← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 24 juni 2025 ECL

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 189

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het doen ondervragen van getuigen - Aannemelijk verweer van de beklaagde over een onwettige burgerinfiltratie - Vraag van de beklaagde tot het horen van de politieambtenaren die de vermeende burgerinfiltrant zouden hebben aangestuurd - Weigering van het getuigenverhoor om reden dat de getuigen zichzelf zouden kunnen beschuldigen - Onontvankelijkheid van de strafvordering - Mogelijkheid tot herstel van de onregelmatigheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 189

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het doen ondervragen van getuigen - Aannemelijk verweer van de beklaagde over een onwettige burgerinfiltratie - Vraag van de beklaagde tot het horen van de politieambtenaren die de vermeende burgerinfiltrant zouden hebben aangestuurd - Weigering van het getuigenverhoor om reden dat de getuigen zichzelf zouden kunnen beschuldigen - Onontvankelijkheid van de strafvordering - Mogelijkheid tot herstel van de onregelmatigheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 189

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Recht op het doen ondervragen van getuigen - Aannemelijk verweer van de beklaagde over een onwettige burgerinfiltratie - Vraag van de beklaagde tot het horen van de politieambtenaren die de vermeende burgerinfiltrant zouden hebben aangestuurd - Weigering van het getuigenverhoor om reden dat de getuigen zichzelf zouden kunnen beschuldigen - Onontvankelijkheid van de strafvordering - Mogelijkheid tot herstel van de onregelmatigheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 189

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Bewijsvoering - Onderzoek - Regelmatigheid van de procedure - Recht op het doen ondervragen van getuigen - Aannemelijk verweer van de beklaagde over een onwettige burgerinfiltratie - Vraag van de beklaagde tot het horen van de politieambtenaren die de vermeende burgerinfiltrant zouden hebben aangestuurd - Weigering van het getuigenverhoor om reden dat de getuigen zichzelf zouden kunnen beschuldigen - Onontvankelijkheid van de strafvordering - Mogelijkheid tot herstel van de onregelmatigheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 189

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de conclusie P.25.0407.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “Het aannemelijk verweer over de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens de verboden inzet van een burgerinfiltrant (artt. 30 en 32 VT Sv.)”

  1. Procesverloop.
  2. Verweerders worden vervolgd wegens meerdere misdrijven die verband houden met misdrijven over de invoer van cocaïne, in vereniging, en deelname aan een criminele organisatie (tenlasteleggingen A-H), in de periode januari 2019-oktober
  3. In eerste aanleg voerde eerste verweerder F.D. aan dat hij handelde als burgerinfiltrant en de zaak niet in staat van wijzen is, omdat het nodig is politieambtenaren als getuigen te verhoren. Hij zou door drie agenten van de federale politie Kortrijk zijn aangestuurd om samen te werken met een undercoveragent van de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) en clandestien informatie aan te leveren als burgerinfiltrant. Verweerder F.D. zou hebben samengewerkt met ‘M., ‘C. en ‘J., verbonden aan de DEA, om tegen betaling van een dagvergoeding financiële transacties te doen, met de bedoeling om trafiek van cocaïne in kaart te brengen en personen te ontmaskeren die bedrijven inschakelen in de drughandel (blz. 34-38). Na ondertekening van overeenkomsten met de DEA in Brussel in 2018-2019 werkte F.D. nauw samen met ‘M. in deze zaak van invoer van invoer van cocaïne vanuit Suriname in containers met een deklading hout. Na het uitwisselen van berichten in twee chatgroeps, waarvan screenshots zijn genomen, kon de douane containers met drugs aantreffen in een loods in Antwerpen. Voor zijn tussenkomst zou F.D. 5.000 euro hebben ontvangen (blz. 39-41). Verder zou F.D. in opdracht van de DEA twee vermoedelijke drugdealers naar Portugal hebben gelokt en deel te nemen aan een operatie in Spanje om drugtransporten in Spanje te ontdekken (blz. 42-43). De samenwerking met de DEA en FGP Kortrijk zou in juni 2022 zijn stopgezet.
  4. De correctionele rechtbank te West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, heeft bij tussenvonnis van 2 januari 2024 geoordeeld dat: 1° De rechtvaardigingsgrond van het wettelijk voorschrift (art. 70 Sw. 1867) niet van toepassing is, omdat het openbaar ministerie schriftelijk heeft bevestigd dat F.D. geen burgerinfiltrant is en F.D. niet aannemelijk maakt dat hij als ‘runner’ optrad voor een buitenlandse overheid, met medeweten van de Belgische overheden, 2° F.D. niet geloofwaardig maakt dat er sprake is van politionele uitlokking, als grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering (art. 30 V.T.Sv.), of van onoverwinnelijke dwaling, als schulduitsluitingsgrond, ook al blijkt uit de voorgelegde stukken dat F.D. contacten had met iemand die gelinkt was aan de Amerikaanse ambassade, 3° er volgens het openbaar ministerie geen vertrouwelijk dossier bestaat, zodat er geen reden is om de zaak te verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) voor een controle op bijzondere opsporingstechnieken (art. 189ter Sv.) en 4°er geen reden is tot het horen van getuigen. De correctionele rechtbank nam aan dat de zaak in staat van wijzen is en stelde de zaak voor verdere behandeling uit naar de rechtszitting van 6 februari
  5. Voor vijfde verweerder (S.B.) werd dit tussenvonnis op verzet bevestigd op 26 maart
  6. Op hoger beroep van verweerders (beklaagden) heeft het hof van beroep te Gent op 12 februari 2025 beide vonnissen en hervormd en beslist tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. Het hof van beroep heeft de zaak aan zich getrokken (art. 215 Sv.), omdat de eerste rechter alleen uitspraak deed over het al dan niet bestaan van een rechtvaardigings-en schulduitsluitingsgrond (blz. 29-31). Vervolgens oordelen de appelrechters dat verweerder F.D. gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over zijn rol als burgerinfiltrant en die bewering geloofwaardig maakt, gelet op onder meer volgende elementen: 1° de berichten en foto’s in zijn tablet, 2° zijn telefonische contacten buiten de kantooruren met de houder van een oproepnummer gelinkt aan de Amerikaanse ambassade te Brussel, 3° het ontbreken van tegenbewijs geleverd door het openbaar ministerie over een aantal punten die tijdens de debatten naar voor kwamen, 4° de intensieve contacten tussen F.D. en drie agenten van de federale politie te Kortrijk die erop neerkomen dat F.D. werd aangestuurd om zijn activiteiten in de houtsector verder te zetten om de criminele organisatie te ontmantelen, 5°de informatie die via een Sky-ECC telefoon werd uitgewisseld tussen F.D. en agent S.D. van de federale politie over contacten met DEA-medewerker ‘Manny’, waarbij van sommige berichten foto’s (screenshots) zijn genomen (blz. 32-55).
  7. Op basis van deze elementen oordelen de appelrechters dat zij niet kunnen nagaan of F.D. als burgerinfiltrant werd aangestuurd voor het plegen of uitlokken van de drugmisdrijven. De mededeling door het openbaar ministerie dat er geen clandestiene burgerinfiltratie was volstaat niet en de beklaagden zijn gehinderd in hun recht op het doen ondervragen van de drie agenten als getuigen, die niet verplicht zijn om zichzelf te beschuldigen van een onwettige burgerinfiltratie. Het arrest besluit dat het bewijs dat onwettig is verkregen door de inzet van een burgerinfiltrant alle bewijselementen van het dossier aantast en dat het gebruik van die gegevens in strijd is met het recht op een eerlijk proces (art. 32 V.T.Sv.). In de regel leidt het ontoelaatbaar verklaren of uitsluiten van alle bewijsmiddelen wegens de onregelmatigheid ervan of wegens de onmogelijkheid om de wettigheid ervan te onderzoeken niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, die ontstaat door het plegen van het misdrijf zelf. Evenwel is het hof van beroep van oordeel dat in deze zaak het recht van verdediging van alle verweerders in de kern is aangetast en daardoor het recht op een eerlijk proces in zijn geheel onherstelbaar is aangetast. Het besluit is dan ook dat de strafvordering ingesteld tegen alle beklaagden niet kan worden verdergezet en derhalve als onontvankelijk moet worden afgewezen.
