← België

DIALOG VERSISCHERUNG AG c. Cimenteries CBR Cementbedrij

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.4 Rolnummer: C.23.0356.N Zaak: DIALOG VERSISCHERUNG AG c. Cimenteries CBR Cementbedrij Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-09-17 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-06-18 22:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.4 Fiches 1 - 2 De verbintenis van de schipper om de goederen van hun laadplaats naar hun bestemming te vervoeren is een resultaatverbintenis, zodat bij niet-nakoming ervan een weerlegbaar vermoeden van fout geldt aan de zijde van de schipper; deze bepaling houdt geen beperking in van de aansprakelijkheid van de schipper voor andere schade dan verlies of beschadiging van de goederen; de verbintenis kan niet met het oog op de schade door beschadiging of verlies van de goederen een resultaatverbintenis zijn, en met het oog op andere schadeposten een middelenverbintenis

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Schipper - Resultaatsverbintenis - Aansprakelijkheid - Schadeposten - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 1936 op de binnenbevrachting - 05-05-1936 - Art. 30 - 31 ELI link Pub nr 1936050551 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Rivier- en zeevervoer Vrije woorden: Schipper - Resultaatsverbintenis - Aansprakelijkheid - Schadeposten - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 1936 op de binnenbevrachting - 05-05-1936 - Art. 30 - 31 ELI link Pub nr 1936050551 Tekst van de conclusie C.23.0356.N Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse: 1 Situering. 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vierde verweerster (binnenschipper) zich met een vervoersovereenkomst ertoe verbonden had een duwbak met cement te verschepen van de vestiging van de verweerster naar een klant te Schoten. In de nacht van 2 op 3 oktober 2019 heeft de duwbak zich met water gevuld, waardoor de duwbak met de lading is gezonken. Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat geen enkele verklaring kon worden gevonden voor het zinken van de duwbak. Het geschil betreft de omvang van de aansprakelijkheid van een binnenschipper, namelijk de al dan niet te vergoeden schadeposten, zijnde:
(1)de verloren lading;
(2)de kosten voor de berging van het schip;
(3)de kosten voor de berging van de lading;
(4)verlet- en stilligschade;
(5)extra transportkosten; en
(6)expertisekosten. De appelrechter heeft geoordeeld dat de schipper voor al deze schadeposten aansprakelijk is.
  1. De eisers (de schipper en zijn verzekeraars) komen in cassatie op tegen dit arrest met een middel. 2 Bespreking.
  2. Het geschil wordt beheerst door de Belgische wetgeving op de binnenvaart (m.n. de wet van 5 mei 1936 op de binnenvaart (‘Wet Binnenbevrachting’), aangezien het transport geen landsgrenzen oversteekt
(1). 4. Het eerste onderdeel voert aan dat artikel 30 Wet Binnenbevrachting een beperking van de aansprakelijkheid van de schipper inhoudt wat het soort schade betreft, en dat uit die bepaling aldus volgt dat de schipper enkel en alleen voor schade aan de lading aansprakelijk kan worden gesteld, zodat de appelrechters, die de vierde eiseres ook aansprakelijk verklaren voor (de voormelde) andere soorten schade
(2), die bepaling schenden. 5. Artikel 30 Wet Binnenbevrachting bevestigt dat de verbintenis van de schipper om de lading af te leveren een resultaatsverbintenis is, waarvan hij enkel kan worden bevrijd door overmacht of vreemde oorzaak (overeenkomstig het gemeen recht) of door een van de specifieke gronden uit de artt. 31 en 32 aan te tonen
(3). Deze wetsbepaling houdt een weerlegbaar vermoeden van fout in. De schipper is aansprakelijk wanneer de oorzaak van de schade niet kan worden achterhaald, zelfs indien geen fout in zijnen hoofde kan worden aangetoond. De basis van de aansprakelijkheid blijft de fout die bij de niet-nakoming van de resultaatsverbintenis wordt aangenomen
(4). Deze wetsbepaling voorziet niet in een beperking van de aansprakelijkheid van de schipper afhankelijk van de schadeposten. De rechtsleer of rechtspraak bevat geen steun voor dat standpunt. De rechtsleer wijst wat de vergoedbare schade naar de toepassing van het gemeen recht
(5), zodat zowel geleden verlies als gederfde winst in aanmerking komen, zolang het rechtstreekse en voorzienbare schade betreft
(6). VAN BLADEL haalt nog allerlei andere voorbeelden aan van vergoedbare schade aan: de bijkomende transportkosten; bijkomende opslagkosten; overliggelden die moeten worden betaald wegens de opgelopen vertraging; fluctuaties in de marktwaarde van de goederen; de kosten voor ontlading en herlading indien de goederen zich al aan boord bevonden, enz
(7).
  1. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, namelijk dat enkel voor schade aan de lading een weerlegbaar vermoeden geldt van aansprakelijkheid, faalt naar recht.
