← België

ALB FASTENERS bv contra OPTIMCO nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.10 Rolnummer: C.24.0166.N Zaak: ALB FASTENERS bv contra OPTIMCO nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-09-17 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-06-15 21:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.10 Fiches 1 - 2 Het bedrog van de verzekerde of de verzekeringnemer waardoor de driejarige verjaringstermijn van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde of de verzekeringnemer pas aanvangt zodra de verzekeraar het bedrog ontdekt, betreft het voor de verzekeraar verbergen van de grond van zijn verhaal; de verzekeraar die, vooraleer hij de benadeelde betaalt, de door de verzekerde of verzekeringnemer verborgen gehouden grond van het verhaal ontdekt, kan zijn regresvordering tegen de verzekerde of verzekeringnemer richten binnen een verjaringstermijn van drie jaar die aanvangt vanaf zijn betaling aan de benadeelde

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: Regresvordering verzekeraar - Bedrog - Verzekeringsnemer - Verjaring - Termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 3 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Aanvang - Regresvordering verzekeraar - Bedrog - Verzekeringsnemer - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 88, § 3 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Tekst van de conclusie C.24.0166.N Conclusie van advocaat-generaal F. VROMAN: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, gewezen op 4 januari
  1. Door de eiser worden er twee middelen aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de aanvang van de verjaringstermijn bedoeld in artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen van de regresvordering van de verzekeraar tegen zijn verzekeringsnemer wanneer er sprake is van bedrog door de verzekeringsnemer en de vraag wat er onder bedrog in de zin van deze bepaling moet worden begrepen. II. Eerste middel. II.
  2. Het middel. In het eerste middel verwijt de eiseres de appelrechter artikel 149 Grondwet, artikel 1116 Oud Burgerlijk Wetboek, artikel 88, § 3 Wet Verzekeringen te hebben geschonden door te oordelen - dat de regresvordering ingesteld door verweerster op 6 april 2021 niet verjaard was terwijl dit wel het geval was omdat het ontdekken van het bedrog van eiseres (meer bepaald van haar zaakvoerster) dat bestaat uit het opzettelijk verzwijgen ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst, dateerde van 24 april 2017 of minstens van 3 mei 2017 en er pas op 26 april 2021 gedagvaard werd (schending van artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen en artikel 1116 Oud Burgerlijk Wetboek); - enerzijds dat eiseres niet heeft gepoogd haar eventuele opzettelijke verzwijging bedrieglijk verborgen te houden voor verweerster zodat de wettelijke uitzondering niet van toepassing is en anderzijds te stellen dat ook het hof van oordeel is dat eiseres bij het afsluiten van de polis opzettelijk heeft verzwegen dat de zoon van de zaakvoerster van eiseres minstens ook een gebruikelijke bestuurder was van het kwestieuze voertuig zodat er sprake is van tegenstrijdige motieven (schending artikel 149 Grondwet); - dat ingeval van bedrog de verzekeringsnemer/verzekerde niet bevrijd is van zijn verplichting tot terugbetaling na verloop van een termijn van 3 jaar vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar en dat gezien het doel van artikel 88, § 3 Gerechtelijk Wetboek, dit artikel geenszins zo kan geïnterpreteerd worden dat in geval van bedrog de verzekeringsnemer vroeger bevrijd zou zijn van haar verplichting tot terugbetaling dan diegene die geen bedrog heeft gepleegd, zonder te preciseren wanneer de verjaringstermijn van drie jaar in geval van bedrog dan wel een aanvang neemt, zodat het Hof niet in staat is om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (schending artikel 149 Grondwet). II.
