordering inmiddels verder kan worden uitgeoefend in de andere onderzoeken en alle uit de verschillende onderzoeken voorvloeiende zaken pas bij een latere beslissing worden samengevoegd. In zoverre het middel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht.
  2. Het bestreden arrest oordeelt (pag. 56) “De verjaring werd evenmin geschorst gedurende de behandeling van het cassatieberoep tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 27 oktober 2011, waarbij de hogere beroepen tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 18 juni 2010 in de zaak HV.70.97.1052/2005 werden afgewezen, tot aan de uitspraak van het cassatiearrest op 8 mei 2012, dat het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vernietigde. Die cassatieprocedure had niet tot gevolg dat de strafvordering in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van de zaken HV.70.99.3995/2000, HV.70.99.306/2007 en HV.70.F1.2467/2008, stillag of niet verder kon worden uitgeoefend; in die drie zaken werd het onderzoek wel degelijk voortgezet tussen 27 oktober 2011 en 8 mei 2012”. Deze beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre meen ik dat het middel niet kan worden aangenomen. II.
  3. Vierde middel van eiseres I.
  4. In het vierde middel voert eiseres I de schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikelen 127, 128, 130 en 135, § 2, Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van machtsoverschrijding. Het middel komt op tegen de bepaling van het ogenblik van aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter. De appelrechters oordelen dat “de verjaring van de strafvordering is ingetreden voordat de strafvordering bij de strafrechter werd aangebracht door de kamer van inbeschuldigingstelling met het verwijzingsarrest van 18 februari 2021(eigen onderlijning)”. Op vlak van de burgerlijke vorderingen oordelen de appelrechters “Bij gebrek aan ontvankelijke strafvordering was de correctionele rechtbank in eerste aanleg en is het hof van beroep niet bevoegd om uitspraak te doen over de tegen de verweerders ingestelde burgerlijke vorderingen van de burgerlijke partijen .. [i.e. eisers]”.
  5. Eiseres I voert aan dat, zelfs indien de strafvordering op 6 januari 2021 zou zijn verjaard, deze strafvordering reeds voordien aanhangig werd gemaakt bij de vonnisrechter, met name door de beschikking van de raadkamer van 23 april 2019 waarbij de verweerders in de samengevoegde gerechtelijke onderzoeken gekend onder nummers HV70.99.3995/00 (178/2012), HV70.99.306/07 (179/2012) en HV70.F1.24670/08 (180/2012) naar de correctionele rechtbank werden verwezen (nvdr: dit betreft “Zaak I” in het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021). In de zaak II, gekend onder notitienummer BR70.97.1052/2005, werden de verweerders naar de correctionele rechtbank verwezen bij beschikking van de raadkamer van 18 juni
  6. Tegen deze verwijzingsbeschikkingen hebben verweerders hoger beroep ingesteld overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering. Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021 voegt de zaken I en II samen, verklaart het hoger beroep van de inverdenkinggestelden ontvankelijk en ongegrond en bevestigt de verwijzingsbeschikkingen. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft geen eigen beoordeling uitgevoerd van het bestaan van de in artikel 128 Wetboek van Strafvordering bedoelde bezwaren die een verwijzing naar de correctionele rechtbank overeenkomstig artikel 130 verantwoorden. Aldus heeft niet de kamer van inbeschuldigingstelling maar de raadkamer de zaak naar de vonnisrechter verwezen. Volgens eiseres I maakt de verwijzingsbeschikking van de raadkamer de zaak aanhangig bij het vonnisgerecht voor zover ze om bevoegdheidsredenen niet onwettig is en behoudt haar uitwerking zolang ze niet door uw Hof wordt vernietigd. De burgerlijke vordering werd voor de strafrechter ingesteld vóór de verjaring van de strafvordering zodat de appelrechters zich ten onrechte onbevoegd verklaren om te oordelen over de burgerlijke vordering.