  8. Controle op de regelmatigheid van de burgerinfiltratie.
  9. Het bestreden arrest oordeelt dat de verklaringen van de verweerder 1 (F.D.) en de door hem bijgebrachte stukken aannemelijk maken dat er minstens sinds 2017 sprake is van burgerinfiltraties door de DEA, ook in België, waarbij F.D. als burgerinfiltrant duurzaam werd aangestuurd door zijn runner, met medeweten en medewerking van de FGP Kortrijk, meer bepaald de politieambtenaren S.D., B.V. en T.D. (blz. 49-50). De opdracht van F.D. bestond erin te infiltreren in de ‘bovenbouw’, namelijk door bedrijven die meededen in de trafiek van cocaïne, via het aanleveren van dekladingen, in kaart te brengen en de personen achter die bedrijven aan te zetten om verder transacties uit te voeren (blz. 50). Aangezien het gaat om een burgerinfiltratie buiten het wettelijk kader (artikelen 47novies/1, artikel 47novies/2 en 47novies/3 Sv.) en er een vertrouwelijk dossier ontbreekt van het openbaar ministerie, hebben de appelrechters zelf beslist over de onregelmatigheid van het bewijs verkregen door de inzet van een burgerinfiltrant. Het standpunt om aan de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) geen wettigheidscontrole te vragen steunt onder meer op volgende redenen: het openbaar ministerie stelt dat er geen sprake is van een burgerinfiltratie in België door de verweerder 1 (F.D.). Het horen van de politie-inspecteurs zal geen nieuwe informatie opleveren en er is evenmin sprake van onoverwinnelijke dwaling. Indien F.D. afspraken zou hebben gemaakt met de Amerikaanse autoriteiten, dan betreft dit een zaak tussen hemzelf en die autoriteiten. Die autoriteiten kunnen geen afspraken maken die de Belgische autoriteiten binden. Op geen enkel moment hebben de Belgische autoriteiten verbintenissen aangegaan met de Amerikaanse autoriteiten over burgerinfiltratie, waarbij F.D. toelating zou hebben om in België strafbare feiten te plegen (blz. 35-36); er is geen enkel stuk waaruit een controle blijkt van de inhoud en het verloop van de burgerinfiltraties en waaruit men kan afleiden of het aan F.D. toegelaten was strafbare feiten te plegen, en zo ja welke. Het is ook niet duidelijk of er sprake was van aansturing van F.D. door de DEA en de FGP Kortrijk tot het uitlokken van strafbare feiten en of er maatregelen zijn genomen ter bescherming van F.D. als burgerinfiltrant. Bijgevolg is het voor het hof van beroep eenvoudigweg onmogelijk na te gaan of er een onwettige burgerinfiltratie plaatsvond en of de misdrijven die ten laste worden gelegd van alle beklaagden al dan niet werden uitgelokt, zoals zij beweren (blz. 56-57); de regelmatigheidscontrole door de kamer van inbeschuldigingstelling zoals bepaald in de artikelen 235ter en 235quater Sv. en de bijkomende controle bepaald voor de burgerinfiltratie in artikel 235quinquies Sv. konden bij gebrek aan formeel dossier niet worden uitgevoerd (blz. 57); bij gebrek aan enig stuk in verband met de door beklaagde F.D. uitgevoerde infiltraties is het hof van beroep om dezelfde reden in de volstrekte onmogelijkheid om alsnog deze infiltraties te onderwerpen aan de toetsing van de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van artikelen 189ter Sv. Dergelijke toetsing zou immers, bij gebrek aan een vertrouwelijk dossier, volstrekt zinledig zijn (blz. 57); ten overstaan van deze vaststelling kan het openbaar ministerie niet worden gevolgd in haar verweer dat er geen (wettelijke) burginfiltratie in België is geweest en dat eventuele afspraken met de Amerikaanse autoriteiten de Belgische autoriteiten, die hiervan niet op de hoogte zouden zijn geweest, geenszins verbinden (blz. 57); het gegeven dat het openbaar ministerie, zoals voorgehouden, niet op de hoogte zou zijn geweest van deze clandestiene en bijgevolg onwettige infiltraties op Belgisch grondgebied, laat immers de vaststelling onverlet dat de betrouwbaarheid van het uit het gevoerde strafonderzoek verkregen bewijs is aangetast (blz. 57);
  10. In een eerste middel, eerste onderdeel, werpt eiser op dat het arrest ten onrechte aanneemt dat een wettigheidcontrole door de kamer van inbeschuldigingstelling (K.I.) niet mogelijk is als er een vertrouwelijk dossier ontbreekt. De vonnisrechter is niet in staat om de grief van de verweerders over het aanwenden van burgerinfiltraties te beoordelen. Bij het vaststellen van een wettigheidsincident over de burgerinfiltratie tijdens het proces ten gronde dient het hof van beroep de zaak via het openbaar ministerie voor te leggen aan de K.I. wegens de dwingende vereisten van vertrouwelijkheid, het afschermen van politionele onderzoekstechnieken en het afschermen van de identiteit van een eventuele informant of burgerinfiltrant en van politieambtenaren die instaan voor een bijzondere opsporingsmethode. De K.I. kan een grondige objectieve controle verrichten door het horen van de onderzoeksrechter, politieambtenaren en de burgerinfiltrant zelf, waarbij de identiteit van de betrokkenen wordt afgeschermd. Door zelf te oordelen over het wettigheidsincident bestaande in de ogenschijnlijke aanwending van illegale burgerinfiltraties, eigenen de appelrechters zich de rechtsmacht toe van de K.I. en besluiten zij op voorbarige wijze tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. Bovendien oordelen de appelrechters te snel en voorbarig over de onontvankelijkheid van de strafvordering wegens een onherroepelijke aantasting van het recht van verdediging, door de wettelijk voorziene controle door de K.I. op de burgerinfiltratie bij voorbaat zelf uit te sluiten. Hierdoor is de bestreden beslissing in strijd met artikel 13 Grondwet en de artikelen 189ter en 235ter Sv.
  11. Beoordeling. Burgerinfiltratie is volgens art. 47novies/1, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv.) het door een meerderjarige persoon die geen politieambtenaar is (burgerinfiltrant genoemd), desgevallend onder een fictieve identiteit, duurzaam en gestuurd contact onderhouden met een of meerdere personen ten aanzien van wie er ernstige aanwijzingen zijn dat zij een bepaald strafbare feiten plegen of zouden plegen

(1). Het gaat om een strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 Sv. (over het afluisteren van elektronische communicatie), met uitzondering van artikel 90ter, § 2, 11° Sv., gepleegd zijn of zouden worden gepleegd worden in het kader van een criminele organisatie (artikel 324bis Strafwetboek) of een strafbare feiten bedoeld in boek 2, titel Iter van het Sw. (terrorisme, art. 137-141ter Sw.).