  2. Het tweede onderdeel voert aan dat de rechter de aansprakelijkheid voor de andere schadeposten afleidt uit het vermoeden van art. 30 Wet Binnenbevrachting, terwijl dat vermoeden enkel zou gelden voor ladingschade. Door zonder enige fout vast te stellen te oordelen dat vierde eiseres aansprakelijk is voor de andere schadeposten, schenden de appelrechters volgens het onderdeel de artikelen 30 en 41 van de Wet Binnenbevrachting.
  3. In zoverre het tweede onderdeel is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel, is het niet ontvankelijk.
  4. Zoals hierboven uiteengezet is artikel 30 de verwoording van de algemene regel dat de hoofdverbintenis van de vervoerder (i.e. transport van de goederen) een resultaatsverbintenis is. Op de vervoerder rust bijgevolg een vermoeden van fout in geval van niet-nakoming. Dat vermoeden hangt inherent samen met de verbintenis die niet wordt nageleefd en haar kwalificatie als resultaatsverbintenis. Het onderdeel lijkt aan te voeren dat de hoofdverbintenis van de schipper met betrekking tot schade X een resultaatsverbintenis is, maar met betrekking tot schade Y slechts een middelenverbintenis.
  5. Het vermoeden van fout speelt in de aansprakelijkheidstriade (fout - schade - causaal verband) in op de bewijsvoering met betrekking tot de fout. Eens een fout (al dan niet vermoed) vaststaat, is de schuldenaar aansprakelijk voor alle schade die daaruit voortvloeit. De stelling van de eiseressen lijkt mij conceptueel onmogelijk. Wat wel kan is dat twee verschillende schadeposten uit twee verschillende fouten voortvloeien, waarbij de ene fout de niet-nakoming van een resultaatsverbintenis is en de andere fout een positief aan te tonen fout is (die dus niet uit een resultaatsverbintenis voortvloeit). Dat veronderstelt echter de aanwezigheid van twee verschillende verbintenissen. Het betreft hier volgens de rechter één enkele fout: de niet-naleving van de hoofdverbintenis van de vervoerder. Wat eveneens kan is dat er voor schade X een (al dan niet wettelijk) schadebeding wordt ingelast, en voor schade Y niet, zodat schade X niet bewezen moet worden, maar schade Y wel. Of nog, dat bepaalde schade eenvoudigweg niet vergoedbaar is (zoals in het eerste onderdeel wordt aangevoerd). Dat is hier niet voorzien. Een vermoeden van fout heeft per definitie gevolgen voor alle schade die uit de vermoede fout voortvloeien. Na te hebben geoordeeld dat het vermoeden niet wordt weerlegd, diende de appelrechters geen andere fouten vast te stellen.
  6. Wat de kosten van de duikexpertise betreft, kan worden verwezen naar het arrest van het Hof van 2 september 2004
(8). Een partij kan tot de kosten van (niet-gerechtelijke) expertises worden veroordeeld indien zij veroorzaakt werden door de fout van de wederpartij
(9). (…) Besluit: verwerping. ______________________________________________________________________
(1)Het nieuwe Scheepvaartwetboek dat in werking trad op 1 september 2020 is temporeel niet van toepassing.
(2)De kosten ingevolge de berging van het schip, de kosten voor de berging van de lading, een vergoeding van de verlet- en stilligschade, een vergoeding voor de extra-transportkosten en de betaling van de expertisekosten en de kosten voor de duikinspectie
(3)vgl. Cass. 4 november 1949, Pas. 1949, 119.
(4)Zie G. VAN BLADEL, “Le contrat de transport par bateaux d’intérieur et l’affrètement de séjour”, I, Antwerpen, Lloyd Anversois 1950, 131-140; RPDB, Tôme XV, v° Transport par eaux intérieures, 1956, nrs. 146-147; M. DE DECKER, “Beginselen van Belgisch binnenvaartrecht”, Antwerpen, De Schroef 1991, 205-206; W. VERHEYEN, “Commentaar bij art. 30 Wet Binnenbevrachting” in J. CERFONTAINE en I. VEROUGSTRAETE et al. (ed.), Larcier, Wet en Duiding economisch recht, Deel 4: Vervoer, 39-40; J. VAN RYN, “Principes de droit commercial”, T. 3, Brussel, Bruylant 1960, 526.
(5)Vgl. de artikelen 1149-1151 oud BW.
(6)G. VAN BLADEL, “Le contrat de transport par bateaux d’intérieur et l’affrètement de séjour”, I, Antwerpen, Lloyd Anversois 1950, 229; J. LOYENS, “Handboek transportrecht”, Antwerpen, Intersentia 2011, 236-237; W. VERHEYEN, “Commentaar bij art. 30 Wet Binnenbevrachting” in J. CERFONTAINE en I. VEROUGSTRAETE et al. (ed.), Larcier, Wet en Duiding economisch recht, Deel 4: Vervoer, 39-40; J. VAN RYN, “Principes de droit commercial”, T. 3, Brussel, Bruylant 1960, 537.
(7)G. VAN BLADEL, “Le contrat de transport par bateaux d’intérieur et l’affrètement de séjour”, I, Antwerpen, Lloyd Anversois 1950, 230-
  1. Dit blijkt overigens ook uit de artikelen 46, 58 en 67 j° 273, § 1, 2° Zeewet, zie RPDB, Tôme XV, v° Transport par eaux intérieures, 1956, nr. 146.
(8)Cass. 2 september 2004, AR C.01.0186.F, AC 2004, nr. 375, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8, met concl. van advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas..
(9)Zie ook J. LOYENS, “Handboek transportrecht, Antwerpen”, Intersentia 2011, 231 en W. VERHEYEN, “Vergoedbare schade in het vervoerrecht”, in K. BERNAUW (ed.), Free on Board - Liber amicorum Marc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia 2011, 749. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.