  7. In voorliggende zaak stelt zich de vraag wanneer de strafvordering bij de vonnisrechter aanhangig wordt gemaakt in het geval een inverdenkinggestelde hoger beroep instelt tegen de beschikking van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank verwijst
(9)
(10): wordt de strafvordering aanhangig gemaakt bij de vonnisrechter door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer dan wel door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over een door een inverdenkinggestelde ingesteld hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking? Het antwoord op deze vraag heeft in casu enkel nog belang voor de burgerlijke rechtsvorderingen. Artikel 4, lid 1, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de burgerlijke rechtsvordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters kan vervolgd worden als de strafvordering. De burgerlijke vordering is een accessorium van de strafvordering. Dit impliceert dat de strafrechter enkel uitspraak kan doen over de burgerlijke vordering op voorwaarde dat op het ogenblik van de instelling van de burgerlijke vordering, een ontvankelijke strafvordering bestaat en dat deze strafvordering samen met of voorafgaand aan de burgerlijke vordering aanhangig wordt gemaakt bij de strafrechter. Indien de strafvordering vervallen was vóór de aanhangigmaking van de zaak bij de strafrechter, kan deze ook niet meer oordelen over de burgerlijk vordering. Indien evenwel de grond van verval van de strafvordering intreedt na de aanhangigmaking van de strafvordering, en de burgerlijke vordering tijdig, d.w.z. vóór het verval van de strafvordering, werd ingesteld, blijft de strafrechter bevoegd om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering, ondanks het verval van de strafvordering. Dit geldt ongeacht de grond van verval van de strafvordering
(11). Niettemin zal het antwoord op deze vraag van belang zijn voor de beoordeling van de verjaring van de strafvordering in die zaken waar de verjaring nog niet is ingetreden vóór de inwerkingtreding van het (nieuwe) artikel 23 Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering, ingevoerd bij artikel 35 van de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, inwerking getreden op 28 april 2024
(12). Artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vanaf 28 april 2024, bepaalt dat de verjaringstermijn van de strafvordering niet meer loopt “vanaf de dag van de aanhangigmaking van de strafvordering” voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van assisen of het hof van beroep zetelend in eerste en laatste aanleg. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp Strafprocesrecht I stelt hieromtrent vrij summier “Dit zal in de regel het geval zijn op het tijdstip van de verwijzing naar het vonnisgerecht door een beslissing van het onderzoeksgerecht – raadkamer of kamer van inbeschuldigingstelling – (artikelen 129, 130, 230 en 231 Sv.)”
(13). Ter verantwoording voor deze wetswijzing wordt in de parlementaire voorbereidingen onder meer aangehaald dat eenmaal de strafvordering aanhangig is gemaakt voor de vonnisrechter, één van de klassieke verantwoordingen voor het beginsel van de verjaring vervalt, namelijk dat na verloop van tijd, wanneer er geen proces wordt aangespannen, de zaak geleidelijk aan wordt vergeten en de sociale beroering die door een misdrijf is veroorzaakt afneemt
(14). De memorie van toelichting stelt “Aan te nemen is dat wanneer een zaak in de openbare fase van de strafprocedure voor het vonnisgerecht is beland, de samenleving verwacht dat een beslissing wordt genomen over de grond van de strafvordering welke niet kan worden verhinderd door verjaring”
(15). 21. Na de mededeling van het gerechtelijk onderzoek zal de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering de regeling van de rechtspleging door de raadkamer vorderen. Wanneer de raadkamer van oordeel is dat er voldoende bezwaren tegen de inverdenkinggestelde bestaan en vaststelt dat het misdrijf behoort tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank (n.v.d.r. veelal na aanneming van verzachtende omstandigheden), verwijst zij de inverdenkinggestelde overeenkomstig artikel 130 Wetboek van Strafvordering naar de correctionele rechtbank. Overeenkomstig artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering spreekt de raadkamer, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging. Artikel 182, lid 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de zaken die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren, bij haar worden aanhangig gemaakt, door de verwijzing naar die rechtbank overeenkomstig artikel 130 Wetboek van Strafvordering. In de regel wordt de strafvordering na een gerechtelijk onderzoek derhalve aanhangig gemaakt bij het vonnisgerecht door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Deze akte van aanhangigmaking bepaalt het voorwerp van de strafvordering zoals ze bij het vonnisgerecht wordt aangebracht en is bepalend voor de saisine
(16). Een ander aspect van de verwijzingsbeschikking is dat het gerechtelijk onderzoek wordt afgesloten en de onderzoeksrechter van het onderzoek ontlast is
