← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra MAGAP bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.14 Rolnummer: F.23.0119.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra MAGAP bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-09-25 Raadplegingen: 232 - laatst gezien 2026-06-15 11:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.14 Fiches 1 - 2 Artikel 67ter, § 1, WIB92 maakt voor de vaststelling van het aantal in dienst zijnde personeelsleden geen onderscheid tussen voltijdse en deeltijdse werknemers

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten Vrije woorden: Vrijstelling bijkomend tewerkgesteld personeel - Aantal in dienst zijnde personeelsleden - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 67ter, § 1 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Vrije woorden: Vrijstelling bijkomend tewerkgesteld personeel - Aantal in dienst zijnde personeelsleden - Berekening Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 67ter, § 1 Tekst van de conclusie F.23.0119.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  1. Situering. Het geschil heeft betrekking op een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van verweerster voor het aanslagjaar 2012, inkomstenjaar
  2. Verweerster vroeg in haar aangifte in de vennootschapsbelasting op grond van artikel 67ter WIB92 de toepassing van de vrijstelling voor bijkomend personeel voor 8 personeelsleden. In deze zaak staat de interpretatie van artikel 67ter WIB92 centraal. Dit artikel voorziet in een vrijstelling voor bijkomend personeel van “belastingplichtigen die op 31 december 1997 of aan het einde van het jaar waarin de uitoefening van hun beroep is aangevangen, als die op een latere datum is begonnen, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, tewerkstellen”. De rechtsvraag heeft betrekking op de berekening van deze grens van minder dan elf werknemers: dienen deeltijdse werknemers als volledige eenheid te worden gerekend, of moeten zij slechts voor hun voltijdse equivalent meetellen? Het Hof van beroep te Brussel oordeelde bij arrest van 6 oktober 2021 dat voor de berekening van de grens van 11 werknemers voor wat de deeltijdse werknemers betreft rekening moet worden gehouden met hun voltijdse equivalenten. Eiser komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  3. Bespreking van het enig middel. 2.
  4. Eiser voert de schending aan van het artikel 67ter WIB92, zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012 evenals van “het algemeen rechtsbeginsel volgens het welke belastingwetten strikt moeten worden uitgelegd” en van het legaliteitsbeginsel vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet. Volgens eiser is artikel 67ter, § 1, WIB92 duidelijk en niet voor enige interpretatie vatbaar. Artikel 67ter, § 1, WIB92 maakt geen onderscheid tussen werknemers die voltijds of deeltijds zijn tewerkgesteld en laat niet toe de prestaties van deeltijdse arbeid om te rekenen naar voltijdse arbeid. Door te beslissen dat artikel 67ter, § 1, WIB92 niet duidelijk is en dat het begrip werknemer moet geïnterpreteerd worden als voltijdse equivalenten, voegt het hof van beroep een voorwaarde toe die niet in art. 67ter, § 1, WIB 92 is voorzien en schendt het aldus de hoger vermelde bepalingen; aldus eiser. 2.
  5. Het middel lijkt mij gegrond. 2.
  6. Krachtens artikel 67ter, § 1, WIB92 worden winst en baten van belastingplichtigen die op 31 december 1997 of aan het einde van het jaar waarin de uitoefening van hun beroep is aangevangen, als die op een latere datum is begonnen, minder dan elf werknemers, in de zin van artikel 30, 1°, tewerkstellen, vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 3720 EUR per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid, waarvan het bruto dag- of uurloon niet hoger is dan 90,32 of 11,88 EUR. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit bedrag van het bruto dag- of uurloon verhogen tot 100 of 13 EUR. 2.
  7. Een vrijstelling voor bijkomend personeel werd voor het eerst ingevoerd bij de Herstelwet van 10 februari 1981 inzake de fiscale en financiële bepalingen
(1). Gedurende vier aanslagperiodes konden KMO’s daarom een vrijstelling van een gedeelte van de belastbare winst genieten, gelijk aan 100.000 F per eenheid waarmee de personeelssterkte verhoogd werd tegenover 31 december 1980 (of op de datum van afsluiting van de rekeningen in 1980 wanneer het ging om belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden)
(2). De maatregel werd hernomen voor de aanslagjaren 1986, 1987, 1988 en 1989 bij artikel 44 van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen
(3): “§
  1. Winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december 1984 of op het einde van het jaar waarin het bedrijf is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan vijftig werknemers, in de zin van artikel 20, 2°, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 20, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek, worden van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 150.000 frank per in België bijkomend tewerkgestelde personeelseenheid. §
  2. De vrijstelling is van toepassing op de winst en op de baten van elk van de jaren 1985 tot en met 1988, of, wanneer het gaat om belastingplichtigen die anders dan per kalenderjaar boekhouden, tijdens ieder van de in de jaren 1986 tot en met 1989 afgesloten boekjaren. §
  3. Het bijkomende personeel wordt vastgesteld door het gemiddeld personeelsbestand van de belastingplichtige tijdens elk van de jaren 1985 tot en met 1988 te vergelijken met dat van het jaar
  4. Er wordt geen rekening gehouden met personeelsleden die voorheen waren tewerkgesteld in ondernemingen waarmee de belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt of waarvan hij de beroepswerkzaamheid geheel of gedeeltelijk voortzet. (…)” (eigen onderlijning) 2.
