← België

V. contra AXA BANK BELGIUM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Rolnummer: C.23.0204.N Zaak: V. contra AXA BANK BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-09-16 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-06-18 14:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.9 Fiches 1 - 3 De maximale uitwinningvergoeding speelt enkel een rol indien deze lager is dan het bedrag van de uitwinningvergoeding, berekend op grond van de naar de omstandigheden van het geval aangepaste voordelen die voor de principaal voortvloeien uit transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten; de uitwinningvergoeding kan niet zonder meer worden vastgesteld op een billijk geacht percentage van de wettelijk vastgelegde maximale uitwinningvergoeding

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: MAKELAAR Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.18 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 4 Indien de overeenkomst door de principaal wordt beëindigd zonder een ernstige tekortkoming van de handelsagent, of wordt opgezegd zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de opzegging is gebaseerd op de in het tweede lid bedoeld objectieve economische criteria, is de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan achttien maanden vergoeding, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst; dit geldt ook tijdens een periode van zes maanden vanaf de beëindiging van het mandaat in het paritair overlegorgaan; het mandaat eindigt op de datum van de eerste vergadering van het nieuw verkozen paritair overlegorgaan; de referentieperiode voor de berekening van de bijzondere vergoeding eindigt op het ogenblik dat de uitvoering van de overeenkomst effectief een einde neemt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Uitwinningsvergoeding - Handelsagent met mandaat bij een instelling in de sector van het verzekeringswezen, van de kredietinstellingen of van de gereglementeerde markten voor effecten waar een paritair overlegorgaan werd opgericht - Onregelmatige opzegging - Berekening bijzondere vergoeding - Berekening referentieperiode Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.16 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.17, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie ecli_input ECLI:EU:C:2023 ecli_prefixe ECLI ecli_pays EU ecli_cour C ecli_annee 2023 ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:EU:C:2023 invalide Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
  2. en)C.23.0204.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering. 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser sinds 1991 actief was als bankagent voor (de rechtsvoorgangster van) verweerster. Hij was tevens actief als lid van het Paritair overlegorgaan en kandidaat voor het nieuw paritair overlegorgaan tot aan de installatie van het nieuw Paritair overlegorgaan van 4 juni 2018. Bij brief van 25 oktober 2018 heeft verweerster de overeenkomst opgezegd. De opzegtermijn van 6 maanden ging in op 1 november 2018 zodat de overeenkomst eindigde op 30 april 2019. 2. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelt in het bestreden arrest van 23 november 2023 dat een ex aequo et bono toepassing van 85% op de maximale uitwinningsvergoeding billijk is. Voor de berekening van de bijzondere vergoeding overeenkomstig artikel X.16, § 4 WER beoordeelt de appelrechter de referentieperiode op basis van de 12 maanden die het (effectieve) einde van de handelsagentuur voorafgaan. 3. De eiser komt met drie middelen op tegen dit arrest. 2 Bespreking. 2.1 De zogenaamde 3-fasen in de berekening van de uitwinningsvergoeding. 4. De drie middelen hebben betrekking op de berekening van de uitwinningsvergoeding van de eiser als voormalig bankagent van de verweerster. 5. De richtlijn 86/653, ook Agentuurrichtlijn genoemd, is gericht op de harmonisatie van de regelgeving van de lidstaten inzake de rechtsbetrekkingen tussen principaal en handelsagent
(1). De nationale lidstaten hebben in dat raam de plicht om voor de handelsagent een vergoeding te voorzien bij beëindiging van de overeenkomst door de principaal (behoudens in bepaalde gevallen), en kunnen daarbij kiezen tussen een uitwinningvergoeding volgens de vastgelegde criteria of een vergoeding van de werkelijke schade
(2). België koos voor de uitwinningvergoeding
(3). Artikel 17, tweede lid van de Agentuurrichtlijn, kent een op het Duitse recht gebaseerde uitwinningvergoeding toe aan de handelsagent omdat de principaal na de beëindiging van de overeenkomst nog kan genieten van de waarde die de agent (in klanten en transacties met hen) heeft opgebouwd. Het is een vergoeding voor de goodwill van de agent. Deze laatste ontvangt slechts een tegenprestatie gedurende de overeenkomst, maar levert niettemin waarde aan die na het einde van die overeenkomst voor de principaal verder oplevert
