← België

HIMVAS nv contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.8 Rolnummer: C.24.0081.N Zaak: HIMVAS nv contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-09-03 Raadplegingen: 389 - laatst gezien 2026-06-18 18:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.8 Fiches 1 - 2 De waarde van de aandelen moet in beginsel worden geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht ervan beveelt en de rechter kan slechts een andere peildatum hanteren dan de datum van eigendomsoverdracht wanneer hij in concreto vaststelt dat de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen of het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 642 en 643 Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór hun opheffing bij Wet van 23 maart 2019. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Geschillen - Gedwongen overdracht van zijn aandelen in de vennootschap door een vennoot aan een andere vennoot - Waarde van de aandelen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 642 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 643, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: Geschillen - Gedwongen overdracht van zijn aandelen in de vennootschap door een vennoot aan een andere vennoot - Waarde van de aandelen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 642 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 643, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 3 - 4 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 2:69, derde lid, WVV blijkt dat de wetgever de beoordelingsbevoegdheid van de rechter bij het bepalen van de waarde van de aandelen heeft willen verruimen door hem toe te laten om, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, een billijke prijs te bepalen die hoger of lager ligt dan de prijs op datum van het vonnis waarbij de eigendomsoverdracht wordt bevolen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Vrije woorden: Geschillen - Gedwongen overdracht van zijn aandelen in de vennootschap door een vennoot aan een andere vennoot - Waarde van de aandelen - Tijdstip - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:60 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:69, derde lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: Geschillen - Gedwongen overdracht van zijn aandelen in de vennootschap door een vennoot aan een andere vennoot - Waarde van de aandelen - Tijdstip - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:60 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:69, derde lid - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Fiche 5 Inzake het bepalen van de peildatum moet toepassing worden gemaakt van de artikelen 642 en 643 Wetboek van Vennootschappen wanneer de vordering tot uittreding werd ingesteld voor 1 mei 2019; artikel 2:69 WVV is van toepassing wanneer de vordering wordt ingesteld vanaf 1 mei 2019
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - WVV - Vordering tot uittreding Wettelijke bepalingen: Wet 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen - 23-03-2019 - Art. 38 - 06 ELI link Pub nr 2019040586 Wet 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen - 23-03-2019 - Art. 39, § 5 - 06 ELI link Pub nr 2019040586 Tekst van de conclusie C.24.0081.N Conclusies van advocaat-generaal Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen gewezen op 11 mei 2023. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd heeft betrekking op de waardering van de aandelen in geval van uittreding van een aandeelhouder. Eiseres stelt op 15 maart 2022 een vordering tot uitsluiting in tegen de verweerder met betrekking tot de in gemeenverklaring opgeroepen partijen. Verweerder stelt een tegeneis in waarin hij zijn uittreding vordert uit de in gemeenverklaring opgeroepen partijen. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, zetelend in kort geding, beveelt in het vonnis van 22 juni 2022 dat verweerder zijn aandelen aan eiseres moet overdragen tegen de prijs van 1 euro. Verweerder stelt hoger beroep in en in het bestreden arrest van 11 mei 2023 wordt de oorspronkelijke vordering tot uitsluiting van eiseres ongegrond verklaard en wordt de tegenvordering tot uittreding van verweerder gegrond verklaard. De peildatum wordt bepaald op 7 juli 2022 en alvorens recht te doen over de overnameprijs van de aandelen wordt een gerechtsdeskundige aangesteld. II. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechters de artikelen 2:60 en 2:69, derde lid WVV en de artikelen 642 en 643 van het Wetboek van Vennootschappen, zoals voor hun opheffing ervan door de Wet van 23 maart 2019, de artikelen 38 en 39, § 5 van de Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen (verder Wet van 23 maart 2019)