  1. De burgerinfiltratie is als bijzondere onderzoeksmethode onderworpen aan een strikt wettelijk kader (met voorwaarden van subsidiariteit, proportionaliteit en gerechtelijke doeleinden) en moet worden voorafgegaan door een machtiging van de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, met het voorafgaande akkoord van de federale procureur, te bewaren in het vertrouwelijk dossier (art. 47novies/2 en 47novies/3 Sv.). De burgerinfiltrant tekent een memorandum dat onder meer melding maakt van zijn identiteit, zijn rechten en plichten, en de maatregelen gericht op de bescherming van zijn veiligheid en integriteit. Hij verbindt zich in het memorandum om oprechte en volledige verklaringen af te leggen betreffende de zaak waarin hij als burgerinfiltrant is ingeschakeld (art. 47novies/2, §2 Sv.). Van het bestaan van het memorandum ontvangt de procureur des Konings een verslag, dat aan het vertrouwelijk dossier wordt toegevoegd (art. 47novies/2, §3 Sv.).
  2. Van elke fase van de uitvoering van de burgerinfiltratie wordt door de BTS-officier aan de procureur des Konings verslag uitgebracht aan de hand van de contacten die de begeleidingsambtenaren met de burgerinfiltrant onderhouden (art. 47novies/3, § 1 Sv.)
(2). Het is de burgerinfiltrant en de begeleidings- en controleambtenaren principieel verboden strafbare feiten te plegen (art. 47novies/1, § 3, lid 1 Sv.). De burgerinfiltrant en de begeleidings- en de controleambtenaren mogen strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen, mits voorafgaand schriftelijk akkoord van de procureur des Konings. Het gaat daarbij om een strafuitsluitende verschoningsgrond. Deze strafbare feiten mogen in geen geval ernstiger zijn dan deze waarvoor de burgerinfiltratie wordt aangewend, ze moeten evenredig zijn met het nagestreefde doel en mogen geen afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen (art. 47novies/1, § 3, lid 2 en 3 Sv.)
(3). Indien het bewijs door burgerinfiltratie regelmatig is verkregen, mag dit enkel dienen om ander regelmatig bekomen bewijs te ondersteunen (art. 47novies/3, § 3 Sv.)
(4). 10. Artikel 189ter, eerste lid, Sv. bepaalt dat de vonnisrechter, op basis van concrete gegevens die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter Sv., hetzij ambtshalve, hetzij op vordering of verzoek van partijen, de kamer van inbeschuldigingstelling kan gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie uit te oefenen met toepassing van vermeld artikel 235ter Sv. Met concrete gegevens worden bedoeld gegevens die geloofwaardig overkomen, welomschreven, duidelijk en bepaald zijn
(5), dus meer inhouden dan een loutere bewering van een onregelmatige inzet van een burgerinfiltrant. Buiten dat geval kan de vonnisrechter of het Hof van Cassatie bij wettigheidsincidenten met betrekking tot de controle op de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie, de zaak aan het openbaar ministerie overzenden teneinde deze bij de bevoegde kamer van inbeschuldigingstelling aan te brengen voor de in artikel 235ter bepaalde controle (art. 189ter, vierde lid, Sv.). 11. Op grond van artikel 235ter, § 1, Sv. onderzoekt de kamer van inbeschuldigingstelling aan het einde van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, op vordering van het openbaar ministerie, de regelmatigheid van onder meer de burgerinfiltratie. Daarbij worden volgens artikel 235ter, § 3 en § 4, Sv. de gegevens van het strafdossier getoetst aan de informatie opgenomen in het vertrouwelijk dossier, zoals onder meer de verplichte machtiging tot de bijzondere opsporingsmethode van de bevoegde magistraat (artikelen 47sexies, § 3, 47octies, § 3 en 47novies/1, § 4 Sv.).
(6)Daarnaast kan de K.I. de onderzoeksrechter, de politieambtenaren belast met de inzet van de burgerinfiltrant, de begeleidingsambtenaren en de burgerinfiltrant zelf horen (art. 235ter, § 2 Sv.)
(7). In het geval van de controle tijdens de vonnisfase (art. 189ter Sv.) houdt de K.I. (bijkomend) rekening met concrete gegevens die zijn ontdekt in die fase ten gronde, al dan niet na haar eerdere controle verricht volgens artikel 235ter Sv. bij afsluiting van het vooronderzoek
(8). 12. Zo de K.I. die optreedt in de fase ten gronde onregelmatigheden vaststelt, bij nazicht van het vertrouwelijk dossier, staat het aan de vonnisrechter te beslissen over het gevolg dat hij daaraan moet geven
(9). Het komt alleen de feitenrechter toe de regelmatigheid van de bewijsgaring te onderzoeken
(10). De vonnisrechter blijft overigens het strafdossier onder zich houden
(11). Zoals verweerder 3 in zijn memorie van antwoord aangeeft, komt het de K.I. die in de fase ten gronde tussenkomt op basis van art. 189ter Sv. niet toe om zich aan de regelmatigheid van de gehele procedure uit te spreken
(12). 13. Uit vermelde bepalingen en rechtspraak vloeit niet voort dat de K.I. zich als enige instantie zou mogen of moeten uitspreken over de regelmatige toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie. In de vonnisfase is de controle op bijzondere opsporingsmethoden facultatief en beperkt tot het nazicht van gegevens in het vertrouwelijk dossier. Artikel 189ter Sv. bevat de term ‘kan’ en laat toe dat de vonnisrechter zelf de regelmatigheid beoordeelt van een bijzondere opsporingsmethode, ambtshalve of op initiatief van een partij
(13). Hij moet de zaak alleen overmaken voor een eerste of bijkomende controle door de K.I. als het nodig is de regelmatigheid van reeds gekende gegevens in het open strafdossier of van bijkomende gegevens, aangebracht in de vonnisfase, te beoordelen aan de hand van informatie in het vertrouwelijk dossier
(14). Bij die gelegenheid kan de K.I. aan de hand van de gegevens ontdekt tijdens het onderzoek ter terechtzitting en de informatie in het vertrouwelijk dossier vaststellen dat er geen infiltratie door een burger heeft plaatsgevonden
(15). Tot dat vertrouwelijk dossier heeft de vonnisrechter immers geen toegang (art. 235ter, § 3 Sv.)
(16). 14. Wanneer voor de vonnisrechter wordt aangevoerd dat de toegepaste bijzondere opsporingsmethode onregelmatig is en de beoordeling van die onregelmatigheid geen inzage in het vertrouwelijk dossier van de observatie vereist, dan kan de vonnisrechter de kamer van inbeschuldigingstelling niet op grond van artikel 189ter Sv. gelasten met een controle over de toepassing van de observatie overeenkomstig artikel 235ter Sv
(17). Het komt de vonnisrechter toe om aan de hand van concrete gegevens in het strafdossier of aangebracht door de partijen uit te maken of hij zonder een (bijkomende) controle uitgeoefend door de K.I. uitspraak kan doen over de regelmatigheid van een bijzondere opsporingsmethode, zoals de inzet van een burgerinfiltrant, en van bewijsgegevens die daardoor zijn verkregen. Daarbij kan hij rekening houden met het gegeven dat er volgens het openbaar ministerie geen bijzondere opsporingsmethode is toegepast of er geen vertrouwelijk dossier bestaat over het gevoerde onderzoek
(18). Ontbreekt er een vertrouwelijk dossier, dan heeft het weinig zin dat de K.I. in de fase ten gronde tussenkomt, temeer daar de K.I. zich in die procesfase niet over de regelmatigheid van onderzoeksdaden of over de ontvankelijkheid van de strafvordering kan uitspreken
(19). Mr. H. Berkmoes stelt m.i. terecht over art. 189ter Sv., als samenvatting: “De K.I. heeft dus geen monopolie over het toezicht op de eerbiediging van de wettelijke voorschriften over bijzondere opsporingsmethoden; art. 189ter Sv. is facultatief en verbiedt het vonnisgerecht niet zelf de opgeworpen grieven te onderzoeken, voor zover de voorgelegde stukken (van het open dossier) deze controle toestaan”
(20). Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt aldus naar recht.