(4). De uitwinningvergoeding verhindert dat de principaal opportunistisch handelt door de overeenkomst te beëindigen eenmaal de principaal-klant-relatie dankzij de inspanningen van de agent is opgebouwd
(5). Artikel 17 is van doorslaggevend belang om de doelstelling van de Agentuurrichtlijn te behalen: de bescherming van de agent in zijn betrekkingen met de principaal
(6). Artikel 17 bepaalt het beschermingsniveau dat de Europese regelgever redelijk achtte voor handelsagenten in het raam van de totstandbrenging van één enkele markt. Daarom sluit het Hof van Justitie iedere uitlegging van artikel 17 uit als die in het nadeel van de handelsagent zou kunnen zijn
(7). Bij de uitlegging van de uitwinningvergoeding moet aldus rekening worden gehouden met de verdiensten van de handelsagent bij het verrichten van de transacties waarmee hij wordt belast
(8). 6. In een arrest van 23 maart 2023 is het Hof van Justitie overgestapt op de volgende driefasige berekening van de uitwinningvergoeding
(9). Het Hof van Justitie stelt dat “de bij artikel 17 van de richtlijn ingevoerde procedure [van de uitwinningvergoeding] drie fasen kent”
(10). “De eerste fase strekt allereerst tot het kwantificeren van de voordelen die voor de principaal voortvloeien uit transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten, overeenkomstig de criteria van artikel 17, lid 2, onder a), eerste streepje, van deze richtlijn. De tweede fase is er vervolgens op gericht om na te gaan, overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a), tweede streepje, of het op basis van deze criteria berekende bedrag billijk is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval en met name met de door de handelsagent gederfde provisie. Ten slotte wordt in de derde fase op dit bedrag de bovengrens toegepast waarin artikel 17, lid 2, onder b), voorziet, welke bepaling enkel een rol speelt indien dat bedrag hoger is dan dat maximum”
(11). (eigen onderlijningen). Uit deze rechtspraak valt af te leiden dat het kader waarbinnen de lidstaten de berekeningswijze vrij kunnen invullen theoretisch uit drie fasen bestaat. De tweede fase, de “billijkheidsfase, komt erop neer dat de geschatte voordelen voor de principaal, product van de eerste fase, geplaatst worden binnen de omstandigheden van de zaak
(12). De billijkheid waarnaar wordt verwezen, is geenszins willekeurig, maar steunt op vaststellingen (vaak zelf gesteund op prognoses)
(13). Het is in deze billijkheidscorrectie dat de vrijheid voor de lidstaten qua berekening ten volle speelt
(14). In 1996 heeft de Europese Commissie enkele elementen opgesomd waarmee rekening kan worden gehouden
(15). Het Hof van Justitie verwijst ook naar dit verslag van de Commissie. De derde fase bepaalt het maximum: als de eerste twee fases een te hoog bedrag opleveren, legt de richtlijn een maximum op. Hierover merkt de Europese Commissie op dat “dit plafond […] dus in feite [dient] om het eindbedrag te corrigeren, veeleer dan om de vergoeding te berekenen”
(16). De derde fase mag aldus niet het uitgangspunt zijn voor de berekening van de vergoeding, hetgeen de appelrechter hier wel heeft gedaan en in de rechtspraak nog voorkomt. Het middel laat het Hof toe deze praktijk af te wijzen (zie verder). 7. In het algemeen acht de Commissie deze driefasige berekeningswijze als “uiterst nauwkeurig”
(17). De berekening vangt, voortbouwend op de Duitse inspiratiebron voor de richtlijn, aan met een schatting van de provisies die de agent misloopt door de beëindiging van de overeenkomst, gedurende de periode waarin de principaal nog wordt geacht voordeel uit de inspanningen van de agent te zullen halen. De provisies van het jaar voorafgaand aan de beëindiging zijn daarbij richtinggevend. Het gaat om de provisies op de aangebrachte klanten of op de klanten waarmee de zaken zijn uitgebreid, gelet op de doelstelling van de uitwinningvergoeding
(18). Deze provisies dienen dan, in de “billijkheidsfase”, te worden gemoduleerd aan de hand van de omstandigheden van de zaak, zoals prijsschommelingen, afvloeiingen van klanten, ed. 8. Alle bepalingen in het WER omtrent de handelsagentuurovereenkomst zijn in principe dwingend in het voordeel van de agent
(19), waaronder artikel X.18 WER dat de uitwinningvergoeding regelt
(20). Het WER biedt geen concrete berekeningswijze van de uitwinningvergoeding
(21). Het geeft enkel aan dat de vergoeding de maat houdt van de aanzienlijke voordelen die de nieuwe klanten of de uitbreiding van de zaken met bestaande klanten aan de principaal kunnen opleveren (“voor zover” uit het eerste lid)
(22), rekening houdend met de gerealiseerde uitbreiding van de zaken als met de aanbreng van klanten (artikel X.18, derde lid). Hoewel dit volgens sommigen geen mathematische regel is
(23), overwegen rechters en auteurs toch dat de uitwinningvergoeding wordt berekend op basis van de provisies die de agent ontving voor zijn taken van bemiddeling en afsluiting van zaken