(17). Vervolgens zal het openbaar ministerie, ter uitvoering van de verwijzingsbeschikking, de beklaagde dagvaarden voor de correctionele rechtbank. De dagvaardging geldt louter als dagstelling. Het is slechts een akte van rechtspleging die de beklaagde inlicht over plaats, dag en uur van de behandeling van zijn zaak teneinde hem in staat te stellen zijn verweer voor te dragen
(18). 22. De inverdenkinggestelde kan overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering, enkel beroep instellen tegen de verwijzingsbeschikking in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking alsook voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in zulk geval slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer, behalve wanneer de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer of de nietigheid van de verwijzingsbeschikking wordt opgeworpen. Dit hoger beroep moet krachtens artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering ingesteld worden binnen de vijftien dagen na de beschikking. Hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer is eveneens mogelijk indien een bij conclusie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid werd afgewezen (artikel 539 Wetboek van Strafvordering)
(19). 23. In geval een inverdenkinggestelde tijdig hoger beroep instelt, kunnen er zich verschillende situaties voordoen. Vooreerst zal de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij gevat wordt met een hoger beroep door een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking, zich dienen uit te spreken over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Bij een niet – ontvankelijk hoger beroep eindigt de regeling van de rechtspleging op het niveau van de raadkamer. De kamer van inbeschuldigingstelling zal de bijzondere prerogatieven die zij heeft wanneer zij gevat wordt met een ontvankelijk hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking (zie infra) niet kunnen uitoefenen en ook geen verdere controle kunnen uitoefenen op de regelmatigheid van de bewijsverkrijging
(20). De poort tot de kamer van inbeschuldigingstelling blijft als het ware gesloten. Mij lijkt het dat in het geval van een niet - ontvankelijk hoger beroep van een inverdenkinggestelde, ongeacht de reden van de niet - ontvankelijkheid, de strafvordering aanhangig wordt gemaakt bij de vonnisrechter door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Er anders over beslissen zou volgens professor J. Meese trouwens betekenen dat zelfs een manifest laattijdig hoger beroep de stopzetting van de verjaring van de strafvordering zou kunnen verhinderen
(21). 24. De situatie is evenwel anders ingeval van een ontvankelijk hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep wordt in de regel de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt binnen de perken van het hoger beroep. Ingeval van een ontvankelijk hoger beroep zal de kamer van inbeschuldigingstelling zich moeten uitspreken over de door de inverdenkinggestelde bij conclusie voor de raadkamer opgeworpen onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, alsmede over de eventuele opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, ook deze die ontstaan zijn na de verwijzingsbeschikking, of over de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid. Wanneer het gaat om een onbevoegdheid, grond van verval van de strafvordering of grond van niet-ontvankelijkheid, zal de kamer van inbeschuldigingstelling in de regel enkel kunnen oordelen over dat middel en zal de kamer van inbeschuldigingstelling niet kunnen overgaan tot de beoordeling van het bestaan van voldoende bezwaren
(22). Hetzelfde geldt als het hoger beroep van de inverdenkinggestelde gebaseerd is op een middel betreffende een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid betreffende een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging. Wanneer dit middel wordt verworpen en het hoger beroep ongegrond wordt verklaard blijft de beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling hiertoe beperkt
(23). In deze gevallen heeft de kamer van inbeschuldigingstelling in de regel niet de bevoegdheid de bezwaren te beoordelen waarvan de raadkamer onaantastbaar het bestaan aannam
(24). Aan de beslissing tot verwijzing wordt aldus niet geraakt
(25). Er zou dan ook kunnen geoordeeld worden dat wanneer het hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, de zaak derhalve niet aanhangig wordt gemaakt bij de vonnisrechter door een “verwijzingsarrest” van de kamer van inbeschuldigingstelling, maar wel door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer. Het feit dat de kamer van inbeschuldigingstelling deze verwijzingsbeschikking op latere datum bevestigt zou dan geen afbreuk doen aan de aanhangigmaking op datum van de bevestigde beschikking. Eiseres I verwijst naar arresten van het Hof van 14 september 2004 en 16 september 2014 die deze stelling impliciet zou bevestigen