(1)en artikel 149 Grondwet te hebben geschonden door: - de peildatum, na de vordering tot uitsluiting te hebben verworpen en de vordering tot uittreding te hebben toegekend, op 7 juli 2022 te bepalen, datum van overdracht van de aandelen, waarbij zij oordelen dat er geen aanleiding is om als peildatum een ander tijdstip dan de eigendomsoverdracht in aanmerking te nemen “vermits het hof geen omstandigheden vaststelt die geleid hebben tot de vordering tot overname of gedrag van partijen als gevolg van deze vorderingen, waardoor de waarde van de aandelen beïnvloed werd” zodat de appelrechters ten onrechte toepassing maken van de artikelen 642 en 643 van het Wetboek van Vennootschappen en het daarin vervatte criterium terwijl de vordering werd ingesteld na de inwerkingtreding van de Wet van 23 maart 2019 zodat toepassing had moeten worden gemaakt van het (ruimere criterium) van de kennelijke onredelijkheid zoals bepaald in artikel 2:69, derde lid, WVV (schending van alle in het middel aangehaalde wetsbepalingen met uitzondering van artikel 149 Grondwet); - voor zover de appelrechters geacht worden toepassing te hebben gemaakt van artikel 2:69, derde lid, WVV, het in deze bepaling opgenomen criterium van de kennelijke onredelijkheid te hebben geschonden door te oordelen dat er geen omstandigheden zijn vast te stellen die geleid hebben tot de vordering tot overname of gedrag van partijen als gevolg van deze vorderingen, waardoor de waarde van de aandelen beïnvloed werd (schending artikel 2:69, derde lid, WVV); - minstens hun beslissing niet afdoende te motiveren, nu niet blijkt uit de motivering waarom het door eiseres aangevoerde feit, met name dat zij zich vanaf 31 december 2021 alleen heeft ingespannen voor de vennootschappen, geen relevantie vertoont bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid in de zin van artikel 2:69, derde lid, WVV om niet af te wijken van de peildatum (schending artikel 149 Grondwet). III. Beoordeling. Over de peildatum van de waardering van de aandelen in geval van uittreding van een aandeelhouder is er recente rechtspraak van het Hof waarbij nog toepassing werd gemaakt van de artikelen 642, eerste lid, en 643, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen. In het arrest van 31 maart 2023 besliste het Hof: “De waarde van de aandelen moet, in beginsel, worden geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht ervan beveelt, aangezien het recht op betaling van de prijs van de aandelen ontstaat op het tijdstip van de eigendomsoverdracht. Bij die raming moet de rechter abstractie maken van zowel de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen als van het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering. Dit houdt in dat indien de rechter in concreto vaststelt dat deze omstandigheden of dit gedrag een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen zoals deze vastgesteld wordt op datum van overdracht, hij de invloed hiervan buiten beschouwing dient te laten. Te dien einde is het de rechter ook toegestaan om als peildatum voor de waardering van de prijs een ander tijdstip in aanmerking te nemen. Derhalve kan de rechter slechts een andere peildatum hanteren dan de datum van eigendomsoverdracht, wanneer hij in concreto vaststelt dat de omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen of het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen”
(2). Dit arrest bouwde voort op de eerdere rechtspraak van het Hof