  1. Mij komt voor dat het bestreden arrest met voldoende redenen en wettig oordeelt dat de strafvordering niet-ontvankelijk is wegens de onwettige inzet van een burgerinfiltrant en het recht van verdediging dat daardoor ernstig en onherstelbaar is aangetast, voor alle beklaagden, zonder dat de kamer van inbeschuldigingstelling vooraf uitspraak zou moeten doen over de wettigheid van de burgerinfiltratie, overeenkomstig artikel 189ter Sv. Daarmee eigenen de appelrechters zich geen rechtsmacht toe die alleen zou toekomen aan dit onderzoeksgerecht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Verder gaat eiser er m.i. ten onrechte van uit dat als de vonnisrechter het verweer over een onwettige burgerinfiltratie geloofwaardig acht, hij verplicht is de politieambtenaren die betrokken zouden zijn bij die bijzondere opsporingsmethode te ondervragen als getuigen, alvorens zelf te beslissen over de regelmatigheid van het bewijs. In zoverre faalt het middel naar recht.
  3. Wat betreft de kritiek van eiser dat de appelrechters ‘te snel en voorbarig’ hebben beslist over een onregelmatige opsporing die de rechten van verdediging ernstig en onherroepelijk aantast, los van het gegeven dat de K.I. niet werd ingeschakeld voor een wettigheidscontrole, is het middel niet-ontvankelijk, omdat het opkomt tegen een beoordeling van feitelijke gegevens of het Hof zou verplichten tot een onderzoek van feiten. Het is de feitenrechter die onaantastbaar oordeelt of het bewijsmateriaal onregelmatig is bekomen, gelet op de criteria van art. 32 V.T.Sv., en of de onregelmatigheid aanleiding geeft tot alleen uitsluiting van bewijsgegevens dan wel tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering
(21). Daarbij ziet het Hof wel toe op de wettigheid van de motieven
(22).
  1. Tenslotte ben ik van mening dat het oordeel dat drie politieambtenaren van de federale politie zich ‘ogenschijnlijk de facto de rol van begeleidingsambtenaar in de zin van artikel 47novies/1, § 2 lid 5 Sv. hebben aangemeten’ niet getuigt van vooringenomenheid of van inmenging in een bevoegdheid die alleen aan de K.I. toekomt. Hetzelfde geldt voor de overweging dat deze agenten vanwege het onwettig karakter van de burgerinfiltratie zich niet kunnen beroepen op de ‘strafrechtelijke immuniteit’ die in art. 47novies/1, § 3 Sv. is toegekend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  2. Het verhoor van politieambtenaren als getuigen.
  3. Nadat op basis van onder meer het telefonieonderzoek is vastgesteld dat “minstens aannemelijk werd gemaakt dat er sprake is van clandestiene en bijgevolg onwettige burgerinfiltraties buiten het wettelijk kader”, waardoor de mogelijkheid tot het toetsen van de betrouwbaarheid van bewijsgegevens onherroepelijk is aangetast (blz. 56), stelt het hof van beroep dat het horen van drie agenten van de FGP Kortrijk (S.D., B.D. en T.C) ‘evenzeer problematisch is’, om volgende reden (blz. 57-58): “Alwaar zij ogenschijnlijk-minstens feitelijk- F.D. (eerste beklaagde) hebben begeleid en aangestuurd in de uitvoering van zijn opdrachten, en zich bijgevolg ogenschijnlijk de facto de rol van begeleidingsambtenaar in de zin van artikel 47novies/1, § 2, lid 5 Sv. hebben aangemeten, genieten zij, omwille van het onwettig karakter van de burgerinfiltratie niet van de bij artikel 47novies/1, § 3, lid 2 Sv. voorziene immuniteit (de strafuitsluitende verschoningsgrond) en kunnen zij als getuige niet verplicht worden zichzelf te incrimineren. Hierdoor worden de beklaagden bijkomend aangetast in hun recht van verdediging, dat ook het recht op het horen van getuigen (à charge en à décharge-art. 6.3.d EVRM) en op een daadwerkelijke tegenspraak inhoudt”.
  4. In zijn tweede onderdeel voert eiser aan dat deze motivering op drie punten in strijd is met artikel 6 EVRM: 1° het oordeel over agenten die “ogenschijnlijk” de rol van begeleidingsambtenaar van een burgerinfiltrant opnemen loopt vooruit op deze mogelijke getuigenverklaringen, wat indruist tegen de neutraliteit en onpartijdigheid die van de rechter kan verwacht worden (art. 6.1 EVRM), 2° de veronderstelling dat de agenten zichzelf zullen incrimineren, omdat zij geen aanspraak maken op de verschoningsgrond voor een begeleidingsambtenaar, is in strijd met het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM) en 3° de redenen voor het niet-horen van de agenten als getuigen gaan in tegen de toepasselijke regels met betrekking tot artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM.
  5. Beoordeling. Getuigen die de eed moeten afleggen van het spreken van de gehele waarheid en niets dan de waarheid (art. 155, 189 en 211 Sv.) zijn niet verplicht te antwoorden op vragen als zij zich daardoor zouden beschuldigen van een misdrijf
(23), of als zij houder zijn van een beroepsgeheim (art. 458 Sw.)
(24)of als zij een wettelijke verschoningsgrond kunnen inroepen, zoals het afschermen van de identiteit van een burgerinfiltrant (art. 47novies/2, § 4 Sv.) of van een informant (art. 47decies, § 4 Sv.)
(25). In een zaak waarin de beklaagde verweer voerde over provocatie door de politie (art. 30 V.T.Sv.)
(26)en het verhoor vroeg als getuige van een undercoveragent die betrokken was bij een infiltratie, nam uw Hof op 23 januari 2024 aan dat als de rechter het verhoor afwijst om reden van “een ernstige reden voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de terechtzitting kunnen verantwoorden”, hij een eventuele afwijzing van dit verzoek moet motiveren in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak. Een afwijzing die wordt onderbouwd met redenen die inhouden dat nooit moet worden ingegaan op het verzoek tot verhoor van een undercoveragent die bij een infiltratie betrokken was voldoet niet aan die verplichting
(27). De redenen ingeroepen om een politieambtenaar niet op de terechtzitting te ondervragen als getuige mogen niet zo algemeen van aard zijn dat “ze kunnen worden gebruikt ter afwijzing van elk verzoek tot het horen van een undercoveragent als getuige en dit ongeacht de bijzondere modaliteiten die kunnen worden bevolen om een dergelijk getuigenverhoor in veilige omstandigheden te laten plaatsvinden”
(28).
  1. Deze beginselen lijken mij enkel aan de orde als de rechter het verhoor van de politieambtenaar noodzakelijk acht om uit te maken of het aannemelijk verweer van een beklaagde over politionele provocatie of onregelmatige opsporingstechnieken gegrond is. Indien de rechter op basis van elementen los van de beweringen van de beklaagde (zoals een telefonieonderzoek) vaststelt dat de politieambtenaar op een onregelmatige manier bewijs heeft vergaard, en er sprake is van een clandestiene burgerinfiltratie, lijkt mij dat de rechter het verhoor van de politieambtenaar kan afwijzen als niet-noodzakelijk voor de waarheidsvinding. Deze beoordelingsmarge is naar mijn mening niet in strijd met het vermoeden van onschuld of de rechten van verdediging. Dat de rechter zich daarbij baseert op een algemene reden zoals het recht van getuigen om zichzelf niet te beschuldigen, zonder verduidelijking van concrete gegevens van de zaak, kan als overtollige reden niet leiden tot cassatie. In zoverre is het onderdeel niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang.