(24). Aldus zijn de provisies voor het aangebrachte nieuwe cliënteel en voor de uitbreiding van de zaken met het bestaande cliënteel wel de wiskundige basis voor de berekening van de uitwinningvergoeding. De wet bepaalt, net als de Agentuurrichtlijn, een maximale uitwinningsvergoeding van één jaar “vergoedingen” van de agent, berekend op basis van in principe het gemiddelde van de vijf jaren voorafgaand aan de beëindiging. “Vergoedingen” omvatten commissies of vaste vergoedingen voor het aanbrengen en/of sluiten van zaken, maar ook andere voordelen, zoals bonussen en premies
(25), of vergoedingen voor eigen kosten van de agent, voor zover deze kosten niet uitzonderlijk zijn en betrekking hebben op de desbetreffende handelsagentuurovereenkomst
(26). Deze vergoedingen betreffen alle klanten, niet enkel de nieuw aangebrachte klanten of de klanten waarmee de zaken zijn uitgebreid
(27). 9. Het Hof van Cassatie voegt aan dit wettelijk kader toe dat de rechter bij de begroting rekening mag houden met alle omstandigheden waarover hij op het ogenblik van zijn uitspraak beschikt. Hij mag rekening houden met feiten en omstandigheden die de bestendigheid van de relatie principaal-klant beïnvloeden, voor zover die niet toerekenbaar zijn aan de principaal
(28). NAEYAERT somt enkele van deze omstandigheden op: het aangebrachte cliënteel; de bijdrage van de principaal in de aanbreng van cliënteel of de uitbreiding van de zaken
(29); de verdiende commissies van de voorbije twaalf maanden; omvang van de verwachte voordelen voor de principaal (waarbij de concurrentiemogelijkheden van de agent na de beëindiging of de dalende omzet en dus dalende commissies net voor de beëindiging een rol kunnen spelen) of de duur van de agentuurovereenkomst
(30). Naast die elementen halen auteurs ook de billijkheid aan
(31). In de tekst van het WER komt echter geen billijkheidscorrectie voor
(32). Nochtans was de wetgever daartoe verplicht bij de omzetting van de Agentuurrichtlijn
(33). Dat de billijkheid wel degelijk de Belgische wet ondersteunt, blijkt uit de parlementaire voorbereiding waarin de billijkheid wel ter sprake komt
(34). 10. Rechters achten de billijkheid een belangrijk subjectief criterium, waarvan het praktisch niet mogelijk is abstractie te maken
(35). In de praktijk vordert de agent veelal het maximum en brengt de principaal argumenten aan om dat te milderen, leidend tot een toegekend percentage van dat maximum
(36). De rechter erkent daarbij desgevallend dat de berekening aan de hand van een percentage van het toegelaten maximum “om pragmatische redenen” plaatsvindt
(37). Soms kent de rechter het maximum toe omdat het billijk is in de omstandigheden van de zaak, nadat de rechter die omstandigheden uit de doeken deed
(38). Andere keren nog kent de rechter het maximum toe, zonder dat er van billijkheid wordt gesproken, doch wel naar de omstandigheden van de zaak wordt verwezen
(39). Er blijkt aldus dat de rechters meestal het wettelijk plafond of een fractie ervan toekennen, zonder een andere berekeningsmethode te gebruiken
(40). Dat gebrek aan duidelijke berekeningswijze, waarbij de toekenning van de vergoeding willekeurig en zonder veel precisering gebeurt, leidt tot uiteenlopende uitwinningvergoedingen en daarmee rechtsonzekerheid
(41). 11. Voor deze praktische berekeningswijze (op basis van de billijkheid) bestaat, zo merken MERTENS in 2009 en NAEYAERT in 2019 op, geen (dwingende) wettelijke grond
(42). “Men kan evenwel niet stelselmatig fracties toekennen van het wettelijke maximum zoals vastgesteld in artikel [X.18, vierde lid, WER] en tegelijkertijd blijven beweren dat de uitwinningsvergoeding uitsluitend mag worden berekend op basis van de hiervan sterk afwijkende criteria vastgesteld in artikel [X.18, derde lid, WER]”
(43). NAEYAERT vindt daarbij aansluiting door bij zijn bespreking van de richtlijnconforme berekeningswijze te vermelden dat “de bepaling over het plafond dient om het eindbedrag eventueel te corrigeren maar kan niet als uitgangspunt dienen om de vergoeding te berekenen, zoals vaak ten onrechte gebeurt”
(44). MERTENS stelt dan zelf een berekeningswijze in vijf stappen voor, waarbij de laatste stap inhoudt dat het bekomen bedrag aan het maximum wordt getoetst. Als het bekomen bedrag het maximum overschrijdt, krijgt de agent het maximum
(45). Andere auteurs gaan in diezelfde zin
(46).
  1. De billijkheid in de tweede fase onder de Agentuurrichtlijn lijkt dan ook een andere billijkheid dan welke de Belgische rechters in de praktijk hanteren. Ze beschouwen de billijkheid als een subjectief criterium, terwijl de billijkheid onder de richtlijn steunt op objectieve elementen of zo veel als mogelijk geobjectiveerde prognoses. In België ontwaren auteurs bijgevolg rechtsonzekerheid, waar dat bij de Agentuurrichtlijn eerder niet het geval zou (moeten) zijn (zie de “uiterst nauwkeurige” berekeningswijze, volgens de Commissie).