(3). Eiseres verdedigt terecht dat ingevolge de artikelen 38 en 39, § 5 van de Wet van 23 maart 2019 een vordering tot uittreding die werd ingesteld na de inwerkingtreding van het WVV niet langer mag worden beoordeeld op basis van de oude artikelen 642, eerste lid, en 643, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen maar moet worden beoordeeld op basis van artikel 2:69 WVV. Artikel 2:69, eerste en derde lid, WVV in verband met de vordering tot uittreding bepaalt: “De rechter veroordeelt de gedaagde om, binnen de door hem gestelde termijn te rekenen van de betekening van het vonnis, de effecten over te nemen en de eiser om deze effecten aan de gedaagde over te dragen tegen betaling van de prijs die hij vaststelt. Het recht op betaling van de prijs ontstaat op het tijdstip van de eigendomsoverdracht. Indien de rechter de eigendomsoverdracht beveelt zonder op te leggen dat de definitieve prijs meteen wordt betaald, kan hij aan de gedaagde een zekerheidstelling voor de nog te betalen overnameprijs opleggen. (…) De rechter raamt de waarde van de effecten op het tijdstip waarop hij de overname ervan beveelt, tenzij dit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. In dat geval mag hij, met inachtneming van alle relevante omstandigheden, beslissen tot een billijke prijsverhoging of -vermindering”. Artikel 2:67, eerste en derde lid, WVV in verband met de vordering tot uitsluiting bevat gelijkluidende bepalingen. In de memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2019 werd bij deze artikelen het volgende geschreven: “In het eerste lid van de ontworpen bepaling wordt het principe bevestigd dat het recht op betaling van de prijs ontstaat op het tijdstip van de eigendomsoverdracht. (…) Het derde lid beoogt de controverse over de zogenaamde peildatum voor de prijsbepaling en de daarmee samenhangende vraag naar de mogelijke invloed van de gedraging van de partijen op de waarde van de effecten te beslechten. Het Hof van Cassatie heeft zich meerdere malen in identieke bewoordingen uitgesproken over de waarderingsmethode en de peildatum die de rechter moet hanteren. Het Hof hanteert daarbij dezelfde principes voor een vordering tot uitsluiting als voor een vordering tot uittreding, met name (
  1. i)dat de waarde van de aandelen in beginsel moet worden geraamd op het tijdstip waarop de rechter de overdracht ervan beveelt, en (
  2. ii)dat de rechter abstractie moet maken van de omstandigheden die hebben geleid tot de vordering tot overname/overdracht en de gedragingen van partijen ten gevolge van die vordering. In het arrest van 20 februari 2015 besliste het Hof evenwel in een geval van een vordering tot uittreding dat de rechter abstractie kan maken van deze omstandigheden of gedragingen door de peildatum op een ander tijdstip te bepalen dan op de datum van overdracht. Uit de rechtspraak van de feitenrechters is gebleken dat het wenselijk is de beoordelingsbevoegdheid van de voorzitter te verruimen, en hem onder meer de mogelijkheid te bieden rekening te houden met de gedraging van de partijen die een significante invloed op de waarde van de aandelen kan hebben. In sommige gevallen is ook gebleken dat een billijke prijs niet enkel door de keuze van een gepaste zogenaamde peildatum voor de waardering van de aandelen kan worden bepaald, maar dat het is aangewezen aan de rechter de bevoegdheid te geven een billijke prijs te bepalen die hoger of lager ligt dan de waarde van de aandelen zoals zij op die peildatum wordt gewaardeerd. Om die redenen wordt in de ontworpen bepaling aan de rechter een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid gegeven om de prijs te bepalen. Het uitgangspunt blijft dat de waarde van de aandelen in beginsel moet worden geraamd op het tijdstip dat de rechter de eigendomsoverdracht beveelt. De rechter mag hiervan evenwel afwijken indien deze raming, gelet op alle relevante omstandigheden, de gedraging van de partijen daarin begrepen, tot een onredelijk resultaat leidt. In dat geval mag hij, naargelang van de omstandigheden, een billijke prijs bepalen, die hoger of lager ligt dan de waarde van de aandelen op de dag van de uitspraak. De rechter beschikt over deze ruime beoordelingsbevoegdheid zowel in het raam van een procedure tot uitsluiting als van een procedure tot uittreding (zie artikel 2:67)”.
