← België

ML contra NORTH EAST WEST SOUTH NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.6 Rolnummer: C.23.0496.N Zaak: ML contra NORTH EAST WEST SOUTH NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-09-17 Raadplegingen: 413 - laatst gezien 2026-06-18 09:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.6 Fiche 1 Het vermoeden van houderschap van de rechten van de producent vindt niet automatisch toepassing van zodra een naam of letterwoord op het fonogram of een reproductie ervan wordt vermeld, maar enkel als deze in zijn hoedanigheid van producent van het fonogram “als dusdanig” wordt vermeld; dit betekent dat onder meer rekening kan worden gehouden met de manier waarop een naam of letterwoord is vermeld, de locatie ervan en de gebruiken in de sector

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Vermoeden van houderschap van rechten - Vermelding als dusdanig van producent van het fonogram - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.209, § 2 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De interne gevolgen van een contract, dit zijn de rechten en verplichtingen die eruit voortspruiten, gelden alleen tussen de partijen en niet ten aanzien van derden; daaruit volgt dat een derde niet op grond van een dading tussen andere partijen kan worden gedwongen om de erin opgenomen erkenningen en de daaruit voortvloeiende verbintenissen na te leven. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - T.a.v. derden Vrije woorden: Relativiteit van de overeenkomsten - Gevolgen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.23.0496.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers aan de verweerster verwijten een muzieknummer te hebben uitgebracht dat een (nummer overheersende) sampling bevat van een ritmisch motief (“riff”) overgenomen van de originele opname van een nummer van de eiseres, zonder dat zij hiervoor de toestemming hebben gegeven. Anderzijds verwijt de verweerster aan de eisers schade te hebben geleden ingevolge een verzoek van de eisers tot blokkering van het nummer van de verweerster.
  2. In het bestreden tussenarrest van 14 juni 2023 oordeelde het hof van beroep te Antwerpen dat dat de eisers niet de materiële hoedanigheid hebben als houder van een naburig recht, als producent van een fonogram dan wel als benadeelde, en dat de eisers een fout hebben begaan door de gevraagde blokkering op de streamingkanalen. Het tussenarrest laat de partijen toe om stukken voor te leggen met het oog op bepalen van de omvang van de schade door de blokkering van het nummer van de verweerster op streamingkanalen.
  3. De eisers komen met twee middelen op tegen dit tussenarrest. 2 Bespreking van de middelen.
  4. In het eerste subonderdeel van het eerste middel stellen de eisers dat de appelrechters artikel XI.209 § 2 WER schenden door te oordelen dat eerste eiser zich niet op het vermoeden van houderschap kan beroepen, omdat hij niet de oorspronkelijke producent van het fonogram zou zijn of niet als de oorspronkelijke producent op de reproductie ervan zou zijn vermeld. Volgens de eisers volstaat de enkele vermelding van de naam of het letterwoord van een eiser, bovendien voorafgaand door “Produced by…”, op een reproductie van de beschermde prestatie voor de toepassing van het vermoeden vervat in artikel XI.209 § 2 Wetboek van economisch recht (WER).
  5. Artikel XI.209, § 2, WER, bepaalt dat, tenzij het tegendeel is bewezen, een ieder als de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films wordt aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.
  6. Het vermoeden van houderschap is ingevoerd in het toenmalig artikel 39, § 2, Auteurswet door de wet van 9 mei 2007
(1). Deze laatste wet betrachtte de omzetting van de Richtlijn 2004/48
(2). De vermelding “als dusdanig” in artikel XI.209, § 2, WER komt overeen met de terminologie van artikel 15, eerste lid, Berner Conventie van 1886, waarop oorspronkelijk artikel 6, tweede lid, Auteurswet (en de latere overname in artikel XI.170, tweede lid, WER. Ook de Handhavingsrichtlijn verwijst naar de Berner Conventie en herhaalt in artikel 5 dat de naam van de auteur (of houder van een naburig recht) ‘op de gebruikelijke wijze’ op het werk vermeld dient te staan. Het vermoeden van houderschap bij producenten van fonogrammen wordt in de voornoemde Richtlijn (‘is overeenkomstig van toepassing’) en in de Belgische omzettingswet op exact dezelfde manier weergegeven. Het is dan ook de bedoeling geweest van de wetgever om het vermoeden van houderschap van naburige rechten op dezelfde manier vorm te geven als het vermoeden van auteurschap.