  2. De hoger vastgestelde in België gevestigde rechterlijke praktijk om de maximale uitwinningvergoeding of een billijk geachte fractie ervan toe te kennen, lijkt niet in overeenstemming met de wettekst en de Richtlijn. NAEYAERT schrijft dat deze manier van werken niet strookt “met de criteria uit artikel X.18, derde lid WER en artikel 17 Handelsagentuurrichtlijn en de berekeningsmethode die de Europese Commissie en het Hof van Justitie vooropstellen, waarin het plafond geen invloed heeft op de eigenlijke berekeningsmethode maar slechts een toetsingsmaatstaf is. De toetsing van de vergoeding aan het plafond mag slechts in de eindfase gebeuren. Door het wettelijk plafond als uitgangspunt te nemen, neemt men ten onrechte de totale vergoeding van de handelsagent als berekeningsbasis en niet enkel de vergoeding die betrekking heeft op de waarde van het aangebrachte cliënteel”
(47). Volgens de driestapsberekening vertrekt berekeningsbasis van de voordelen die de principaal nog haalt uit “enkel” de aangebrachte klanten of de klanten met wie de zaken zijn uitgebreid, terwijl de maximale vergoeding, als cap, berekend wordt aan de hand van de gehele vergoeding van de agent, voor alle klanten. 2.2 Eerste middel.
  1. Het eerste middel voert de schending aan van artikel X.18 WER, namelijk door de voordelen die de verweerster als principaal in haar verhouding tot de eiser als handelsagent kan halen uit de transacties met klanten die de eiser aanbracht, niet te kwantificeren, doch zonder meer te beslissen dat 85% van de maximale uitwinningvergoeding billijk is. De eiser vraagt dat daarover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie wordt gesteld.
  2. De grief in het eerste middel kan zo worden begrepen dat de appelrechter de driefasige redenering omtrent de uitwinningvergoeding niet heeft gevolgd, eerder dan dat het verwijt is de voordelen niet te hebben gekwantificeerd die de verweerster uit de transacties met door hem aangebracht cliënteel zal verwerven.
  3. De eiser die voor de appelrechter zelf de driefasige berekening heeft afgewezen omdat in elk geval de maximumvergoeding toepasselijk is, kan niet ontvankelijk voor cassatie aanvoeren dat de driefasige berekeningswijze niet werd gevolgd. Een procespartij kan in cassatie niet opkomen tegen een beslissing die in overeenstemming met haar conclusie werd gewezen
(48). In zoverre komt het middel niet ontvankelijk voor.
  1. De voorgestelde prejudiciële vraagstelling lijkt niet pertinent om de grief te beoordelen. Met de voorgestelde vraag wenst de eiser te vernemen of de billijkheidscorrectie slechts toepassing kan vinden na de kwantificering van de voordelen, “zodat de berekening van de vergoeding niet naar billijkheid kan gebeuren”. De geviseerde billijkheid is deze op grond waarvan de appelrechter een percentage van het maximum toekent, en zodoende de eerste twee stappen in de driestapsberekening overslaat, terwijl de prejudiciële vraag polst naar de noodzaak en volgorde van de eerste en tweede stap. Uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie blijken de drie stappen in de berekening, waarbij de billijkheidsfase volgt op de kwantificeringsfase. Het Hof van Justitie kan aldus de vraag op die manier afdoen, hetzij, in lijn met advocaat-generaal CAPETA, beslissen dat de eerste en de tweede fase enigszins overlappen, zodat de billijkheid de eerste twee fases doordringt. In dat opzicht kan de vergoeding naar billijkheid worden berekend. Op deze grief kan het Hof mijns inziens antwoorden zonder de prejudiciële vraagstelling.
  2. In zoverre het middel zo wordt geïnterpreteerd dat het de voormelde praktijk en werkwijze van de appelrechter bekritiseert van het toekennen van een percentage van de maximumvergoeding, komt het mij voor dat deze interpretatie het Hof kan toelaten deze praktijk af te wijzen zoals hierboven gesuggereerd. De toepassing van de maximale uitwinningvergoeding dient zich enkel aan indien deze lager is dan het bedrag van de uitwinningvergoeding berekend op grond van de voordelen, aangepast naar billijkheid en de (gemotiveerde) omstandigheden van het geval, die voor de principaal voortvloeien uit transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten. Door het overslaan van de eerste twee stappen en de vergoeding te steunen op een als billijk aangemerkt percentage van de maximale uitwinningvergoeding, lijkt mij artikel X.18, WER geschonden. In zoverre komt het eerste middel gegrond voor. 2.3 Tweede middel.
  3. Volgens de eiser eindigt de referentieperiode voor de berekening van de maximale uitwinningvergoeding op het ogenblik van het ontslag, niet op het ogenblik dat de overeenkomst effectief een einde neemt (na de opzeggingstermijn). De appelrechter die een andere mening is toegedaan, zou artikel X.18 WER schenden.
  4. De beide partijen blijven tijdens de opzeggingsperiode ertoe gehouden hun verbintenissen na te komen. De uitwinningvergoeding is de tegenprestatie voor de voordelen die de principaal na de beëindiging van de overeenkomst behoudt
(49). Het is gesteund op de billijkheid en heeft in principe geen schadevergoedend doel
(50). Daarom is het bestaan en de omvang ervan te beoordelen op het einde van de handelsagentuur, op het moment dat de principaal terug over het cliënteel beschikt en hij het ondernemingsrisico volledig draagt.
