← België

R. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.13 Rolnummer: C.24.0187.N Zaak: R. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2025-09-25 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-06-16 17:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.13 Fiches 1 - 2 De verjaring van rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen, vereffenaars wegens verrichtingen in verband met hun taak begint te lopen van zodra de verrichtingen niet meer verborgen worden gehouden en de benadeelde derhalve in de mogelijkheid verkeert deze te kennen; die kennis slaat op alle omstandigheden die vereist zijn voor het instellen van voormelde rechtsvorderingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Rechtsvorderingen en verjaring - Rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen, vereffenaars wegens verrichtingen in verband met hun taak - Aanvang - Kennis van de benadeelde - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, vierde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Aanvang - Rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen, vereffenaars wegens verrichtingen in verband met hun taak - Kennis van de benadeelde - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, vierde streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 3 - 4 Vereist is dat de in artikel 265, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bedoelde kennelijke grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement zonder dat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de kennelijk grove fout en het faillissement is vereist; het feit dat de handeling die als kennelijk grove fout wordt gekwalificeerd, dateert van na de datum van staking van betaling zoals deze bij het faillissementsvonnis of een navolgend vonnis werd vervroegd, sluit niet uit dat deze handeling heeft bijgedragen tot het faillissement
(1).
(1)Artikel 265, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing bij Wet van 11 augustus
  1. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Vrije woorden: Faillissement - Aansprakelijkheid van zaakvoerders of gewezen zaakvoerders alsmede van alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap - Kennelijk grove fout - Begrip - Handeling die dateert van na de staking van betaling - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 265, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Vrije woorden: Faillissement - Aansprakelijkheid van zaakvoerders of gewezen zaakvoerders alsmede van alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap - Kennelijk grove fout - Begrip - Handeling die dateert van na de staking van betaling - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 265, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de conclusie C.24.0187.N Conclusie van advocaat-generaal F. VROMAN: Eisers komen op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 5 oktober
  2. Door de eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. In deze zaak staat de beoordeling ter discussie die het hof van beroep te Antwerpen heeft gemaakt over de vorderingen ingesteld door de curatoren op grond van artikel 265 Wetboek van Vennootschappen ingesteld tegen de bestuurders van de failliete vennootschap Florabel. Onder meer wordt de beslissing van het hof van beroep te Antwerpen dat de ingestelde vorderingen niet verjaard zijn, in vraag gesteld. Artikel 265, § 1, eerste lid, Wet van Vennootschappen luidde als volgt: “§
  3. Indien bij faillissement van de vennootschap de schulden de baten overtreffen, kunnen zaakvoerders of gewezen zaakvoerders, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement”. II. Het middel. De eisers verwijten de appelrechters artikel 149 Grondwet, artikelen 198, § 1, vierde streepje en 265 Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing ervan voor de opheffing ervan bij wet van 11 augustus 2017, de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 8.17, 8.18 en 5.64 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 33 en 68 van het Koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (verder Koninklijk besluit van 30 januari 2001)
