id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250610.2N.14 Rolnummer: P.25.0702.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS BIJ SUR BRUSSEL contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-07-11 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-06-15 05:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.14 Fiches 1 - 4 Wanneer als cassatiemiddel de niet-naleving van een pleegvorm wordt aangevoerd, terwijl de eiser in cassatie de naleving van die pleegvorm onmogelijk heeft gemaakt en er dus zelf verantwoordelijk voor is, is het middel in die omstandigheden bij gebrek aan rechtmatig belang niet ontvankelijk
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM; zie JT 2025, p. 421 met noot B. DEJEMEPPE, “Le parquet et la loyauté procédurale ». Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Wet Strafuitvoering - Artikel 53, eerste lid - Horen van het openbaar ministerie - Afwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting - Niet naleving van deze pleegvorm - Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep door het openbaar ministerie - Belang - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 61 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Wet Strafuitvoering - Artikel 53, eerste lid - Horen van het openbaar ministerie - Afwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting - Niet naleving van deze pleegvorm - Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep door het openbaar ministerie - Belang - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 61 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Wet Strafuitvoering - Artikel 53, eerste lid - Horen van het openbaar ministerie - Afwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting - Niet naleving van deze pleegvorm - Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep door het openbaar ministerie - Belang - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 61 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit - Wet Strafuitvoering - Artikel 53, eerste lid - Horen van het openbaar ministerie - Afwezigheid van het openbaar ministerie ter zitting - Niet naleving van deze pleegvorm - Vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank - Cassatieberoep door het openbaar ministerie - Belang - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 61 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de conclusie P.25.0702.N Advocaat-generaal Alain WINANTS heeft in hoofdzaak gezegd: Deze zaak verdient gelet op de omstandigheden en de context enige duiding, waarbij denk ik ook bepaalde principes dienen te worden toegelicht en centraal gesteld. De achtergrond is de volgende: de verweerder is een veroordeelde die de toekenning had bekomen van elektronisch toezicht. De procureur des Konings stelde evenwel een vordering in tot intrekking van dat ET omdat de veroordeelde blijkbaar niet meer terecht kon op het adres opgegeven voor dat ET. Bij tussenvonnis wordt dat ET inderdaad ingetrokken, krijgt de veroordeelde penitentiaire verloven toegekend, wordt de nieuwe vraag tot bekomen van ET ontvankelijk verklaard en wordt de zitting daarover vastgesteld op 29 april
- Daags voor die zitting heeft het OM via een communicatie laten weten dat het niet aanwezig zou zijn op de zitting. Deze communicatie luidt als volgt: “Ten gevolge van de onderfinanciering van justitie en het uitblijven van een snelle reactie van de federale regering op onze eisen, zoals het invullen van het administratief kader en het onvoldoende aantrekkelijk maken van onze functies, heeft het Directiecomité, in overleg met de procureur-generaal en de andere parketten, beslist tot de volgende maatregel: - het parket van Brussel zal niet meer deelnemen aan de zittingen van de SURB en geen advies meer geven aan de SUR, met uitzondering van de herroepingszittingen“. Het openbaar ministerie was effectief afwezig op de rechtszitting van 29 april 2025, hetgeen ook blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 april
- Het komt mij uiteraard niet toe mij uit te spreken over de specifieke acties vooropgesteld door de Pk van Brussel. Laat mij volstaan met erop te wijzen dat niemand in deze zittingszaal zal twijfelen aan de noodzaak van een rechterlijke macht die gelijkwaardig is met de twee andere machten, net omdat het principe van de Trias Politica gebaseerd is op drie machten die evenwaardig zijn omdat zij geacht worden mekaar in evenwicht te houden. Niemand denk ik zal er ook aan twijfelen dat momenteel – en de tendens is al een aantal jaren aan de gang – dit evenwicht en deze gelijkwaardigheid zoek zijn, ten nadele van de rechterlijke macht. Hetgeen ik hier verkondig lijken mij de basisprincipes te zijn van een democratische staat en de hoeksteen van de eerbied voor en de instandhouding van die rechtsstaat. Maar net dit respect voor de rechtsorde en de rechtshandhaving, waarvoor de rechterlijke macht staat en die een basisopdracht is ervan en voorzeker van uw Hof, brengen mij er toe u te adviseren het cassatieberoep van de eiser, de PK te Brussel, in deze zaak te verwerpen. Ik verklaar mij nader. Door de afwezigheid van de PK op de zitting van de SURB en het niet uitbrengen van een advies in de vastgestelde zaak, zou men kunnen stellen dat de SURB in principe niet in de mogelijkheid was om rechtsgeldig te zetelen en een vonnis uit te spreken. De SURB heeft dat uiteindelijk wel gedaan temeer de veroordeelde en zijn raadsman hadden geweigerd in te stemmen met een uitstel. De SURB spreekt daarbij van een overmachtssituatie in hoofde van de veroordeelde die hem niet tot nadeel mag strekken en verwijst ook nog naar de plicht die op haar rust om recht te spreken. Het komt mij inderdaad voor dat op basis van artikel 5.4 EVRM eenieder die door arrestatie of detentie van zijn vrijheid is beroofd, recht heeft voorziening te vragen bij het gerecht. Daarenboven rust inderdaad op een rechter de verplichting recht te spreken, op straffe van zich schuldig te maken aan rechtsweigering op basis van artikel 5 Gerechtelijk Wetboek. De eiser, de PK te Brussel, roept in zijn middel de schending in van artikel 53 van de Wet Strafuitvoering (van 17 mei 2006). Dat artikel bepaalt inderdaad dat de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur dienen te worden gehoord. Met name het horen van het openbaar ministerie op de zitting is noodzakelijk - en ik neem hier de termen over uit de memorie van de eiser – ‘om het OM toe te laten het oorspronkelijk schriftelijk advies in een contradictorisch debat nader toe te lichten of aan te passen gelet op nieuwe elementen of gewijzigde omstandigheden’. De eiser haalt aldus als cassatiemiddel de niet naleving van de pleegvormen aan, pleegvormen waarvan hijzelf de naleving onmogelijk heeft gemaakt. CONCLUSIE: Ik denk dan ook dat de eiser in deze omstandigheden geen belang heeft bij het middel en concludeer dus tot de verwerping van het cassatieberoep. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250610.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div