(51)Dat beschikkingsrecht herwint de principaal na het einde van de opzeggingstermijn. Een meerderheid aan auteurs meent dat het recht op uitwinningvergoeding ontstaat op het ogenblik van het effectieve einde van de overeenkomst, dus na de opzeggingstermijn
(52). Een juiste (integrale) berekening van de uitwinningvergoeding lijkt vóór de beëindiging van de overeenkomst niet mogelijk. Het komt me voor dat de appelrechter correct heeft geoordeeld dat wat de in aanmerking te nemen referentieperiode, het einde van de overeenkomst maar intreedt wanneer de opzeggingstermijn afloopt
(53). Het onderdeel dat berust op een andere rechtsopvatting, lijkt mij naar recht te falen. 2.4 Derde middel.
  1. De bijzondere vergoeding uit artikel X.16, § 4, WER zou volgens de eiser te berekenen zijn over een periode eindigend met de opzegging, niet met de daadwerkelijke stopzetting van de overeenkomst. De appelrechter die anders beslist, zou artikel X.16 WER schenden.
  2. Overeenkomstig artikel X.16, § 4, derde lid, WER, is de principaal aan de handelsagent een bijzondere vergoeding verschuldigd indien de overeenkomst door de principaal wordt beëindigd zonder een ernstige tekortkoming van de handelsagent in de zin van artikel X.17, eerste lid, of wordt opgezegd zonder dat het bewijs wordt geleverd dat de opzegging is gebaseerd op de in het tweede lid bedoeld objectieve economische criteria, waarvan het bedrag gelijk is aan achttien maanden vergoeding berekend overeenkomstig § 3, onverminderd de andere voor de handelsagent uit de wet voortvloeiende rechten naar aanleiding van de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst.
  3. Artikel X.16, § 3, WER bepaalt dat die opzeggingsvergoeding gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende deel van die termijn. Wanneer de vergoeding van de handelsagent geheel of gedeeltelijk uit commissies bestaat, wordt de vergoeding berekend op basis van het maandelijks gemiddelde van de commissies verdiend gedurende de twaalf maanden die aan de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst voorafgaan of, in voorkomend geval, gedurende de maanden die de beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst voorafgaan.
  4. Aangezien de wetsbepaling voorziet dat indien de gegeven opzeggingstermijn slechts gedeeltelijk niet wordt nageleefd, de berekeningsperiode voor de vervangende opzegvergoeding wel loopt tot het einde van het gerespecteerde deel van de opzegtermijn, blijkt dat de (effectieve) opzeggingsperiode begrepen is in de referentieperiode en deze dus loopt tot de (effectieve) beëindiging van de overeenkomst.
  5. NAEYAERT vermoedt dat de wetgever heeft gewild dat de referentieperiode eindigt op het ogenblik dat de kennisgeving van de opzegging uitwerking heeft en niet wanneer de overeenkomst effectief een einde neemt na de opzeggingstermijn, omwille van de vaststelling dat de wetgever in boek X, titel 1 van het WER (over de handelsagentuurovereenkomst) niet doelbewust de woorden “beëindiging” en “effectieve einde” gebruikte
(54)
(55). Volgens NAEYAERT loopt de referentieperiode bij de berekening van de maximumvergoeding (artikel X.18 WER) tot het einde van de opzeggingstermijn, terwijl deze voor de toepassing van artikel X.16 WER eindigt bij de beslissing tot opzegging. Nochtans vermelden de beide artikelen de “beëindiging van de overeenkomst” als ankerpunt. Terminologisch lijkt er geen reden te zijn om bij artikel X.16 WER een andere referentieperiode te hanteren. 26. Andere auteurs schrijven dat de vergoeding te rekenen is op de maanden gedurende dewelke de overeenkomst is uitgevoerd indien er nog geen twaalf maanden zijn verlopen sinds de aanvang van de overeenkomst
(56). De koppeling aan de uitvoering van de overeenkomst wijst erop dat de opzeggingstermijn (of het gerespecteerde deel ervan) begrepen is in de referentieperiode. Het middel dat uitgaat van een andere opvatting, lijkt mij naar recht te falen. Besluit: gedeeltelijke cassatie, namelijk in zoverre het arrest op grond van artikel X.18 WER de uitwinningsvergoeding bepaalt naar billijkheid op basis van de maximale uitwinningsvergoeding. _______________________________________________________________________
(1)HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 35, ECLI:EU:C:2023:é; HvJ 26 maart 2009, C-348/07, pt. 16, ECLI:EU:C:2009:195, JDE 2009, 153, RABG 2010, 1019, noot M. DAMBRE, Rec. CJCE 2009, afl. 3 (B), I, 2341, TBH 2009, 722, rn. 14; HvJ 23 maart 2006, C 465/04, DAOR 2007, 411, concl. M. POIARES MADURO, noot B. LAMBRECHT en P. NAEYAERT, JT dr. eur. 2007, 124, rn. 18. (
(2)) HvJ 7 april 2016, C-315/14, pt. 24, ECLI:EU:C:2016:211, DAOR 2016, 84, JLMB 2017, 536, RW 2016-17, 895, TBH 2016, 640, noot G. JANNONE en O. VANDEN BERGHE, rn. 24; HvJ 23 maart 2006, C 465/04, pt. 21, ECLI:EU:C:2006:199, DAOR 2007, 411, concl. M. POIARES MADURO, noot B. LAMBRECHT en P. NAEYAERT, JT dr. eur. 2007, 124, rn. 20.