  5. In een arrest van 19 mei 1995 heeft het Hof uitspraak gedaan over de vraag of de prestaties van deeltijdse werknemers voor de toepassing van artikel 44, § 1, van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen moeten worden omgerekend naar voltijdse equivalenten. Het Hof oordeelde toen duidelijk dat dit niet het geval is en dat deeltijdse werknemers voor een volledige eenheid meetellen bij het bepalen van de grens van 50 werknemers: “Overwegende dat artikel 44, § 1, van de wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, bepaalt dat winst van nijverheids-, handels- of landbouwbedrijven die op 31 december 1984 of op het einde van het jaar waarin het bedrijf is aangevangen, als die aanvang op een latere datum valt, minder dan vijftig werknemers, in de zin van artikel 20, 2°, a, van het Wetboek van de lnkomstenbelastingen
(1964), tewerkstellen, en baten, onder welke naam ook, van vrije beroepen, ambten of posten, en van elke winstgevende bezigheid die niet bedoeld is in artikel 20, 1° en 2°, van datzelfde Wetboek, van de personenbelasting, van de vennootschapsbelasting of van de belasting der niet-verblijfhouders worden vrijgesteld tot een bedrag gelijk aan 150.000 frank per in België tewerkgestelde personeelseenheid; Dat dit artikel, voor de vaststelling van het aantal in dienst zijnde personeelsleden, geen onderscheid maakt tussen voltijdse en deeltijdse werknemers; Overwegende dat het arrest vaststelt dat de verweerders op het einde van het jaar waarin hun bedrijf is aangevangen, weliswaar 60 werknemers in dienst hadden maar dat deze slechts deeltijds in dienst waren; dat het oordeelt: 1. dat het aantal werknemers in dienst moet berekend worden naar analogie van artikel 18 van het koninklijk besluit van 18 oktober 1978; 2. dat eiser bij die berekening geen rekening heeft gehouden met de deeltijdse arbeid verricht door deze personeelsleden; 3. dat eiser onterecht heeft aangenomen dat niet was voldaan aan het voormelde artikel 44; Overwegende dat het arrest aldus artikel 44, § 1, van de wet van 27 december 1984 schendt; Dat het middel gegrond is” (eigen onderlijning)
(4). 2.6. Aangezien uit de wetshistoriek, aangehaald door eiser in de toelichting bij de voorziening p.7-8, blijkt dat de huidige regeling vervat in artikel 67ter WIB92 een voorzetting vormt van de regeling in het artikel 44 van de wet van 27 december 1984, meen ik dat het arrest van het Hof van 19 mei 1995 te dezen dient te worden toegepast. Er mag immers van uit worden gegaan dat de actuele regeling op de punten waarop ze vergelijkbaar is met de oude regeling op dezelfde wijze geïnterpreteerd dient te worden als die oude regeling. Men kan dus aannemen dat voor de vaststelling van het aantal in dienst zijnde personeelsleden onder de huidige regeling de deeltijdse werknemers ook zonder meer moeten worden meegeteld zonder ze om te rekenen naar voltijdse equivalenten
(5). De appelrechter die oordeelt dat bij de vaststelling van het aantal in dienst zijnde personeelsleden de deeltijdse arbeid moet worden bepaald op grond van het aantal gepresteerde uren in vergelijking met de normale arbeidsduur van een voltijdse werknemer, schendt m.i. artikel 67ter WIB
  1. 2.
  2. De door verweerster voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof lijkt mij onvoldoende precies en dient bijgevolg niet te worden gesteld. Verweerster verduidelijkt immers niet op welke manier voltijdse en deeltijdse werknemers zelf gediscrimineerd zouden worden door de betrokken regelgeving. Evenmin is duidelijk hoe die beweerde ongrondwettelijke gelijke behandeling van voltijdse en deeltijdse werknemers de belastingplichtige ondernemingen raakt.
  3. Besluit: Vernietiging. __________________________________________________________________
(1)BS 14 februari 1981.
(2)Parl.St. Kamer 1980-81, nr. 716, 9.
(3)BS 29 december 1984.
(4)Cass. 19 mei 1995, AR F.93.0067.N, AC 1995, nr. 248, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950519.11.
(5)Vgl. VAN DYCK, J. en BUYSSE, C., “Bijkomend personeel: soms ook bij overname personeel”, Fisc., 653, p 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250620.1N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250620.1N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950519.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.