(26). In deze arresten oordeelde het Hof dat de kamer van inbeschuldigingstelling die geroepen is om met toepassing van artikel 135, § 2 Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de regelmatigheid van de haar voorgelegde rechtspleging of over het hoger beroep met betrekking tot de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, daarover geen rechtsmacht meer heeft wanneer het vonnisgerecht waarvoor de zaak door een verwijzingsbeschikking van de raadkamer aanhangig gemaakt werd, reeds over de gegrondheid van de strafvordering uitspraak heeft gedaan. Deze arresten dienen mijns inziens in de juiste context gelezen te worden. Het betrof situaties waarbij de inverdenkinggestelde, na te zijn verwezen door een beschikking van de raadkamer naar de correctionele rechtbank, bij verstek werd veroordeeld en de inverdenkinggestelde pas nadien hoger beroep instelde tegen de beschikking van de raadkamer tot verwijzing. Mij lijkt het dat het Hof zich in deze arresten niet uitdrukkelijk uitspreekt over de thans voorliggende problematiek. De stelling lijkt verder te worden ondersteund door andere rechtspraak van het Hof. Zo oordeelt het Hof dat de verwijzingsbeschikking van de raadkamer de zaak aanhangig maakt bij het vonnisgerecht voor zover ze om bevoegdheidsredenen niet onwettig is. Zij behoudt haar uitwerking zolang ze niet door uw Hof wordt vernietigd. Het Hof oordeelt dat geen enkele bepaling aan het vonnisgerecht de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over de wettigheid van een verwijzingsbeschikking
(27). Het komt het vonnisgerecht enkel toe vast te stellen dat de zaak niet aanhangig is gemaakt omdat de verwijzingsbeschikking door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden of dat de strafvordering niet ontvankelijk is
(28). Volledigheidshalve merk ik op dat deze rechtspraak betrekking heeft op de situatie waarbij de regelmatigheid van de verwijzing werd betwist voor de vonnisrechter. Het Hof spreekt zich in deze arresten mijns inziens ook niet uit expliciet uit over de thans voorliggende problematiek. 25. Na een ontvankelijk en gegrond hoger beroep, is de situatie anders. In geval de verwijzingsbeschikking zelf is aangetast door een nietigheid en de kamer van inbeschuldigingstelling de nietigheid uitspreekt, dient de kamer van inbeschuldigingstelling de ganse zaak te beoordelen en te evoceren overeenkomstig artikel 215 Wetboek van Strafvordering. De kamer van inbeschuldigingstelling zal in zulk geval wel de bezwaren moeten beoordelen en uitspraak doen over de verwijzing naar het vonnisgerecht
(29). Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling op een ontvankelijk hoger beroep van een inverdenkinggestelde, een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid zoals bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering vaststelt, zal zij moeten nagaan wat het effect hiervan is op de beoordeling van de bezwaren of de strafvordering in haar geheel
(30). Het lijkt mij zo te zijn dat in zulke gevallen (nietigheid van de verwijzingsbeschikking of nietigheid betreffende een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging) de strafvordering in aanhangig wordt gemaakt bij de vonnisrechter door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard en al dan niet na evocatie oordeelt over de verwijzing
(31). 26. Professor J. Meese lijkt van mening te zijn dat wanneer de inverdenkinggestelde hoger beroep aantekent tegen een beslissing tot verwijzing, de strafvordering aanhangig wordt gemaakt door het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, voor zover dit hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard
(32). Als argument wordt aangehaald dat in zulk geval de beschikking tot verwijzing pas definitief is door de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij het ontvankelijk hoger beroep ongegrond wordt bevonden. Het betreft volgens Professor J. Meese de normale aanwending van een rechtsmiddel tegen de beslissing tot verwijzing, zodat bezwaarlijk kan aangenomen worden dat de strafvordering al aanhangig is vooraleer over dat rechtsmiddel werd beslist. 27. Bij een ontvankelijk hoger beroep dient tevens rekening te worden gehouden met de bijzondere prerogatieven die de kamer van inbeschuldigingstelling tijdens de regeling van de rechtspleging heeft. Een ontvankelijk hoger beroep van een inverdenkinggestelde opent als het ware wel de poort tot de kamer van inbeschuldigingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling kan immers, in zoverre de zaak bij haar op een ontvankelijke wijze aanhangig is gemaakt, overeenkomstig artikel 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering, op vraag van het openbaar ministerie, op verzoek van één van de partijen of zelfs ambtshalve de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure beoordelen (“procedure tot zuivering van de nietigheden”). De ambtshalve controle op de regelmatigheid is een mogelijkheid, geen verplichting. Artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden, dan wel de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, in de regel niet meer kunnen worden opgeworpen voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling tijdens dit onderzoek onregelmatigheden vaststelt, zal zij eveneens moeten nagaan wat het effect hiervan is op de beoordeling van de bezwaren of de strafvordering in haar geheel. Uw Hof heeft dienaangaande ook beslist dat het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling van de regelmatigheid van de onderzoekshandelingen bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, vereist dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennis kan nemen van de strafvordering