  3. De principes. Artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen bepaalt: “De regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog”. De vraag rijst wat er met bedrog in deze bepaling wordt bedoeld en wanneer de verjaringstermijn van de regresvordering aanvangt in dat geval. In de rechtsleer is er eensgezindheid dat met bedrog in de zin van artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen het bedrog wordt bedoeld dat slaat op het verhaalsrecht zelf en dus op het bedrog van de verzekerde/verzekeringsnemer die aan de verzekeraar de beweegredenen van het verhaal verheelt. Er wordt niet mee bedoeld het bedrog dat de grond is tot het regres, bijv. de opzettelijke verzwijging
(1). De eiseres meent dat de verjaringstermijn voor de regresvordering van de verzekeraar een aanvang neemt op het ogenblik dat de verzekeraar kennis krijgt van het bedrog en dit ongeacht of de kennisname plaatsvindt voor of na de betaling door de verzekeraar. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. Niet alleen zou dit standpunt voordeliger zijn voor degene die bedrog pleegt wanneer de verzekeraar reeds kennis zou hebben van het bedrog voor de betaling dan voor degene die geen bedrog pleegt – wat mijns inziens is verboden in gevolge het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit
(2)- maar ook de rechtspraak van het Hof, hoewel er geen standpunt werd ingenomen over de hypothese van het bedrog, in verband met het aanvangspunt van de in artikel 34, § 3 Wet Landverzekeringsovereenkomst (de voorganger van artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen) bedoelde termijn, sluit dit volgens mij uit. In het arrest van 1 maart 2013 besliste het Hof dat
(3): - de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, behoudens bedrog; - deze bepaling de verjaring van de regresvordering van de verzekeraar tegen de verzekerde doet lopen vanaf de betaling, ook al staat op dat ogenblik nog niet vast dat de verzekeraar over een grond van verhaal tegen de verzekerde beschikt; - de regresvordering van de verzekeraar verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling door de verzekeraar, ook wanneer zij gericht is tegen de verzekeringnemer. Wanneer de regresvordering de terugbetaling tot doel heeft van de opeenvolgende betalingen van de verzekeraar aan een benadeelde partij wegens de fout van de verzekerde, bepaalt de datum van elk van die betalingen de aanvang van de driejarige verjaring
(4). Wanneer er sprake is van bedrog begint de verjaringstermijn te lopen op de dag dat de verzekeraar het bedrog (en dus de reden van het verhaal) ontdekt
(5). Het is daarenboven de vaste rechtspraak van het Hof dat de bevrijdende verjaring een verweer is tegen een laattijdige vordering en dat de verjaring bijgevolg niet kan beginnen te lopen vooraleer de vordering ontstaan is
(6). Advocaat-generaal GENICOT wijst er in zijn conclusie bij het arrest van 29 oktober 2018 terecht op dat het is logisch dat verjaring kan beginnen lopen voordat het recht zelf ontstaat. Om te kunnen tenietgaan moet een recht immers eerst bestaan. Het is niet door de kennisname van bedrog dat het recht op verhaal ontstaat maar door de betaling. De kennisname van het bedrog waarbij de beweegredenen van het verhaal wordt verheeld, kan dan ook enkel maar invloed hebben op de verjaringstermijn van de regresvordering van de verzekeraart tegen de verzekerde/verzekeringsnemer nadat het recht op verhaal van de verzekeraar is ontstaan nl. na de betaling door de verzekeraar
(7). II.
  1. De toepassing van principes in deze zaak. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het bedrog in hoofde van de verzekeringsnemer bestaat in het opzettelijk verzwijgen ten tijde van het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst, faalt het naar recht. In zoverre het middel ervan uitgaat dat in geval van bedrog door de verzekeringsnemer de verjaringstermijn voor de regresvordering bedoeld in artikel 88, § 3, Wet Verzekeringen aanvangt voor de betaling door de verzekeraar aan de benadeelde, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het eveneens naar recht. In zoverre het middel gewag maakt van een tegenstrijdigheid tussen de in het middel bedoelde beslissingen berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. Er is immers geen tegenstrijdigheid. Het ene bedrog waarvan sprake betreft het bedrog van bij de contractsluiting en betreft het verwijzen van de zoon van de zaakvoerster van eiseres als gebruikelijke bestuurder en het andere bedrog waarvan sprake betreft het bedrog van na het verkeersongeval en betreft het verzwijgen dat bij contractsluiting is verzwegen dat de zoon van de zaakvoerster van eiseres een gebruikelijke bestuurder van het verzekerde voertuig was. Met de vaststellingen en het oordeel onder randnummer
  2. Verjaring op pagina 5 en 6 van het bestreden arrest geeft de appelrechter te kennen dat de verjaringstermijn voor de regresvordering van de verzekeraar bij bedrog van verzekeringsnemer niet eerder kan beginnen lopen dan met de betaling van de benadeelde. In zoverre het middel aanvoert dat het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen, berust het dan ook op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het eveneens feitelijke grondslag. III. Tweede middel. In het tweede middel verwijt eiseres de appelrechter artikel 1134, lid 1 Oud Burgerlijk Wetboek, het algemeen beginsel dat de bewijskracht van een akte niet vermag te worden miskend alsook de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek (voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 Oud Burgerlijk Wetboek) die de uitdrukking zijn van dat algemeen beginsel en