  1. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, stellen de appelrechters uitdrukkelijk in randnummer 13 van het arrest dat de eerste eiseres zich kan beroepen op het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER. In zoverre het onderdeel zo moet worden begrepen dat het arrest beslist dat de eerste eiseres is uitgesloten van het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER, berust het op een verkeerde lezing en mist het feitelijke grondslag.
  2. Het arrest stelt dat de eerste eiseres zich op het voormelde vermoeden kan beroepen. Vervolgens stelt het arrest dat dit (feitelijk) vermoeden geen “gewaarborgd recht” betreft in hoofde van een producent, doch een (Belgisch) bewijsrechtelijk vermoeden betreft waarvan de eerste eiseres ter bescherming van zijn gewaarborgde rechten gebruik kan maken in een procedure voor een Belgische rechtbank.
  3. Net zoals voorzien in artikel 8.29, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt ook wat betreft het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER, de bewijswaarde van feitelijke vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn. De rechter beoordeelt op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing steunt. Het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend en, meer bepaald, of hij uit de door hem vastgesteld feiten geen gevolgtrekkingen heeft afgeleid die op grond van die feiten niet kunnen worden verantwoord
(3). 10. Het arrest overweegt terecht dat daar waar de eerste eiseres “kan terugvallen op dit vermoeden, dient voldaan te zijn aan de toepassingsvoorwaarden ervan opdat dit vermoeden uitwerking kan kennen”
(4). In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het bestaan van het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER, op zich met zich meebrengt dat, hetzij - het de rechter niet is toegelaten de bewijswaarde te beoordelen van de aanwijzingen waarop het vermoeden berust; - de voorwaarden voor de uitwerking ervan niet meer kunnen worden beoordeeld; - daarmee is voldaan aan het bewijs van de hoedanigheid van producent van fonogrammen; berust het op een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht. De vaststelling dat iemand zich op het vermoeden kan beroepen producent te zijn, levert op zich niet het bewijs dat hij producent is. De appelrechters verantwoorden naar recht de beslissing dat daartoe de toepassingsvoorwaarden moeten zijn vervuld. 11. Vervolgens beoordeelt het arrest concreet de toepassingsvoorwaarden van het vermoeden in het licht van de doelstelling van begrip producent van een fonogram “als zodanig”, zoals bedoeld in artikel XI.209, § 2, WER, met name ter bescherming van het financieel en commercieel risico (het ondernemingsrisico). Die doelstelling is ook terug te vinden in het aanvankelijk wetsontwerp dat de term ‘producent van fonogram’ in artikel 1.16 definieerde als “de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de financiële en andere verantwoordelijkheid draagt voor de onderneming die de eerste vastlegging van geluiden (moederband) vervaardigt, ongeacht het al dan niet gaat om een werk” in de zin van artikel 1.1
(5). Deze definitie is uiteindelijk weggelaten omdat in de Kamercommissie werd geargumenteerd dat het opnemen van definities tot onnauwkeurigheden zou leiden en dat deze een te beperkend karakter zouden hebben
(6). Het begrip ‘producent’ wordt in de WPPT
(7)van 1996 gedefinieerd in artikel 2(d) als: “de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het initiatief neemt tot en de verantwoordelijkheid draagt van de eerste vastlegging (…)”. Er wordt inzake de fonogramproducent gesteld dat het enkel diegene is die de eerste vastlegging van het geluid heeft gedaan, de bescherming van dit naburig recht kan inroepen
(8). De oorspronkelijke producent kan zijn naburige rechten overdragen of in licentie geven aan een derde
(9). Ook ‘latere verkrijgers’ kunnen als producenten worden aanzien in de zin van artikel XI.209, § 2, WER. 12. De loutere vermelding van een naam op een werk (in dit geval een fonogram) impliceert geen automatisme dat de bovenstaande vermoedens van auteurschap of houderschap uitwerking krijgen. Er kan rekening worden gehouden met onder meer de manier waarop een naam of letterwoord is vermeld is, de locatie ervan op het werk en de gebruiken van de sector
(10). Aldus dient, ook voor wat betreft de manier van naamsvermelding, rekening gehouden te worden met wat ‘normaal’ is in de desbetreffende branche of sector
(11). Die appreciatie houdt een feitelijke toetsing in door de feitenrechter, namelijk of iemand zijn naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is, in zijn hoedanigheid van producent van het fonogram als dusdanig wordt vermeld op de prestatie of op een reproductie ervan. In zoverre het onderdeel het Hof uitnodigt die feitelijke toetsing te maken, is het niet ontvankelijk. Een marginale toets leidt mijns inziens tot de conclusie dat de appelrechters hun beslissing dat de voorwaarden voor de uitwerking van het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER niet zijn vervuld en de eerste eiser de bewijslast draagt van zijn hoedanigheid als producent van het fonogram, naar recht verantwoorden.