(33). Weliswaar dient ook deze rechtspraak in de juiste context te worden gelezen. Het betrof telkens de vraag of in het geval de kamer van inbeschuldigingstelling belast wordt met een controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden, na gevat te zijn overeenkomstig de bepaling van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering, ook in dat geval de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure kan beoordelen met toepassing van artikel 235bis Wetboek van strafvordering. Het antwoord hierop is ontkennend vermits de strafvordering reeds hangende is voor de vonnisrechter. Daarnaast heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer de zaak bij haar op een ontvankelijke wijze aanhangig is gemaakt, nog andere bijzondere prerogatieven. Zo kan de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken en daarna beschikken zoals het behoort
(34)of overeenkomstig artikel 228 Wetboek van Strafvordering ambtshalve bijkomende onderzoeksdaden bevelen. Uit deze bepalingen volgt aldus dat, hoewel de kamer van inbeschuldigingstelling zich op een ontvankelijk hoger beroep van een inverdenkinggestelde, in beginsel niet kan uitspreken over de door de raadkamer aangenomen bezwaren, haar beslissing een impact kan hebben op het bestaan of de relevantie van de door de raadkamer aangenomen bezwaren. De vonnisrechter zou slechts ten volle zijn rechtsmacht kunnen uitoefenen na kennis te hebben genomen van de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Tenslotte merk ik op - hoewel de voorlopige hechtenis weliswaar een eigen regeling kent - dat wanneer bij de regeling van de rechtspleging geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis, een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling tijdens het geding voor de kamer van inbeschuldigingstelling als bedoeld in de artikelen 135, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering dient te worden ingediend bij de kamer van inbeschuldigingstelling en niet bij de correctionele rechtbank (artikel 27, § 1, 3°, c, Voorlopige Hechteniswet). 28. Mij lijkt het dat bij een tijdig hoger beroep van een inverdenkinggestelde tegen een verwijzingsbeschikking, de zaak, wat deze inverdenkinggestelde betreft, niet kan aangebracht worden bij het vonnisgerecht, alvorens de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak zal gedaan hebben over dit hoger beroep. Het vonnisgerecht zal nog niet concreet in de mogelijkheid zijn gesteld om uitspraak te doen over de strafvordering. Dienaangaande kan verwezen worden naar de omschrijving van het begrip “aanhangig maken van de zaak”. Volgens R. Declercq betekent een zaak aanhangig maken “een zaak op een door de wet bepaalde wijze bij de rechter brengen op zulke wijze dat hij concreet in de mogelijkheid wordt gesteld er uitspraak over te doen”
(35). Ik ben dan ook van oordeel dat, ingeval van hoger beroep door een inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, de strafvordering lastens deze inverdenkinggestelde aanhangig wordt gemaakt bij de vonnisrechter op datum van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over dit hoger beroep, doch enkel in zoverre dit hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. Wanneer het hoger beroep ongegrond wordt verklaard verleent het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling een definitief karakter aan de beschikking van de raadkamer. Indien het Hof deze stelling bijtreedt, lijkt het middel van eiseres I, in zoverre dit uitgaat van een andere rechtsopvatting, te falen naar recht.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de hogere beroepen van de verweerders ingesteld tegen de verwijzingsbeschikkingen van de raadkamer van respectievelijk 29 april 2019 (“zaak I”) en 18 juni 2010 (“Zaak II”), bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 februari 2021 ongegrond werden verklaard en de bestreden beschikkingen werden bevestigd. Het bestreden arrest dat oordeelt dat de strafvordering bij de strafrechter werd aangebracht door de kamer van inbeschuldigingstelling met het verwijzingsarrest van 18 februari 2021, lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. III. De middelen van eisers II en IV. (…) IV. De middelen van eiser III (vervolgende partij). (…)
  2. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren. Conclusie: ik besluit tot verwerping van de cassatieberoepen. ______________________________________________________________
(1)Cass. 29 november 2011, AR P.10.1766.N, AC 2010, nr. 650, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1, met concl. van advocaat-generaal TIMPERMAN, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111129.1; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 129.