  2. Ondergeschikt kan worden opgemerkt dat eiser in cassatie (O.M.) aanvoert dat de beslissing om de drie politieambtenaren niet te ondervragen als getuige in strijd is met de regels die voortvloeien uit de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, wat het standpunt inhoudt dat het verhoor nodig was om een bewijsincident te beslechten. Tijdens de beroepsprocedure gaf eiser (O.M.) evenwel aan dat het horen van deze politieambtenaren “geen nieuwe informatie zal opleveren”, omdat er geen sprake is van een burgerinfiltratie in België (blz. 35 arrest en PV van de terechtzitting van 18 december 2024, st. 60). Het openbaar ministerie heeft geen beroepsconclusie ingediend en gaf tijdens de debatten niet aan dat het verhoor van de drie politieambtenaren nodig zou zijn, zo het hof van beroep zou oordelen dat het verweer van verweerders over de onwettige burgerinfiltratie aannemelijk was. De vraag tot het horen van getuigen ging alleen uit van de beklaagden, als verweerders in cassatie (blz. 27-31). Naar mijn mening kon het hof van beroep in deze omstandigheden wettig oordelen dat als de gegevens in het strafdossier het standpunt van verweerders van een clandestiene burgerinfiltratie minstens aannemelijk maken, het niet noodzakelijk of gepast is om de politieambtenaren betrokken bij die burgerinfiltratie te horen onder eed als getuigen à charge, wegens het risico op zelfincriminatie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. (…)
  3. Het schriftelijk karakter van het strafproces.
  4. Verder stelt eiser in zijn derde onderdeel dat het hof van beroep de bewijskracht miskent van enkele stukken, door ten onrechte aan te nemen dat een clandestiene burgerinfiltratie heeft plaatsgevonden. Het gaat om 1°de brief van de eiser (O.M.) van 23 juni 2023, dit is een authentiek stuk, waarin zijn ambt bevestigt dat de verweerder F.D. geen burgerinfiltrant is en dat er geen vertrouwelijk dossier bestaat zoals bedoeld in art. 47novies/3 Sv., 2°het proces-verbaal 110961/2024 van 22 oktober 2024, waarin verweerder F.D. formeel verklaart niet te zijn aangestuurd door de Belgische federale politie en 3°andere stukken van het strafdossier’. Tenslotte stelt eiser: “De appelrechter stelt dat er een burgerinfiltratie is geweest, doch het dossier bevat daar geen stukken van. Dit zou wel het geval geweest zijn mocht er effectief een burgerinfiltratie hebben plaatsgevonden. Door ten onrechte voor te houden dat er onderzoekshandelingen zijn gesteld die niet in een proces-verbaal zijn vervat, worden tevens de artikelen 29, §1, 154 al.1 en 189 Sv. geschonden”.
  5. Beoordeling. Volgens artikel 29, § 1 Sv. dient onder meer iedere gestelde overheid en ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, daarvan verplicht en dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden, en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen
(29). Deze bepaling houdt in dat de politie strafbare feiten moet aangeven en alle nuttige inlichtingen in een proces-verbaal moet vermelden, in het voordeel of nadeel van de verdachte, wat aansluit op de plicht tot loyauteit van de politie
(30).
  1. Er is geen onweerlegbaar vermoeden dat het strafdossier bij aanvang van het proces ten gronde volledig is en de rechter is niet verplicht om in zijn oordeel over de regelmatigheid van het bewijs uitsluitend rekening te houden met processen-verbaal. De rechter die aan de hand van concrete gegevens aangebracht door de beklaagde meent dat bewijsmateriaal afkomstig is van onwettige onderzoeksdaden, die in geen enkel proces-verbaal zijn vermeld, neemt dan ook geen beslissing die in strijd zou zijn met art. 29 Sv. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  2. Artikel 154, eerste lid, Sv. bepaalt dat: “De overtredingen worden bewezen hetzij door processen-verbaal of verslagen, hetzij door getuigen bij ontstentenis van verslagen en processen-verbaal of tot staving ervan”. Artikel 154, tweede lid, Sv., stelt dat: ‘Niemand wordt op straffe van nietigheid, toegelaten om door getuigen bewijs te leveren boven of tegen de inhoud van de processen-verbaal of verslagen van de officieren van politie aan wie de wet bevoegdheid verleent om wanbedrijven of overtredingen vast te stellen zolang er geen betichting van valsheid is. De processen-verbaal en verslagen daarentegen, opgemaakt door agenten, aangestelden of officieren aan wie de wet niet het recht verleent om geloofd te worden zolang er geen betichting van valsheid is, kunnen bestreden worden met tegenbewijzen, hetzij door geschrift, hetzij door getuigen, indien de rechtbank het geraden oordeelt ze toe te laten”. Deze voorschriften gelden volgens artikel 189 Sv. ook in correctionele zaken.
  3. Een brief waarin het openbaar ministerie bevestigt dat een beklaagde geen burgerinfiltrant is, maakt geen authentiek stuk uit dat bewijswaarde heeft tot inschrijving wegens valsheid
(31). Het is bijgevolg toegestaan dat beklaagden (verweerders) gegevens aanbrengen om aan te tonen, minstens geloofwaardig te maken, dat er tijdens het strafonderzoek wel gebruik werd gemaakt van een burgerinfiltrant, zonder dat aan de wettelijke voorwaarden voor die bijzondere onderzoeksmethode is voldaan. 35. Verder kan men uit de artikelen 154, eerste lid, en 189 Sv. niet afleiden dat de rechter zomaar geloof moet hechten aan de mededeling in een proces-verbaal of brief van het openbaar ministerie dat een bepaald feit niet heeft plaatsgevonden, zoals de inzet van een burgerinfiltrant. Het is niet omdat er over een clandestiene samenwerking tussen de politie en een burgerinfiltrant processen-verbaal ontbreken, wat in die context geloofwaardig kan zijn, dat de rechter moet aannemen dat de opsporing regelmatig verliep. Op basis van informatie die de beklaagden toevoegen aan het strafdossier kan de rechter oordelen, in strijd met wat de politie en het openbaar ministerie vermelden in processen-verbaal of andere stukken, dat er tijdens het strafonderzoek toch een onwettige samenwerking tot stand kwam tussen de politie en een beklaagde die optrad als burgerinfiltrant. Eiser stelt correct dat het schriftelijk dossier van de onderzoeksrechter “de basis vormt van de rechtspleging voor de onderzoeks- en vonnisgerechten”. Dit standpunt houdt evenwel niet in dat het strafdossier de enige basis voor de schuldbeoordeling zou zijn. Het strafdossier kan steeds worden aangevuld met gegevens die tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan het licht komen en aan tegenspraak zijn onderworpen
(32). Voor zover eiser uitgaat van een andere opvatting, faalt het onderdeel m.i. naar recht. 36. Verder lijkt mij het arrest geen uitlegging te geven van brief van de eiser van 23 juni 2023 of van de verklaringen van de verweerder F.D. in het proces-verbaal van 22 oktober 2024, maar enkel de bewijswaarde van die stukken te beoordelen. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van die stukken niet miskennen
(33). In zoverre mist het onderdeel gesteund op de artikelen 8.1, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek feitelijke grondslag. Voor zover eiser stelt dat het arrest de bewijskracht van ‘andere stukken van het strafdossier’ miskent, zonder die stukken aan te duiden, is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Er bestaat overigens geen algemeen rechtsbeginsel van het schriftelijk karakter van het gerechtelijk onderzoek
(34). (…)
  1. Redenen voor de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.
  2. In zijn derde middel komt eiser op tegen het oordeel (blz. 58) dat de strafvordering ten aanzien van de verweerders als niet-ontvankelijk moet worden afgewezen, omdat het recht van verdediging in de kern is aangetast, aangezien op basis van de stukken aangebracht door de verweerder F.D. minstens aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van clandestiene en bijgevolg onwettige burgerinfiltraties en dat de eiser het tegenbewijs niet levert.