  1. In zoverre het subonderdeel voor het eerst aanvoert dat de eisers door een overdracht de houder zijn van het naburige recht van de producent van een fonogram, blijkt dat dit subonderdeel nieuw en daarom niet ontvankelijk is. Dit blijkt overigens niet uit de vastgestelde feiten.
  2. In het tweede subonderdeel voeren de eisers aan dat artikel XI.209, § 2, WER is geschonden omdat zou zijn geoordeeld dat de eerste eiser zich niet op het vermoeden van kan beroepen omdat op het fonogram een andere partij wordt vermeld die als de oorspronkelijke producent. Dat uitgangpunt lijkt mij niet in overeenstemming te zijn met de overwegingen van het arrest. De appelrechters hebben daarentegen beslist dat de voorwaarden voor de uitwerking van het vermoeden van artikel XI.209, § 2, WER niet zijn vervuld omdat de eerste eiser niet als dusdanig op de gebruikelijke wijze als producent van het fonogram op de prestatie of een reproductie ervan is vermeld. In zoverre lijkt het subonderdeel te berusten op een onjuiste lezing van het arrest en feitelijke grondslag te misen. In zoverre het subonderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde schending van artikel XI.209, § 2, is het niet ontvankelijk.
  3. Het derde subonderdeel gaat van een gelijkaardige andere lezing uit van het arrest, namelijk door aan te nemen dat de appelrechters oordelen dat de eerste eiser zich niet op het voormelde vermoeden kan beroepen omdat een andere partij wordt vermeld die houder of eigenaar is van de materiële drager van het geluidsfragment in de zin dat hij de materiële eigenaar is van het fonogram. De appelrechters oordelen dat DJ International Records de houder is van het naburig recht als fonogramproducent en dat niet is voldaan aan de vereiste dat de naam van de eerste eisers als dusdanig op de gebruikelijke wijze als producent van het fonogram op de prestatie of een reproductie ervan is vermeld. In zoverre lijkt het subonderdeel te berusten op een onjuiste lezing van het arrest en feitelijke grondslag te misen. In zoverre het subonderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel tevergeefs aangevoerde schending van artikel XI.209, § 2, is het niet ontvankelijk.
  4. In het tweede onderdeel stellen de eisers dat de appelrechter ten onrechte beslissen dat de dading, die werd aangegaan tussen eisers en Universal, waarbij deze laatste erkent dat eerste eiser de houder is van de naburige rechten in de opname In The Mix, niet kan worden tegengeworpen aan verweerster. Daardoor zouden de appelrechters miskennen dat het bestaan en de externe gevolgen van die dading van 8 april 2021 uitwerking heeft ten aanzien van de verweerster (Schending van de aangehaalde artikelen 1121, 1122 en 1165 van het Oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 5.103, 5.104, 5.107 en 5.108 van het Burgerlijk Wetboek). In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 5.103, 5.104, 5.107 en 5.108, van het Burgerlijk Wetboek, op de dadingsovereenkomst die volgens het cassatieberoep werd gesloten op 8 april 2021
(12), zijnde een moment waarop de bepalingen van oud Burgerlijk Wetboek toepasselijk zijn, is het niet ontvankelijk. In een arrest van 4 oktober 2010 oordeelde het Hof dat de interne gevolgen van een contract, namelijk de rechten en verplichtingen die eruit voortspruiten, alleen gelden tussen de partijen en niet ten aanzien van derden. Hoewel het bestaan van een overeenkomst wel tegenwerpelijk is aan derden, zodat de derden, vanaf het moment dat de uit de overeenkomst voortvloeiende rechtstoestand is tot stand gekomen, de gevolgen moeten ondergaan die deze overeenkomst tussen de partijen heeft, zijn zij nochtans niet zelf kunnen gehouden tot deze verplichtingen