(3)HvJ 3 december 2015, C-338/14, pt. 25, ECLI:EU:C:2015:795, DAOR 2016, 61, JDE 2016, 42, JLMB 2016, 1094, noot P. CRAHAY, RW 2016-17, 1180, noot D. MERTENS, Soc.Kron. 2018, 37, noot C. HALLUT, TBH 2016, 703, rn. 24
(4)Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), [COM
(96)364 def.], 1.
(5)Conclusie AG CAPETA bij HvJ 23 maart 2023, C-574/21, rn. 44-49, ECLI:EU:C:2022:931. Zie ook: Verslag van 28 februari 1995 namens de Commissie voor de Justitie omtrent het ontwerp van wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Parl. St. Senaat 1994-95, 355/3, 11; Parl.St. Senaat B.Z. 1991-92, nr. 355-1, 19.
(6)HvJ 7 april 2016, C-315/14, pt. 33, ECLI:EU:C:2016:211, DAOR 2016, 84, JLMB 2017, 536, RW 2016-17, 895, TBH 2016, 640, noot G. JANNONE en O. VANDEN BERGHE, rn. 33; HvJ 23 maart 2006, C 465/04, pt. 22, ECLI:EU:C:2006:199, DAOR 2007, 411, concl. M. POIARES MADURO, ECLI:EU:C:2005:641, noot B. LAMBRECHT en P. NAEYAERT, J.T. dr. eur. 2007, 124, rn. 22.
(7)HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 57, ECLI:EU:C:2023:é; HvJ 13 oktober 2022, C-593/21, pt. 27, ECLI:EU:C:2022:784; Conclusie AG CAPETA bij HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 66-69, ECLI:EU:C:2022:
  1. Een afwijking van artikel 17 voorafgaand aan de beëindiging is enkel mogelijk als ex ante is uitgesloten dat de afwijkende regeling in het nadeel van de agent zal spelen: HvJ 23 maart 2006, C 465/04, pt. 25, ECLI:EU:C:2006:199, DAOR 2007, 411, concl. M. POIARES MADURO, noot B. LAMBRECHT en P. NAEYAERT, J.T. dr. eur. 2007, 124, rn.
  2. Toegepast in: Antwerpen 27 januari 2021, DAOR 2021, 105.
(8)HvJ 13 oktober 2022, C-593/21, pt. 27, ECLI:EU:C:2022:784; HvJ 7 april 2016, C-315/14, pt. 33, ECLI:EU:C:2016:211, DAOR 2016, 84, JLMB 2017, 536, RW 2016-17, 895, TBH 2016, 640, noot G. JANNONE en O. VANDEN BERGHE, rn. 33.
(9)HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 57, ECLI:EU:C:2022:931; Conclusie AG CAPETA bij HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 66-69, ECLI:EU:C:2022:931.
(10)HvJ 26 maart 2009, C-348/07, pt. 19, ECLI:EU:C:2009:195, JDE 2009, 153, RABG 2010, 1019, noot M. DAMBRE, Rec.CJCE 2009, afl. 3 (B), I, 2341, TBH 2009, 722, rn. 19.
(11)HvJ 23 maart 2023, C-574/21, pt. 39, ECLI:EU:C:2022:931; HvJ 3 december 2015, C-338/14, pt. 28, ECLI:EU:C:2015:795, DAOR 2016, 61, JDE 2016, 42, JLMB 2016, 1094, noot P. CRAHAY, RW 2016-17, 1180, noot D. MERTENS, Soc.Kron. 2018, 37, noot C. HALLUT, TBH 2016, 703, rn. 28; HvJ 26 maart 2009, C-348/07, JDE 2009, 153, RABG 2010, 1019, noot M. DAMBRE, Rec.CJCE 2009, afl. 3 (B), I, 2341, TBH 2009, 722, rn. 19.
(12)HvJ 26 maart 2009, C-348/07, pt. 19-25, ECLI:EU:C:2009:195, JDE 2009, 153, RABG 2010, 1019, noot M. DAMBRE, Rec.CJCE 2009, afl. 3 (B), I, 2341, TBH 2009, 722.
(13)Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), COM
(96)364 def., 5.
(14)HvJ 26 maart 2009, C-348/07, JDE 2009, 153, RABG 2010, 1019, noot M. DAMBRE, Rec.CJCE 2009, afl. 3 (B), I, 2341, TBH 2009, 722, rn. 20 e.v. (waar het Hof verwijst naar de criteria die de Commissie in 1996 voor deze billijkheidscorrectie heeft vastgelegd).
(15)Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), COM
(96)364 def., 3-4: of de handelsagent voor andere principalen werkt; of de agent een fout beging; het beloningsniveau van de agent; daling van de omzet van de principaal; omvang van het voordeel van de principaal; betaling van pensioenbijdragen door de principaal; een concurrentiebeding.