(2)Cass. 7 mei 2024, AR P.24.0403.N, AC 2024, nr. 361, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.13; Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N, AC 2013, nr. 669, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 129, nr. 244 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(3)Zie voor een exhaustief overzicht: M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 10e ed., I, p. 250-257.
(4)Ik merk op dat thans in de regel geen onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging.
(5)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 10e ed., I, p. 274.
(6)Cass. 11 februari 2020, AR P.19.1065.N, AC 2020, nr. 119, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4; Cass. 17 februari 2016, AR P.15.0978.F, AC 2016, nr. 118, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.5; Cass. 13 september 1995, AR P.95.0171.F, AC 1995, nr. 380 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950913.3; Cass. 16 juni 1947, AC 1947, p. 210-211; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, 10e ed., I, p. 276; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p. 151, nr. 283; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu 2012, p. 164-165.
(7)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 152, nr. 284.
(8)Zie Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0114.F, AC 2022, nr. 378, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.1; Cass. 27 september 2011, AR P.11.0350.N, AC 2011, nr. 501, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.3: in deze zaken gaat het over de draagwijdte van een schorsingsgrond die de behandeling van de strafvordering ten aanzien van een beklaagde verhindert, ten aanzien van andere beklaagden.
(9)Enkel de aanhangigmaking na een gerechtelijk onderzoek wordt besproken. De andere vormen van aanhangigmaking van de strafvordering zoals de betekening van de rechtstreekse dagvaarding, de overhandiging van een oproeping bij proces-verbaal op grond van artikel 216quater Wetboek van Strafvordering, de vrijwillige verschijning, de beslissing inzake regeling van rechtsgebied, de ambtshalve saisine in geval van een zittingsmisdrijf, de onmiddellijke verschijning, het hoger beroep tegen het bevel tot betalen dat de procureur des Konings aan de overtreder heeft gericht overeenkomstig artikel 65/1 Wegverkeerswet, worden buiten beschouwing gelaten.
(10)De hoger beroepen door het openbaar ministerie of een burgerlijke partij tegen een beschikking van de raadkamer overeenkomstig artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering, vallen eveneens buiten het bestek van deze conclusie.
(11)R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia 2023, p. 206-207.
(12)BS 18 april 2024.
(13)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 55, nr. 3514/001, p. 47.
(14)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 55, nr. 3514/001, p. 47, waarin verwezen wordt naar overweging B.9 van het arrest nr. 7/2000 van het Gronwettelijk Hof.
(15)Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, Doc 55, nr. 3514/001, p. 48.
(16)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 364.
(17)Zie Cass. 22 november 2006, AR P.06.1457.F, AC 2006, nr. 593, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.2; Cass. 2 november 2004, AR P.04.0605.N, AC 2004, nr. 520, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7; Cass. 9 januari 2002, AR P.01.1035.F, AC 2002, nr. 17, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020109.30, met concl. van advocaat-generaal J. SPREUTELS; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 363.