(13). De verweerster kan als derde geen nadeel ondervinden van die overeenkomst. De verweerster merkt terecht op dat de dadingovereenkomst over de erkenning van het houderschap van naburige rechten niet kan worden gelijkgesteld met een contract inzake deze naburige rechten zelf. Een dading houdt (wederzijdse) erkenningen in om een einde te maken aan een onderling geschil. Een dading mag geen verbintenissen scheppen ten aanzien van derden, enkel het bestaan zelf (en de gevolgen voor de partijen) van de dadingovereenkomst kan worden tegengeworpen door of ingeroepen tegen een derde. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  1. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert aan dat de appelrechters de regel miskennen dat een "betrokkene" ook in het kader van een gewone bodemprocedure voor de ondernemingsrechtbank de staking kan vorderen; alsook miskennen ze het begrip “betrokkene” door te oordelen dat eisers geen "betrokkenen" zouden zijn omdat zij geen houder of licentiehouder zijn van de betrokken naburige rechten omdat dit begrip veel ruimer dient te worden ingevuld (Schending van de artikelen XI.334, XI.335, XVII.14 en XVII.19 van het Wetboek economisch recht).
  2. De appelrechters wijzen de stakingsvordering van de eisers als “betrokkenen” af omdat ze niet aantonen dat zij als dusdanig kunnen worden aangemerkt als de producent van de fonogram en evenmin enige andere rechten in hun hoofde zijn aangetast. Het onderdeel dat deze redenen van de beslissing tot afwijzing van de stakingsvordering niet betrekt in zijn kritiek en enkel is gericht tegen de reden dat deze vordering moest worden ingesteld bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank of de rechtbank van eerste aanleg zoals in kortgeding, steunt op een onvolledige lezing, kan niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Het tweede onderdeel voert de schending aan van artikel XI.335, § 1 WER dat bepaalt dat de benadeelde partij recht heeft op de vergoeding van elke schade die hij door de inbreuk op een in artikel X7.334, § 1, eerste lid bepaald recht lijdt. De appelrechters schenden die bepaling door het begrip "benadeelde" te beperken tot de houder of licentiehouder van het betrokken naburige recht, terwijl het begrip slaat op iedere derde die schade lijdt of kan lijden door de inbreuk op de naburige rechten. Door ten onrechte te oordelen dat enkel de (licentie)houder van de naburige rechten een vordering tot schadevergoeding zou mogen instellen, menen de eisers dat het begrip "benadeelde" elk nut verliest en aldus wordt miskend.
  4. In de Belgische doctrine neemt men aan dat de term ‘benadeelde partij’ in het huidige artikel XI.335, § 1, WER slaat op iedere derde die schade lijdt of kan lijden door een desbetreffende inbreuk van de opgesomde intellectuele eigendomsrechten
(14). 21. Op pagina 17 van het arrest oordelen de appelrechters dat aangezien de eisers niet aantonen dat zij hetzij over enig materieel recht beschikken met betrekking tot de registratie van “In The Mix”, hetzij enigszins in enige andere rechten in hun hoofde zijn aangetast, zij niet worden beschouwd als “benadeelden” met betrekking tot de vermeende inbreuk op de naburige rechten (niet auteursrechten) van de (werkelijke) producent van de fonogram. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters beslissen dat de eisers geen benadeelden zijn omdat ze geen (licentie)houder zijn van de naburige rechten zijn, steunt het op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. Anders dan waar het onderdeel van uitgaat, sluit het arrest niet uit dat op iedere derde die schade lijdt een benadeelde kan zijn zoals bedoeld door artikel XI.335, § 1 WER. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters het begrip benadeelde beperken tot de (licentie)houder van de naburige rechten, steunt het op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. Besluit: verwerping. ________________________________________________________________
(1)Betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten, BS 10 mei 2007, 25704.
(2)Van het EP en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten, PB L 30 april 2004, nr. 157, 45-86.
(3)Cass. 4 oktober 2024, AR C.23.0278.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.8.