(1)te hebben geschonden: - doordat de beslissing dat de verjaring voor de weerhouden kennelijk grove fout niet werd bereikt, niet wettig verantwoord is omdat de appelrechters met de in het onderdeel aangehaalde motieven niet uitsluit dat de verweerders aan de hand van de gevoerde boekhouding tot 30 december 2013 waarvan zij aanvankelijk in het bezit waren de fouten hadden kunnen ontdekken waardoor het Hof niet kan nagaan of de dagvaarding van 6 april 2020 voor de weerhouden kennelijke grove fout wel tijdig werd uitgebracht binnen de vijf jaar na de afboeking in 2012 (eerste onderdeel, schending van de artikelen 198, § 1, vierde streepje Wetboek van Vennootschappen); - door te oordelen dat de afboeking ter waarde van 702.514, 26 euro zonder enige economische rechtvaardiging in hoofde van eisers alleszins een kennelijk grove fout uitmaakt die heeft bijgedragen tot het faillissement, nu die afboeking gebeurde zonder economische noch financiële verantwoording op het einde van het boekjaar 2012, waarvoor eisers geen verklaring geven, terwijl eisers wel een verklaring gaven over deze boeking in hun syntheseconclusie (nl. in randnummer 57) zodat de appelrechters op dit verweer niet hebben geantwoord (schending artikel 149 Grondwet) en dat de appelrechters tot hun beslissingen (er wordt tweemaal een schending van de bewijskracht aangevoerd (zie tweede onderdeel) kwamen met schending van de bewijskracht van hun appelconclusie (schending van artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 Oud Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 8.17, 8.18 en 5.64 Burgerlijk Wetboek) zodat de appelrechters ook niet wettig konden beslissen dat de voormelde afboeking een kennelijk grove fout uitmaakt die heeft bijgedragen tot het faillissement (schending artikel 265 Wetboek van Vennootschappen); tenslotte is de beslissing dat de voormelde afboeking een kennelijk grove fout uitmaakt die heeft bijgedragen tot het faillissement niet naar recht verantwoord in de mate dat er wordt nagelaten vast te stellen dat het actief van Forabel een substantiële vermindering en daadwerkelijk verlies van een recuperatiemogelijkheid onderging (schending van artikel 265 Wetboek van Vennootschappen en artikel 68 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001; - doordat de beslissing dat de in het onderdeel bedoelde opnames in rekening-courant slechts enkele maanden voor de faillietverklaring hebben bijgedragen tot het faillissement van Forabel, niet wettig verantwoord is nu die opnames op 12 en 19 december 2014 naar de eigen vaststelling van de appelrechters niet hebben bijgedragen tot het faillissement van Forabel die immers op dat ogenblik sedert 21 oktober 2014 reeds in staking van betaling verkeerde (derde onderdeel – schending van artikel 265 Wetboek van Vennootschappen). II.1. Eerste onderdeel. Volgens artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen verjaren door verloop van vijf jaren alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking. Volgens de rechtspraak van het Hof volgt uit deze bepaling dat de verjaring begint te lopen van zodra de verrichtingen niet meer verborgen worden gehouden en de benadeelde derhalve in de mogelijkheid verkeert deze te kennen
(2)en dat die kennis slaat op alle omstandigheden die vereist zijn voor het instellen van de rechtsvorderingen vermeld in deze bepaling
(3). Met het oordeel onder b) van randnummer 3.2.
  1. op pagina 11 tot en met 13 en op pagina 17, geven de appelrechters te kennen dat de curatoren op basis van de boekhoudkundige stukken die initieel in hun bezit waren, de fouten van de bestuurders niet hadden kunnen ontdekken. Hun beslissing dat het slechts bij ontdekking van desbetreffende stukken ten tijde van de overhandiging van de integrale boekhouding op 30 november 2017, is dat de verjaringstermijn is beginnen lopen, is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. II.
  2. Tweede onderdeel. (…) II.
  3. Derde onderdeel. Dit onderdeel is onontvankelijk omdat het opkomt tegen een overtollig motief nu de beslissing van de appelrechters dat eisers op grond van artikel 265 Wetboek van Vennootschappen hoofdelijk worden veroordeeld tot tenlasteneming van een deel van het netto-passief van het faillissement niet alleen steunt op de voorafneming van de gelden in rekening-courant door de eisers op het ogenblik dat de kredieten reeds door de bank waren opgezegd, maar ook op de vergeefs bekritiseerde reden in het tweede onderdeel. Conclusie: Verwerping. ________________________________________________________________________
(1)BS 6 februari 2001, thans opgeheven sinds 1 mei 2019 door het Koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (BS 30 april 2019).
(2)Cass. 19 december 2019, AR C.19.0010.N, arrest niet gepubliceerd, JDSA 2021, 179, RW 2020-2021/4, 136; Cass. 12 september 2013, AR C.13.0045.N, AC 2013, nr. 443 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130912.2.
(3)Cass. 19 december 2019, AR C.19.0010.N, arrest niet gepubliceerd, JDSA 2021, 179, RW 2020-2021/4, 136. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130912.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.