(4)De wetgever had dus duidelijk de bedoeling enerzijds om de bestaande cassatierechtspraak te codificeren, met inbegrip van de mogelijkheid om de peildatum op een ander tijdstip dan de datum van eigendomsoverdracht te plaatsen en anderzijds om de beoordelingsvrijheid van de voorzitter nog verder te verruimen door hem toe te laten een billijke prijs te bepalen die hoger of lager ligt dan de waarde van de aandelen zoals die op die peildatum wordt geraamd. De rechter heeft dus twee instrumenten te zijner beschikking om de waarde van de effecten op datum van overname te corrigeren: hij kan de peildatum verschuiven naar een ander moment of hij kan beslissen tot een billijke prijsverhoging of -vermindering of beschikt hij over een combinatie van beide
(5). Uit de geciteerde passage van de memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2019 blijkt dus ook dat de rechter een ruime beoordelingsvrijheid heeft over welk instrument hij gebruikt om te komen tot een correcte prijsbepaling en dat er geen enkele hiërarchie is tussen de verschuiving van de peildatum en de prijsverhoging of -verlaging. Het Hof zal volgens mij dan ook enkel via zijn marginaal toetsingsrecht toezicht kunnen uitoefenen op de keuze gemaakt door de feitenrechter. Het redeneerproces zoals verwoord in de conclusie van advocaat-generaal Stijn Ravyse kan dan ook als volgt worden aangepast
(6):
  1. in beginsel geldt als peildatum de datum van de uitspraak van de overdracht;
  2. tenzij de rechter vaststelt dat a. omstandigheden die geleid hebben tot de vordering tot overname van de aandelen hetzij het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, b. in concreto een invloed hebben gehad op de waarde van de aandelen;
  3. dan moet de rechter abstractie maken van die omstandigheden;
  4. daarvoor is het de rechter toegestaan a. als peildatum voor de waardering van de prijs een ander tijdstip in aanmerking te nemen en b. een billijke prijs te bepalen die hoger of lager ligt dan de waarde van de aandelen op de dag van de uitspraak van de overdracht indien de raming op de peildatum, gelet op alle relevante omstandigheden, tot een kennelijk onredelijk resultaat laat. Er kunnen echter geen andere omstandigheden die hebben geleid tot de vordering tot overname van aandelen of een ander gedrag van partijen dan het gedrag van hen ten gevolge van de vordering door de rechter worden gebruikt om de peildatum te verschuiven. De relevante omstandigheden waarvan sprake in artikel 2:69, derde lid, WVV zijn volgens mij gelet op wat daarover werd gesteld in memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2019 dezelfde omstandigheden als degene waarvan sprake in de rechtspraak van het Hof in verband met de artikelen 642 en 643 Wetboek van Vennootschappen. Toegepast in het huidig dossier houdt dit het volgende in: In zoverre het middel in de eerste grief de appelrechters verwijt de artikelen 642 en 643 Wetboek van Vennootschappen en niet artikel 2:69 WVV te hebben toegepast, is het niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Uit de hier boven geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij de Wet van 23 maart 2019 blijkt immers dat wat betreft het bepalen van de peildatum er geen verschil is tussen de artikelen 642 en 643 Wetboek van Vennootschappen enerzijds en artikel 2:69 WVV anderzijds omdat de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling had de door het Hof gevestigde rechtspraak in verband met de peildatum te codificeren. In zoverre het middel in de tweede grief uitgaat van de rechtsopvatting dat de rechter de peildatum zou kunnen verschuiven omwille van andere omstandigheden dan degene die hebben geleid tot de vordering tot overname van de aandelen of omwille van een ander gedrag dan het gedrag van de partijen ten gevolge van de vordering, faalt het naar recht. In zoverre het middel in de derde grief een schending aanvoert van artikel 149 Grondwet is het afgeleid uit de vergeefse aangevoerde schending van artikel 2:69 WVV en is het niet ontvankelijk. Conclusie: Verwerping het cassatieberoep en van de vordering tot gemeenverklaring. _____________________________
(1)BS 4 april 2019.
(2)Cass. 31 maart 2023, AR C.22.0278.N, AC 2023, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.3, met concl. van advocaat-generaal S. RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.3; RW 2023-2024, afl. 9, 339 met noot PARREIN F.; TBH 2023, afl. 6, 878 met noot ROODHOOFT O.; TRV-RPS 2023, afl. 7, 545 met noot VAN DE PUTTE, W.