(4)Arrest, p. 11, randnr. 14.
(5)Parl.St. Kamer BZ 1991-92, nr. 473/1, 3; Parl.St. Senaat BZ, 1991-92, nr. 145/1, 15.
(6)Parl.St. Kamer BZ, 1991-92, nr. 473/33, 34-37 en 60-62.
(7)Verdrag van de WIPO (Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom) inzake uitvoeringen en fonogrammen van 20 december 1996.
(8)A. BERENBOOM, “Producteurs, organismes de radiotélévision, éditeurs de presse” in Le nouveau droit d’auteur, Brussel, Larcier 2022,
(499)501; F. BRISON, “Le chapitre II de la loi sur le droit d’auteur: des droits voisins”, TBH 1996,
(11)12.
(9)F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, “Précis du droit d’auteur et des droits voisins”, Brussel, Bruylant 2000, 311 e.v., nr. 308 e.v.; zie over de overdraagbaarheid van naburige rechten: F. BRISON, I. KAES, et al., “National report of the Belgian Association for Copyright (BVA-ABA) fort he ALAI Congress 2022 in Estoril (Portugal) on Copyright, Neighbouring and Special Rights”, AM 2022,
(487)497; zie bv. inzake lincenties: F. PETILLION, J. JANSSEN, A. HEIRWEGH en D. NOESEN, “Enforcement of Intellectual Property Rights in Belgium” in Enforcement of Intellectual Property Rights in the EU member States, Brussel, Intersentia 2019,
(93)103-104; zie m.b.t. de overdracht van het auteursrecht de regels in de artikelen XI.167 e.v. WER; vgl. inzake auteursrechten: Cass 12 juni 1998, AR C.97.0254.F, AC 1998, nr. 307, ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980612.15.
(10)Zie in dezelfde zin m.b.t. het vermoeden van auteurschap, toen nog in artikel 6, tweede lid, Auteurswet en momenteel in artikel XI.170, tweede lid, WER: C. VANLEENHOVE, “Naamsvermelding leidt niet automatisch tot vermoeden van auteurschap” (noot onder Rb. Antwerpen nr. 10/3308/A, 30 juni 2011), RABG 2011,
(1294)1294. Zie ook: Rb. Antwerpen 30 juni 2011, AR nr. 10/3308/A, IRDI 2011, 365 en RABG 2011, 1287, noot C. VANLEENHOVE; zie ook m.b.t. de Handhavingsrichtlijn 2004/48: I. STAMATOUDI en O. VRINS, “The enforcement directive” in EU Copyright Law – A Comentary, Edward Elgar Publishing 2021, § 12.50.
(11)I. STAMATOUDI en O. VRINS, “The enforcement directive” in EU Copyright Law – A Comentary, Edward Elgar Publishing, 2021, § 12.50.
(12)Zie het cassatieberoep op p. 18, nr. 17 en p. 19, nr. 18.
(13)Cass. 25 april 2003, AR C.01.0607.N, AC 2003, nr. 265, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030425.5.
(14)M.-C. JANSSENS, “Wie kan de vordering(en) tot handhaving van intellectuele rechten instellen” in F. BRISON (ed.), Sancties en procedures in intellectuele rechten, Brussel, De Boeck 2008, 59-60 en 63; C. RONSE, “De andere herstelmaatregelen en in het bijzonder de schadevergoeding” in F. BRISON (ed.), Sancties en procedures in intellectuele rechten, Brussel, Larcier 2008,
(221)222, voetnoot 1; H. VANHEES, “Art. 335 WER” in Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Boek XI, Titel 9, 3. Vergoeding naar de schade geleden door de namaak, Mechelen, Kluwer 2015,
(87)108, nr. 34; H. VANHEES, “Handboek intellectuele rechten”, Brussel, Intersentia 2020, 697-698. Zie ook over het ruime karakter van de term ‘benadeelde’: B. MICHAUX, “Art. 335 WER” in het Belgische auteursrecht – Huldeboek Jan Corbet, Brussel, Intersentia 2018,
(1057)1058; vgl. ook Cass. 26 april 2012, AR C.10.0276.N, AC 2012, nr. 257, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.1, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL, AM 2012, 435, noot B. MICHAUX. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980612.15 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030425.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120426.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.