  3. Volgens eiser motiveert het arrest niet waarom het voorbijgaat aan de brief van de eiser van 23 juni 2023, als authentiek stuk, waarin expliciet wordt bevestigd dat de verweerder F.D. geen burgerinfiltrant is en dat de Belgische autoriteiten desbetreffend op geen enkel ogenblik verbintenissen met de Amerikaanse autoriteiten hebben aangegaan. Het arrest (p. 48) verwijst naar een aantal punten die het openbaar ministerie (eiser) niet heeft onderzocht, hoewel dat kon, zoals het nazicht van het bestaan van rechtshulpverzoeken uitgaande van de Amerikaanse justitie en de identificatie van een Spaans oproepnummer (-974) dat zou toebehoren aan de Spaanse UCA. Het arrest motiveert niet waarom dat aanvullend onderzoek belangrijk zou zijn voor de beoordeling van de feiten en als mogelijk tegenbewijs van het geloofwaardig verweer van beklaagden van provocatie en dwaling. Bovendien hebben de appelrechters hebben de eiser niet uitgenodigd tot het voeren van dat aanvullend onderzoek, wat in strijd is met de motiveringsplicht en het fair-trial beginsel.
  4. Ten tweede voert eiser aan dat de appelrechters de inhoud miskennen van de verklaringen waarin de verweerder 1 (F.D.) herhaaldelijk aangeeft dat hij niet werd aangestuurd door de federale gerechtelijke politie (FGP) te Kortrijk. Zij oordelen ten onrechte dat het niet aannemelijk is dat de contacten tussen de verweerder 1 (F.D.) en de FGP Kortrijk kunnen worden gekaderd in het louter passief verzamelen van informatie omtrent cocaïnetransporten. Het arrest motiveert zodoende niet op welke wijze het rechtmatig tot het oordeel komt dat de FGP Kortrijk heeft meegewerkt aan de beweerde burgerinfiltratie door verweerder F.D. en die verweerder zelf zou hebben gestuurd, aangezien F.D. het tegenovergestelde verklaart. Ten slotte oordelen de appelrechters over geen stukken te beschikken om na te gaan of er sprake is geweest van aansturing van de verweerder F.D. door de DEA en FGP Kortrijk, om daarna te oordelen dat de verbalisanten ogenschijnlijk, minstens feitelijk, F.D. hebben begeleid en aangestuurd in de uitvoering van zijn opdrachten. Uit al deze elementen volgt volgens eiser dat het arrest over het aannemelijk verweer van een burgerinfiltratie tegenstrijdig en niet-afdoend gemotiveerd.
  5. Beoordeling. De appelrechters oordelen niet dat dat zij over geen stukken beschikken om na te gaan of er sprake is geweest van aansturing van de verweerder F.D. door de DEA en FGP Kortrijk, maar wel dat zij over geen stukken beschikken om na te gaan of er sprake is geweest van aansturing van de verweerder 1 door de DEA en de FGP Kortrijk tot het uitlokken van strafbare feiten (blz. 56-57). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  6. Het bestreden arrest geeft aan dat er geen enkel stuk voorligt waaruit blijkt dat de inhoud en het verloop van de burgerinfiltratie werd gecontroleerd, het voor burgerinfiltrant F.D. was toegelaten bepaalde strafbare feiten te plegen en of er maatregelen werden genomen ter bescherming van F.D. als burgerinfiltrant. Ook met deze redenen, niet specifiek betwist in het middel, kon het hof van beroep naar mijn mening wettig beslissen dat het onmogelijk is de regelmatigheid van het bekomen bewijs na te gaan, ook ten aanzien van de andere verweerders. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. Wanneer de beklaagde aannemelijk maakt dat belastend bewijs onregelmatig is bekomen (vb. door provocatie door de politie) of dat de plicht tot loyauteit in de bewijsgaring is miskend, in dit geval door een niet-toegelaten inzet van een burgerinfiltrant, mag de rechter verwachten dat het openbaar ministerie het tegenbewijs levert of minstens aanvullende informatie aanbrengt om de beweringen van de beklaagde te toetsen
(35). Uit het arrest blijkt dat beklaagden in conclusie en op de terechtzitting een nauwkeurig verweer voerden over een burgerinfiltratie die niet voldoet aan de voorwaarden van art. 47novies/1 Sv. Het openbaar ministerie diende geen conclusie in en gaf op de terechtzitting alleen aan dat 1° er geen sprake is van een burgerinfiltratie in België door eerste verweerder F.D.; 2° het horen van drie politie-inspecteurs van de FGP Kortrijk (S.R, B.V en T.D.) geen nieuwe informatie zal opleveren en 3° er evenmin sprake is van onoverwinnelijke dwaling (blz. 36). 48. Naar mijn mening kon het openbaar ministerie uit de aangebrachte stukken en het debat afleiden dat er betwisting was over de regelmatigheid van de opsporing en over de mogelijkheid tot tegenspraak van verweerders over de bewijsgaring, waarbij hun betwisting meer inhield dan een loutere bewering van een clandestiene burgerinfiltratie. Het is aan het openbaar ministerie zelf om in die context te oordelen over eventuele bijkomende onderzoeksdaden, bedoeld om de concrete gegevens te controleren waarop de beklaagden zich steunen voor hun eis tot uitsluiting van bewijsmateriaal of zelfs de onontvankelijkheid van de strafvordering. Daarvoor moet het openbaar ministerie niet wachten op eventuele aanwijzingen van de vonnisrechter
(36). Het feit dat de vonnisrechter meent dat het openbaar ministerie naliet bepaalde aspecten in een geloofwaardig verweer over onregelmatig bewijs te onderzoeken, zonder die aspecten vooraf mee te delen of aanwijzingen te geven over het te leveren tegenbewijs, lijkt mij geen motiveringsgebrek in te houden. In zoverre faalt het middel naar recht.
  1. Het bestreden arrest haalt uitvoerig de redenen aan die de beklaagden aanbrachten om hun verweer te staven over een clandestiene burgerinfiltratie, zoals een stuk van gerechtsdeurwaarder G.B., de screenshots van whatsapp-berichten, het verslag van een technisch raadsman van F.D. over zijn telefonische contacten met de Amerikaanse ambassade in de periode van de tenlastegelegde feiten en de aanvullende verhoren van F.D. over de samenwerking van F.D. met de Amerikaanse DEA en de federale politie te Kortrijk als burgerinfiltrant in meerdere zaken van invoer van cocaïne (blz. 36-48).
  2. De appelrechters stellen daarna vast dat de beklaagden (verweerders) stukken voorleggen die een begin van bewijs inhouden en het openbaar ministerie nalaat het tegenbewijs te leveren, hoewel het wel degelijk vijf feiten kon onderzoeken, meer bepaald 1° de omstandigheden van de arrestatie in België van R.H. en F.C (volgens verweerder F.D. belangrijke figuren in de drugwereld die hij ontmoette in april 2020 in een Spaans restaurant in Antwerpen), 2° de identificatie van de houder van een oproepnummer (-693), dat volgens F.D. toebehoort aan politieambtenaar T.D., 3° de verificatie waarom politieambtenaar S.D. van het onderzoek werd gehaald, 4° de identificatie van een Spaans oproepnummer (-894) dat volgens F.D. toebehoort aan een DEA-agent ‘Jorge’ en 5° de verificatie van het bestaan van rechtshulpverzoeken uitgaande van de Amerikaanse justitie aan de Belgische overheid over het inzetten van infiltranten op Belgisch grondgebied, zoals blijkt uit recente artikelen op de website ‘C.’ (blz. 48).