(16)Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), COM
(96)364 def., 4 (“Het bedrag dat in fase 1 en fase 2 werd berekend, wordt vervolgens vergeleken met het plafond zoals bedoeld in artikel 17, lid 2, onder b), van de richtlijn”).
(17)Verslag over de toepassing van artikel 17 van de richtlijn van de Raad inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG), COM
(96)364 def., 5 (“Uit het voorgaande blijkt dat de berekeningsmethode voor de vergoeding uiterst nauwkeurig is en tot een voorspelbare uitkomst zou moeten leiden. De principalen kunnen derhalve hun risico's van tevoren inschatten en met enige mate van zekerheid agentuurovereenkomsten sluiten. Voor de handelsagent betekenen duidelijker rechten dat de schadeclaim gemakkelijker kan worden ingediend en vastgesteld” (mijn onderlijning)).
(18)K. VANHEUSDEN, Agentuur en alleenverkoop in Europa, Antwerpen, Maklu 2002, 74-75.
(19)Parl. St. Senaat 1994-95, 355/3, 13-14.
(20)Artikel X.21 WER; Antwerpen 30 maart 2022, RW 2022-23, 823; Antwerpen 27 januari 2021, DAOR 2021, 105; Brussel 10 juni 2013, DAOR 2013, 378, noot P. NAEYAERT, RABG 2015, 601; P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 278; M. WILLEMART en S. WILLEMART m.m.v. C. SMITS, Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995 modifiée par celles des 4 mai 1999, 1er juin 1999 et 21 février 2005) in Les dossiers du JT, nr. 52, Brussel, Larcier 2005, 81.
(21)Kh. Brussel 4 november 2014, JT 2015, 470.
(22)Parl.St. Senaat B.Z. 355-1, 19.
(23)M. WILLEMART en S. WILLEMART m.m.v. C. SMITS, Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995 modifiée par celles des 4 mai 1999, 1er juin 1999 et 21 février 2005) in Les dossiers du JT, nr. 52, Brussel, Larcier 2005, 82.
(24)P. NAEYAERT m.m.v. A. DECLERCK, De handelsagentuur, Gent, Story, 2007, 110; Y. VAN COUTER, P. DE SMEDT en F. PAUWELS, Art. X.18-X.21 WER in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2015, losbl., 17; S. WILLEMART en Q. WILLEMART, “Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995 transposée au livre X du Code de droit économique). Examen de jurisprudence 2005-2017”, JT 2019, 12, met verwijzing naar Gent 24 maart 2010).
(25)Bijvoorbeeld: K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK (eds.), Handelsagentuur, deel I, Gent, MYS & BREESCH 1997, 349; E. DURSIN, “De beëindiging van distributieovereenkomsten” in PUC Willy Delva XXXIV Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2008, 102; D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent “zijn” cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 258; P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 333-334; D. ROOSES, Art. X.18 – X.21 WER in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2022, losbl., 26 e.v.; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 1009; K. VAN DEN BROECK, “De voorwaarden tot toekenning van de uitwinningsvergoeding – Artikel 20 handelsagentuurwet” (noot onder Gent 24 maart 2010), RABG 2010, 1069.
(26)Cass. 11 juni 2021, AR C.20.0354.N, AC 2021, nr. 436, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.8, RW 2021-22, 505, TBH 2021, 660, TBH 2022, 375, noot L. DU JARDIN. Voor kritiek op deze rechtspraak: D. ROOSES, Art. X.18 – X.21 WER in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2022, losbl., 27 e.v.
(27)B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 1012; K. VANHEUSDEN, Agentuur en alleenverkoop in Europa, Antwerpen, Maklu 2002, 76.
(28)Cass. 5 november 2009, AR C.08.0520.N, AC 2009, nr. 642, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091105.2, Juristenkrant 2009, afl. 200, 2, Pas. 2009, nr. 642, RABG 2010, 1076, noot K. WAGNER, RW 2009-10, 1780, noot D. MERTENS. Zie ook: Cass. 9 december 2022, AR C.21.0469.N, AC 2022, nr. 811, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2, met concl. van eerste advocaat-generaal MORTIER, ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2; Cass. 15 mei 2008, AR C.07.0320.N, AC 2008, nr. 298, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.7, RW 2008-09, 1684, noot K. WAGNER, RW 2011-12, 139, TBH 2009, 244, noot D. MERTENS.
(29)Zie ook: S. WILLEMART en Q. WILLEMART, “Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995 transposée au livre X du Code de droit économique). Examen de jurisprudence 2005-2017”, JT 2019, 11, met verwijzing naar Kh. Brussel 24 november 2010.
(30)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 327-330.
(31)Afzonderlijk, los van de voormelde elementen: P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 331; P. NAEYAERT m.m.v. A. DECLERCK, De handelsagentuur, Gent, Story 2007, 111.
(32)Kh. Tongeren 24 juni 2008, Limb.Rechtsl. 2008, 330; M. DAMBRE, “Ruimte voor de billijkheid bij de begroting van de uitwinningsvergoeding van de handelsagent” (noot onder HvJ 26 maart 2009, C-348/07), RABG 2010, 1026.