(3)Cass. 20 februari 2015, AR C.14.0219.N, AC 2015, nr. 135, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150220.3; Cass. 5 oktober 2012, AR C.11.0398.N, AC 2012, nr. 514, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.8, met concl. van advocaat-generaal met opdracht. A. VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121005.8; Cass. 9 december 2010, AR C.08.0441.F, AC 2010, nr. 723, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101209.9.
(4)Mvt bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, KAMER 2017-2018, 4 juni 2018, 54-3319/001, 79-80;
(5)Vb. In die zin TAS R. en HOTTERBEECK, ‘Recente ontwikkelingen in vennootschapsgeschillen’, in COOLS S. (ed.), Themis 2023-2024 nr. 127. Vennootschapsrecht, Larcier 2024,
(1)36-37; TILLEMAN B. en VAN DE PUTTE W., Handboek geschillenregeling in vennootschappen, Larcier-Intersentia 2023, 320-321; PARREIN F. Uittreding en uitsluiting van aandeelhouders, Kluwer 2023, 163-165, nr. 103; PARREIN F., “De verschuiving van de peildatum als instrument om verwijtbare gedragingen te remediëren” (noot bij Cass. 31 maart 2023, AR C.22.0278.N, AC 2023, nr. 244), RW 2023-2024, afl. 9, 345; VAN DE PUTTE W., “De peildatum verschuiven bij de geschillenregeling in vennootschappen: Cassatie verduidelijkt de voorwaarden” (noot bij Cass. 31 maart 2023, AR C.22.0278.N, AC 2023, nr. 244), TRV-RPS, 2023, afl. 7, 548; CARPENTIER H., “Commentaar bij art. 2:60-2:69 WVV”, in BRAECKMANS H., GEENS K. en WYMEERSCH E. (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2019, 56, nr. 97; GOL D. en JANSEN A., “Le contentieux en droit des sociétés”, in CAPRASSE O. en AYDOGDU R., Le Code des sociétés et des associations (reeks CUP, nr. 186), Anthemis 2018, 163, nr. 75; HOUBEN R., “Uitsluiting en uittreding”, TBH 2018, 1148, nr. 35; HOUBEN R. en BRAECKMANS H., Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Frisse wind of storm op zee?, Intersentia 2019, 36, nr. 42; SOMERS N., “Deel
  1. Conflictoplossing via de rechter in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen”, in MAES B. e.a., Proces- en bewijsrecht: capita selecta. VPG studiedag 2019, Wolters Kluwer Belgium 2019, 172, nr. 40; RAS, R., “Het Hof van Cassatie en de geschillenregeling: nu ook meer duidelijkheid over de interesten op de prijs”, noot onder Cass. 3 december 2015, RPS-TRV 2017, 208, nr. 2; RAS R. en VOS T., “De geschillenregeling 2.0 – Wijzigingen aan de geschillenregeling in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”, in WYCKAERT M., Themis. Vennootschapsrecht, die Keure 2018, 124, nr. 52; TAS R., “Deel
  2. De nieuwe geschillenregeling in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen”, in De nieuwe vennootschapswet. VPG studiedag 2018, Wolters Kluwer Belgium 2018, p. 223-224, nr. 52; TAS R. en AYDOGDU R., “De nieuwe geschillenregeling in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen – La nouvelle procédure de résolution des conflits internes dans le Code des sociétés et associations”, in Belgisch Centrum voor vennootschapsrecht (ed.), Het ontwerp Wetboek van vennootschappen en verenigingen – Le projet de code des sociétés et associations,, Larcier 2018, 316, nr. 43; TAS R., “De geschillenregeling 2.0: naar een efficiëntere en billijkere oplossing voor een aandeelhoudersgeschil in al zijn aspecten”, in DE WOLF W., WYCKAERT M. en HOUBEN, R. (eds.), Het WVV doorgelicht, Intersentia 2021, 482-483, nr. 52.
(6)Ravyse S., Conclusie bij Cass. 31 maart 2023, AR C.22.0278.N, AC 2023, nr. 244, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101209.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121005.8 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121005.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150220.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230331.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.