(18)Cass. 5 december 2000, AR P.99.0189.N, AC 2000, nr. 667, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.7; Cass. 29 maart 1994, AR P.93.0024.N, AC 1994, nr. 154, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940329.13; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 10e ed., II, 1646-1647; B. DE SMET, “Dagstelling voor de correctionele rechtbank”, in X., Strafrecht en Strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2018, afl. 87, p. 41.
(19)Cass. 22 april 2008, AR P.07.1863.N, AC 2008, nr. 240, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.2; Zie hierover: R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 414, nrs. 901-908.
(20)Cass. 15 juni 2016, AR P.16.0234.F, AC 2016, nr. 405, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160615.3, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160615.3; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 10e ed., I, p. 1162; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 443, nr. 993; Y. LIEGEOIS en B. DE SMET, “Devolutieve werking van het hoger beroep in zaken die aanhangig zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia 2014, p. 305.
(21)J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, 773.
(22)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, Antwerpen, 2012, p. 725, nr. 1420.
(23)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, Antwerpen, 2012, p. 725, nr. 1420; Y. LIEGEOIS en B. DE SMET, “Devolutieve werking van het hoger beroep in zaken die aanhangig zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia 2014, p. 305.
(24)Zie Cass. 28 november 2006, AR P.06.1234.N, AC 2006, nr. 608, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10.
(25)Zie in die zin: Y. LIEGEOIS en B. DE SMET, “Devolutieve werking van het hoger beroep in zaken die aanhangig zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia 2014, p. 305.
(26)Cass. 16 september 2014, AR P.14.0124.N, AC 2014, nr. 528, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140916.6; Cass. 14 september 2004, AR P.04.0940.N, AC 2004, nr. 411, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.4.
(27)Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, AC 2022, nr. 27, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.5; Cass. 28 september 2021, AR P.21.0652.N, AC 2021, nr. 587, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13; Cass. 24 juni 2015, AR P.14.1624.F, AC 2015, nr. 433, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.1; Cass. 8 oktober 2014, AR P.14.0660.F, AC 2014, nr. 582, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141008.4; Cass. 29 september 2010, AR P.10.0566.F, AC 2010, nr. 559, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1; Cass. 5 april 2006, AR P.06.0322.F, AC 2006, nr. 205, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.5. Cass. 13 juni 1990, AR 7932-7954-8067, AC 1989-90, nr. 592, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900613.6.
(28)Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, AC 2023, nr. 706, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12; Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0150.N, AC 2023, nr. 365, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.8; Cass. 28 september 2021, AR P.21.0652.N, AC 2021, nr. 587, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13, T. Strafr. 2022, p. 90 met noot van J. VANDEUREN, RW 2021-2022, nr. 42, p. 1667-1670 met noot S. MELIS; Cass. 30 september 2015, AR P.15.0802.F, AC 2015, nr. 572, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.4.
(29)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 10e ed., I, p. 1151-1152.
(30)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, Antwerpen 2012, p. 725; Y. LIEGEOIS en B. DE SMET, “Devolutieve werking van het hoger beroep in zaken die aanhangig zijn bij de kamer van inbeschuldigingstelling”, in Liber amicorum Michel Rozie, Antwerpen, Intersentia 2014, p. 305.
(31)Zie in die zin: J. VANDEUREN, “Aantasting van de regelmatigheid van een verwijzingsbeschikking”, noot onder Cass. 28 september 2021, T. Strafr. 2022, p. 92, randnr. 1.
(32)J. MEESE, “Less is more. De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken anno 2024”, RW 2024-25, 773.
(33)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7; Cass. 16 februari 2010, AR P.10.0012.N, AC 2010, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN.
(34)Zie hierover : S. VANDROMME, “Evocatie door de kamer van inbeschuldigingstelling”, Comm. Straf. 2006, I, 43-62.
(35)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer 2014, p. 921. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900613.6 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940329.13 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950913.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001205.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020109.30 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040914.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.7 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.5 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061122.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061128.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100929.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111129.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131210.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131210.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140916.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141008.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160615.3 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160615.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.