(33)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 319-320.
(34)Parl.St. Senaat B.Z. 355-1, 19-20.
(35)Kh. Tongeren 24 juni 2008, Limb.Rechtsl. 2008, 330.
(36)Antwerpen 18 oktober 2018, RABG 2019, 1548, noot C. DANIELS; Luik 4 juni 2015, JLMB 2017, 564, noot A. DEJOLLIER en P. KILESTE; Brussel 10 juni 2013, DAOR 2013, 378, noot P. NAEYAERT, RABG 2015, 601; Kh. Brussel 28 augustus 2015, DAOR 2016, 58; Kh. Brussel 4 november 2014, JT 2015, 470; Kh. Brussel 27 maart 2014, DAOR 2015, 93; Kh. Tongeren 24 juni 2008, Limb.Rechtsl. 2008, 330. Antwerpen 19 februari 2018, IHT 2018, 509, noot D. NOELS; D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent ‘zijn’ cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 256; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 1011; M. WILLEMART en S. WILLEMART m.m.v. C. SMITS, Le contrat d’agence commerciale (loi du 13 avril 1995 modifiée par celles des 4 mai 1999, 1er juin 1999 et 21 février 2005) in Les dossiers du JT, nr. 52, Brussel, Larcier 2005, 84-85, voetnoot 183 (elf voorbeelden).
(37)Ond.rb. Gent 23 april 2019, RABG 2019, 1567 (vier maanden gemiddelde commissie toegekend).
(38)Antwerpen 27 januari 2021, DAOR 2021, 105.
(39)Antwerpen 11 december 2019, RABG 2020, 400.
(40)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 345.
(41)E. DURSIN, “De beëindiging van distributieovereenkomsten” in PUC Willy Delva XXXIV Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2008, 103; P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 346-347; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 1011; Y. VAN COUTER, P. DE SMEDT en F. PAUWELS, Art. X.18-X.21 WER in Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2015, losbl., 16, voetnoot 1.
(42)D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent ‘zijn’ cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 256; D. MERTENS, “De uitwinningsvergoeding van de handelsagent en de invloed van rechtmatige mededinging” (noot onder Cass. 5 november 2009), RW 2009-10, 1784; P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 345.
(43)D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent ‘zijn’ cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 256.
(44)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 344.
(45)D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent ‘zijn’ cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 257-258. D. MERTENS, “De uitwinningsvergoeding van de handelsagent en de invloed van rechtmatige mededinging” (noot onder Cass. 5 november 2009), RW 2009-10, 1784.
(46)K. DE BOCK en E. DURSIN, “De uitwinningsvergoeding” in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK (eds.), Handelsagentuur, deel I, Gent, MYS & BREESCH 1997, 353 e.v.; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 1012 e.v. (pikken de driestapsberekening op); K. VAN DEN BROECK, “De voorwaarden tot toekenning van de uitwinningsvergoeding – Artikel 20 handelsagentuurwet” (noot onder Gent 24 maart 2010), RABG 2010, 1070.
(47)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 345.
(48)Een zogenaamd moyen renégat.
(49)Parl.St. Senaat B.Z. 1991-92, nr. 355-1, 19; I. MEEUSSEN, Nationale handelsagentuur in Bestendig Handboek Distributierecht, Mechelen, Kluwer 2016, losbl., 96 en 102; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 997.
(50)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 279; K. VANHEUSDEN, Agentuur en alleenverkoop in Europa, Antwerpen, Maklu 2002, 69.
(51)D. MERTENS, “Werd vervolgd. De uitwinningsvergoeding wanneer de agent ‘zijn’ cliënteel meeneemt” (noot onder Cass. 15 mei 2008), TBH 2009, 258.
(52)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 282 en de verwijzingen aldaar.
(53)De vraag die het Hof recent heeft gesteld aan het Hof van Justitie of de overeenkomst eindigt op het moment van de opzegging ervan of bij het einde van de opzeggingstermijn, betreft de toepassing van artikel 21 WER, namelijk wanneer de partijen (niet) ten nadele van de handelsagent mogen afwijken van de bepalingen van de artikelen X.18, X.19 en X.20: Cass. 28 februari 2025, AR C.24.0088.N, AC 2025, nr. 156, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6
(54)In het Frans gebruikt de wetgever “la (date de) cessation” en “la fin du contrat” door elkaar.
(55)P. NAEYAERT, Handelsagentuur in APR, Mechelen, Kluwer 2019, 207.
(56)E. DURSIN, “De beëindiging van distributieovereenkomsten” in PUC Willy Delva XXXIV Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer 2008, 75-76; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, “Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten: tussenpersonen 1999-2009”, TPR 2010, 981. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250613.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080515.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091105.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221209.1N.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250228.1N.6 ECLI:EU:C:2005:641 ECLI:EU:C:2006:199 ECLI:EU:C:2009:195 ECLI:EU:C:2015:795 ECLI:EU:C:2016:2 ECLI:EU:C:2016:211 ECLI:EU:C:2022:784 ECLI:EU:C:2022:931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.