  3. Vervolgens stelt het arrest: “het openbaar ministerie verkiest zich echter te beperken tot het reeds voor de eerste rechter ontwikkeld verweer erin bestaande dat er geen sprake is van een burgerinfiltratie in België door F.D.” (blz. 48.). Mij komt voor dat het arrest met voldoende redenen stelt dat verweerders een geloofwaardig verweer brachten over een onwettige burgerinfiltratie en dat het standpunt van het openbaar ministerie, gesteund op een brief van 23 juni 2023 en de redenen van de eerste rechter over een ongeloofwaardig verweer van F.D., niet volstond als tegenbewijs. In zoverre kan het middel over art. 149 Grondwet niet worden aangenomen.
  4. Voor het overige meen ik dat het middel formeel enkele motiveringsgebreken aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen een onaantastbare beoordeling van de feiten (zoals de geloofwaardigheid van de beweringen van verweerder F.D. en de bewijswaarde van een stuk van het openbaar ministerie dat stelt dat er geen burgerinfiltratie was), of verplicht tot een onderzoek van feiten. In zoverre is het middel niet- ontvankelijk. (…) Conclusie: Ik heb geen ambtshalve middelen in cassatie aan te voeren en concludeer tot verwerping van het cassatieberoep. _____________________________
(1)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 59p.; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 705-708.
(2)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 36-41.
(3)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 25-33.
(4)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 34-36.
(5)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 50, met verwijzing naar Memorie van Toelichting Wet 27 december 2005, Parl. St. Kamer, 2005-06, Doc 2055-001, 46.
(6)Over de controle door de K.I. van de bijzondere opsporingsmethoden, aan de hand van het vertrouwelijk dossier, zie Cass. 5 november 2024, AR P.24.1013.N, AC 2024, nr. 736, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13; Cass. 19 september 2023, AR P.23.0382.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7, AC 2023, nr. 567, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24; Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N, AC 2023, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11, NC 2023, 229; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0578.N, AC 2010, nr. 290, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8; Cass. 18 december 2007, AR P.07.1332.N, AC 2007, nr. 643, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1; M.TIMPERMAN, “Het Hof van Cassatie en de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden: though this be madness, yet there is a method in it”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 403-408; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 716 en 1067-1077.
(7)H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 44.
(8)Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N, AC 2023, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11, NC 2023, 229; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7. Zie alg. M.TIMPERMAN, “Het Hof van Cassatie en de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden: though this be madness, yet there is a method in it”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 399-413; M. VANDERMEERSCH, “Artikel 189ter van het Wetboek van Strafvordering – wie controleert nu wat, en hoe?”; T. Straf. 2016, 185-188.
(9)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7; Cass. 25 maart 2015, AR P.14.1891.F, AC 2015, nr. 219, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150325.3; Cass. 16 februari 2010, AR P.10.0012.N, AC 2010, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN; Cass. 14 september 2010, AR P.10.1068.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100914.4, AC 2010, nr. 519. Over art. 189ter Sv. zie J. MEESE, “De BOM, de bomen en het bos: over bijzondere opsporingsmethoden, onregelmatige controleprocedures en de netelige gevolge van lapidaire wetgeving”, NC 2009, 178-184; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 1068-1069.
(10)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457; Cass. 25 maart 2015, AR P.14.1891.F, AC 2015, nr. 219; Cass. 16 februari 2010, AR P.10.0012.N, AC 2010, nr. 104, met concl. van advocaat-generaal. M. TIMPERMAN. Over de bindende waarde van het arrest K.I. over bijzondere opsporingsmethoden dat is uitgesproken bij afsluiting van het vooronderzoek, dus buiten toepassing van art. 189ter Sv., zie Cass. 19 september 2023, AR P.23.0382.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7, AC 2023, nr. 567, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24; Cass. 9 december 2020, AR P.20.0458.F, AC 2020, nr. 762, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201209.2F.3.
(11)Cass. 25 maart 2015, AR P.14.1891.F, AC 2015, nr. 219, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150325.3; M. TIMPERMAN, “Het Hof van Cassatie en de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden: though this be madness, yet there is a method in it”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 412-413.
(12)Cass. 18 april 2017, AR P.17.0108.N, AC 2017, nr. 265, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7; Cass. 25 maart 2015, AR P.14.1891.F, AC 2015, nr. 219, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150325.3; H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, 44.
(13)Cass. 9 oktober 2013, AR P.13.1191.F, AC 2013, nr. 511, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131009.4. Zie F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 203-207.
(14)Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N, AC 2023, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11.
(15)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, RO 10, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7.
(16)M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 1071 en 1075.
(17)Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N, AC 2023, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11.
(18)Indien er wel een bijzondere opsporingsmethode is toegepast, en daarvan een vertrouwelijk dossier is opgesteld, en de K.I. zich nog niet over de wettigheid heeft uitgesproken, is er wel reden om in de fase ten gronde de K.I. in te schakelen (Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N, AC 2023, nr. 115, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, RO 10; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0578.N, AC 2010, nr. 290, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8.)
(19)M. TIMPERMAN, “Het Hof van Cassatie en de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden: though this be madness, yet there is a method in it”, in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Intersentia 2010, 412-413.
(20)H. BERKMOES, “Bijzondere opsporingsmethoden (observatie, infiltratie, informantenwerking)- Algemeen”, in Comm. Straf. 2022, 48.
(21)Over het ernstig en onherstelbaar karakter van het recht van verdediging, als voorwaarde voor de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens onregelmatigheden in de opsporing, zie Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N, AC 2022, nr. 709, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, met concl. OM, RABG 2022, 1375, NC 2023, 270, RW 2023-24, 226, Politie&Recht 2024, 41; Cass. 25 maart 2020, AR P.19.1306.F, AC 2020, nr. 213, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1, JLMB 2020, 1467 noot L. KENNES en D. HOLZAPFEL; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F, AC 2019, nr. 363, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 203-207 ; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 1, 897-901.
(22)Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0373.N, AC 2023, nr. 367, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.11; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N, AC 2023, nr. 303, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, AC 2023, nr. 252, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10, RW 2023-24, 751; RDPC 2023, 861 noot F. LUGENTZ, “Preuve irrégulière dont l’usage porte atteinte au droit à un procès équitable : une approche particulière de la sanction en cas d’illégalité commise intentionnellement ou par l’effet d’une négligence grave?” (863-878), T. Strafr. 2023, é,noot M. VANDERMEERSCH, “Antigoon herzien: zet het Hof van Cassatie het licht op rood?” (213-220), RABG 2023, 1659, noot V. VEREECKE, “De Antigoon-toets is geen witwasmachine” (1662-1668); Cass. 20 april 2022, AR P.21.1022.F, AC 2022, nr. 273, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.3, met concl. van advocaat-generaal. M. NOLET DE BRAUWERE; Cass. 12 juni 2019, AR P.18.1001.F, AC 2019, nr. 363, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 1, 918 en 938-984.