het algemeen rechtsbeginsel van de bindende kracht van overeenkomsten door te oordelen dat de zoon van de zaakvoerster van verweerster geen dekking krijgt bij gebrek aan opgave van hem als gebruikelijke bestuurder omdat ze om tot dit besluit te komen abstractie heeft gemaakt van het beding in de polis op grond waarvan de inwonende gezinsleden van de opgegeven gebruikelijke bestuurders, waaronder de zoon van de zaakvoerster van eiseres te rekenen is, onder de dekking vallen. Hiermee zou de appelrechter ook de bewijskracht van de polis hebben miskent door er niet in te lezen wat er wel in vermeld staat nl. dat de inwonende gezinsleden van opgegeven gebruikelijke bestuurders dekking krijgen. Met de vaststellingen en het oordeel in de tweede alinea op pagina 8, de laatste twee alinea’s op pagina 11, de eerste alinea op pagina 12 en het oordeel dat er een groot verschil is in risico-inschatting tussen regelmatige en niet regelmatige bestuurders, geeft de appelrechter een uitlegging van de voormelde clausule uit de polis en past ze die clausule toe. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechter abstractie maakte van die clausule, berust dan ook op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Conclusie: Verwerping. ____________________________________________________________________
(1)Vb. BOREQUE M. et COLSON P., “II.2.4.4.2. Le point de départ du délai concernant l’action récursoire”, in COLSON P., (ed.), Les grands arrêts du droit des assurances, Larcier 2024,
(422)426; BOREQUE M., “La fraude en droit des assurances sous l’angle de la prescription”, RGAR 2024/2-3,
(191)202; FONTAINE M., Verzekeringsrecht – derde editie, Larcier 2017, 464, voetnoot 1439; VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Verzekeringsrecht, Intersentia 2016, 940; VANSWEEVELT T., “Commentaar bij artikel 88 wet 4 april 2014”, in VAN SCHOUBROECK C., Verzekeringsrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2016, losbl.,
(1)29, nr. 43; SCHUERMANS L. en VAN SCHOUBROECK C., Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Intersentia 2015, 87; DUBUISSON B. en CALLEWAERT V., “La prescription en droit des assurances”, RGAR 2011, randnr. 21.
(2)Zie bijv. Cass. 30 september 2021, AR C.21.0002.N, AC 2021, nr. 602, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10 met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYCNK, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210930.1N.10.
(3)Cass. 1 maart 2013, AR C.12.0188.N, AC 2013, nr. 137, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130301.3 met andersluidende concl. van procureur-generaal LECLERCQ, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130301.3.
(4)Cass. 29 oktober 2018, AR C.18.0212.F, AC 2018, nr. 591, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181029.2, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181029.2, op datum in Pas.. Deze rechtsregel uit het arrest zelf werd per vergissing vertaald als volgt: “wanneer de regresvordering strekt tot de terugbetaling van de opeenvolgende betalingen van de verzekeraar aan een benadeelde partij wegens bedrog van de verzekerde, de datum van elk van die betalingen de aanvang van de driejarige verjaring bepaalt”. “Faute” moest wel degelijk worden vertaald als “fout”, zoals correct gebeurde in de samenvatting van het arrest.
(5)BOREQUE M. et COLSON P., “II.2.4.4.2. Le point de départ du délai concernant l’action récursoire”, in COLSON P., (ed.), Les grands arrêts du droit des assurances, Larcier 2024,
(422)426-427; BOREQUE M., “La fraude en droit des assurances sous l’angle de la prescription”, RGAR 2024/2-3,
(191)204 ; FONTAINE M., Verzekeringsrecht – derde editie, Larcier 2017, 464, voetnoot 1439; VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Verzekeringsrecht, Intersentia 2016, 940-941; VANSWEEVELT T., “Commentaar bij artikel 88 wet 4 april 2014”, in VAN SCHOUBROECK C., Verzekeringsrecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2016, losbl.,
(1)30, nr. 43.
(6)Cass. 16 oktober 2017, AR C.16.0189.F, AC 2017, nr. 561, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.3 met concl. van advocaat-generaal GENICOT, ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171016.3, op datum in Pas.; Cass 22 september 2016, AR C.15.00079.F, AC 2016, nr. 517, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160922.15 en Cass. 18 maart 2013, AR S.12.0069.F, AC 2013, nr. 195, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.9, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130318.9, op datum in Pas.; Cass. 24 januari 2013, AR C.11.0649.F, AC 2013, nr. 58. ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.3.
(7)Impliciet in deze zin BOREQUE M., “La fraude en droit des assurances sous l’angle de la prescription”, RGAR 2024/2-3,
(191)205, randnr. 48. Deze auteur verdedigt de stelling dat zolang de verzekeraar geen kennis heeft van het bedrog omtrent zijn recht op verhaal, de verjaring niet begint te lopen. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130301.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.9 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130301.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130318.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160922.15 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171016.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171016.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181029.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181029.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210930.1N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210930.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.