(23)Cass. 16 februari 1996, AR P.94.0002.F, AC 1996, nr. 82; Cass. 21 februari 1882, Pas. 1882, I, 74; EHRM 28 april 2018, Cabral t/Nederland; EHRM 17 oktober 2019, Oddone en Pecci t/San Marino, §94; EHRM 15 maart 2022, Bjarkhi H. Diego t/Ijsland, §51/58, www.echr.coe.int; Procureur-generaal J. VELU, “Considérations sur les rapports entre les commissions d’enquête parlementaire et le pouvoir judiciaire”, JT 1993, 589-597; O. KLEES, “De l’obligation de témoigner au droit au silence”, RTDH 1994, 248-263; L. HUYBRECHTS en M. ROZIE, “De rechten van de verdediging bij de behandeling ten gronde”, NC 2008, 121; L. KENNES, Manuel de la preuve en matière pénale, Kluwer 2009, 319-320; S. VAN OVERBEKE, “Moreel element en mogelijke benadeling bij valse getuigenis: de waarheid in de branding”, RW 2010-11, 284; E. FRANCIS, “Commentaar bij art. 71 Sv.”, in Strafprocesrecht. Duiding, Larcier 2017, 301; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Strafrecht en strafprocesrecht voor bachelors, Intersentia 2018, 176; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 2, 1916-1926.
(24)Cass. 22 februari 2011, AR P.10.1386.N, AC 2011, nr. 154, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110222.6; Cass. 23 september 1986, AR 690, AC 1986-87, nr. 43, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860923.7; P. LAMBERT, Secret professionnel, Bruylant 2001, 61-65; J. DE CODT, Des nullités de l’instruction et du jugement, Larcier, 2006, 124-126 ; F. BLOCKX, Beroepsgeheim, Intersentia 2013, 133-135 ; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 176-178; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch strafprocesrecht, Die Keure 2020, 146; A. MASSET en E. JACQUES, “Beroepsgeheim”, in Comm. Sr. 2022, 13-23.
(25)Cass. 9 december 2014, AR P.14.1039.N, AC 2014, nr. 773, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.8, NC 2015, 215 noot L. HUYBRECHTS; Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0277.N, AC 2015, nr. 457, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7; C. DE VALKENEER, Manuel de l’enquête pénale, Larcier, 2018, 408-410; H. BERKMOES, “Anonimiteit in het strafproces”, in Strafrecht in/uit balans, Die Keure 2020, 120-124.
(26)Over politionele provocatie als grond tot niet-ontvankelijkheid van de strafvordering (art. 30 V.T.Sv.) zie Cass. 2 februari 2021, P.20.1054.N, AC 2021, nr. 91, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.4; Cass. 6 september 2016, AR P.15.0826.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.2, AC 2016, nr. 458; Cass. 26 februari 2014, AR P.13.1696.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.7, AC 2014, nr. 153; Cass. 17 maart 2010, AR P.10.0010.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9, AC 2010, nr. 192; EHRM 26 oktober 2006, Khudobin t/Rusland; EHRM 5 februari 2008, Ramanauskas t/Litouwen; EHRM 16 december 2021, Yakhymovych t/Oekraine, www.echr.coe.int; H. BERKMOES, “Burgerinfiltratie (bijzondere opsporingsmethoden)”, in Comm. Straf. 2022, C. DE VALKENEER, Manuel de l’énquête pénale, Larcier 2021, 262-277; 33-34 ; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 1, 965-982.
(27)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.0887.N, AC 2024, nr. 58, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS.
(28)Cass. 23 januari 2024, AR P.23.0887.N, AC 2024, nr. 58, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS. Zie hierover F. VAN VOLSEM, “De cassatierechtspraak sinds 1 januari 2017 betreffende de verplichting voor de vonnisrechter om getuigen à charge op de rechtszitting te horen onder eed”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 1168-1169.
(29)Over deze bepaling zie L. HUYBRECHTS, “Aangifte van misdrijven”, in Comm. Straf. 2012, 41p.
(30)Over de plicht tot loyauteit van de politie zie Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1076.N, AC 2023, nr. 19, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4, Politie&Recht 2024, 49; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N, AC 2022, nr. 709, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, met concl. OM, RABG 2022, 1375, RW 2023-24, 226, Politie&Recht 2024,
  1. Over de regel dat alle resultaten van gewone onderzoeksdaden (dus niet de bijzondere opsporingsmethodes) moeten worden vermeld in stukken, gevoegd aan het strafdossier dat de beklaagde kan consulteren, zie M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 447-
  2. Een proces-verbaal in de zin van art. 29 Sv. kan worden omschreven als een schriftelijke akte, opgesteld door een bevoegd ambtenaar, dat een verslag bevat van al wat deze ambtenaar heeft vastgesteld, verricht of vernomen in verband met een bepaald misdrijf (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 241).
(31)Over de beperkte categorie van stukken met bewijswaarde tot inschrijving wegens valsheid, zie M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1560-1561.
(32)Zie alg. R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 697-715; D. DE WOLF, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, die Keure 2010, 272-308; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu 2017, 1247-1248 en 1318-1320.
(33)Vb. Cass. 30 mei 2023, AR P.22.1719.N, AC 2023, nr. 386, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4, met concl. OM; Cass. 12 december 2023, AR P.23.0813.N, AC 2023, nr. 829, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5; Cass. 23 juni 2015, AR P.14.0406.N, AC 2015, nr. 426, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.6; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 178.
(34)Cass. 24 mei 2016, AR P.16.0026.N, AC 2016, nr. 343, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.3; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, I, 447.
(35)Over de voorwaarde dat de beklaagde zijn verweer over onregelmatigheden in de opsporing aannemelijk moet maken, wegens het vermoeden dat de politie en het gerecht de wet correct toepassen, en het tegenbewijs door de vervolgende partij, zie o.a. Cass. 7 mei 2024, P.24.0025.N, AC 2024, nr. 355, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3; Cass. 10 januari 2023, AR P.22.1076.N, AC 2023, nr. 19, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N, AC 2022, nr. 709, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, met concl. OM, RABG 2022, 1375, RW 2023-24, 226, Politie&Recht, 2024, 41; Cass. 20 april 2021, AR P.21.0385.N, AC 2021, nr. 287, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13, RW 2021-22, 784; Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N, AC 2018, nr. 340, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2; Cass. 2 mei 2017, AR P.16.1011.N, AC 2017, nr. 302, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3; Cass. 1 december 2015, AR P.15.0905.N, AC 2015, nr. 716, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4, RDPC 2017, 475; EHRM 5 februari 2008, Ramanauskas t/Litouwen, §70; EHRM 23 juni 2015, Claudiu Opris t/Roemenië, §54, www.echr.coe.int. Zie ook F. SCHUERMANS, “De zoektocht naar of de jacht op de herkomst van de politionele informatie als start van een strafrechtelijk vooronderzoek”, T.Strafr. 2014, 48-50; F. LUGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Anthemis 2017, 189-192; C. DE VALKENEER, Manuel de l’énquête pénale, Larcier 2021, 276-277; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 1, 973 en Vol. 2, 1732.
(36)De vonnisrechter mag wel aanwijzingen geven aan het Openbaar Ministerie, maar geen bevelen (Cass. 9 april 2025, AR P.24.1727.F, AC 2025, nr. 292, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.18, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH; Cass. 5 september 2017, AR P.17.0645.N, AC 2017, nr. 446, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.4; Cass. 21 mei 2014, AR P.14.0094.F, AC 2014, nr. 366, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2; Cass. 27 april 1999, AR P.97.0860.N, AC 1999, nr. 241, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8, RDPC 2000, 359; Cass. 21 juni 1974, AC 1974, 1176; Antwerpen 13 maart 2002, RW 2002-03, 1022 noot B. DE SMET. Zie D. DE WOLF, De rol van de rechter bij de waarheidsvinding in de correctionele procedure, die Keure 2010, 285-289 en 489; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 699 en 701; F. KUTY, Justice pénale et droits de l’homme, Larcier 2023, Vol. 1, 926. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.45 citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860923.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990427.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071218.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.8 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100914.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110222.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131009.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140226.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150325.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160906.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170905.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190612.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200325.2F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201209.2F.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220420.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.