id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.9 Rolnummer: C.24.0186.N Zaak: GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT c. ONDERWIJSGROEP ZUSTER Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht - Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-09-03 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-15 12:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.9 Fiches 1 - 4 Nu wordt aangevoerd dat artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet aldus moet worden begrepen dat zij rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, niet vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG en het oordeel van het Marktenhof wordt betwist dat artikel 83.7 AVG aldus moet worden uitgelegd dat ook instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs als een “overheidsinstantie of overheidsorgaan” in de zin van deze bepaling moeten worden beschouwd, stelt het Hof de vraag of artikel 83.7 AVG, in samenhang gelezen met punten 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1, f), 8, 57.1, b), AVG, zich verzet tegen een nationaalrechtelijke regeling waarbij de toezichthoudende autoriteit geen administratieve geldboete kan opleggen aan rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Vrije woorden: Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Prejudicieel geschil - Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: Rechtspersoon met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbiedt - Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 - Prejudicieel geschil - Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 83.7 - Begrip overheid - Administratieve geldboete Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 267 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot ... - 27-04-2016 - Art. 83.7 Tekst van de conclusie C.24.0186.N Conclusies van advocaat-generaal Vroman: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel (Marktenhof), gewezen op 27 februari 2024. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd, betreft de vraag of er aan een vrij gesubsidieerde onderwijsinstelling door de Gegevensbeschermingsautoriteit (verder GBA) een administratieve boete kan worden opgelegd wegens schending van bepalingen van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (verder AVG)
(1). De feiten die ten grondslag van huidig geschil liggen, kunnen als volgt worden samengevat: Er werd op 22 juli 2019 een klacht ingediend bij eiseres tegen verweerster omdat deze laatste een aantal bepalingen van de AVG zou hebben geschonden in het kader van een enquête “welbevinden” die werd afgenomen bij de leerlingen van verweerster. Op 16 juni 2010 beval de Geschillenkamer van de GBA verweerster om de gegevensverwerking te conformeren aan de bepalingen van de AVG en legde ze verweerster een administratieve geldboete van 2000 euro op. Verweerster stelde tegen deze beslissing beroep in bij het Marktenhof. Het Marktenhof vernietigde deze beslissing bij arrest van 18 november 2020 wegens gebrek aan afdoende motivering. Op 15 maart 2011 nam de Geschillenkamer van de GBA een nieuwe beslissing waarbij de administratieve geldboete werd verminderd naar 1000 euro. Verweerster stelde opnieuw beroep in tegen deze beslissing. Het Marktenhof vernietigde deze beslissing bij arrest van 27 februari 2024. Dit arrest werd echter door het Hof gecasseerd bij arrest van 9 januari 2023 (wegens miskenning van de bewijskracht van de besluiten van eiseres)
(2). In het arrest van 27 februari 2024 beslist het Marktenhof andermaal dat er geen administratieve geldboete kan worden opgelegd aan verweerster
(3). II. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechters artikel 221, § 2, van de Wet van 30 juli betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (verder Gegevensbeschermingswet)
(4), punten 10, 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1 (f), 8, 57.1 (
- b)en 83 AVG, artikel 4.3 VEU, artikel 288 VWEU en het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationaal recht te hebben geschonden door te oordelen dat rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken, te beschouwen zijn als overheden in de zin van artikel 221, § 2 Gegevensbeschermingswet die zijn vrijgesteld van de administratieve geldboetes die eiseres kan opleggen krachtens artikel 83 AVG. Ondergeschikt verzoekt eiseres volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Verzet artikel 83.7 AVG, in samenhang gelezen met punten 38 en 58 van de considerans en de artikelen 6.1. (f), 8, 57.1 (
- b)van deze verordening waaruit een bijzondere bescherming blijkt van kinderen bij de verwerking van hun persoonsgegevens, zich tegen een nationaalrechtelijke regeling waarbij de toezichthoudende autoriteit geen administratieve boete kan opleggen aan rechtspersonen met een privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs verstrekken”? III. Beoordeling. In zoverre het middel een schending aanvoert van de punten 10, 38 en 58 van de considerans van de AVG is het onontvankelijk. De preambule van een verordening is, in de regel, geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek waarvan de miskenning aanleiding kan geven tot cassatie
(5). Er is ten andere geen enkele indicatie te vinden noch in de consideransen noch in de artikelen van de AVG aangehaald door eiser waaruit ook nog maar enigszins zou blijken dat administratieve geldboetes specifiek zouden zijn aangewezen omdat minderjarigen betrokken zijn bij inbreuken op de AVG terwijl er geen administratieve geldboetes zouden moeten kunnen worden opgelegd als het gaat om meerderjarigen die betrokken zijn bij inbreuken op de AVG. Dergelijke standpunt zou volgens mij in ieder geval leiden tot ernstige vragen over de bestaanbaarheid van dergelijk systeem met het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel geconsacreerd in de Grondwet. Artikel 83.1 AVG bepaalt: “Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn”. Artikel 83.7 AVG bepaalt: “Onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 58, lid 2, kan elke lidstaat regels vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen”. In considerans 158 van de AVG werd in verband met deze laatste bepaling overwogen: “Het dient aan de lidstaten te zijn om te bepalen of en in hoeverre overheidsinstanties aan administratieve geldboeten moeten zijn onderworpen”. Wat overheidsinstanties of overheidsorganen zijn, werd niet gedefinieerd in de AVG. Er is echter wel uitdrukkelijk aan de lidstaten de bevoegdheid overgelaten om te bepalen of en in hoeverre administratieve geldboeten aan deze overheidsinstanties of overheidsorganen kunnen worden opgelegd. Ook het Hof van Justitie legde daar al de nadruk op
(6). In de Gegevensbeschermingswet is daarentegen wel een definitie van overheid gegeven. Artikel 5, tweede lid bepaalt: “Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder "overheid”: 1° de Federale Staat, de deelstaten en lokale overheden; 2° de rechtspersonen van publiek recht die van de Federale Staat, de deelstaten of lokale overheden afhangen; 3° de personen, ongeacht hun vorm en aard, die: - opgericht zijn met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn; en - rechtspersoonlijkheid hebben; en - waarvan hetzij de activiteiten in hoofdzaak door de overheden of instellingen vermeld in de bepalingen onder 1° of 2°, worden gefinancierd, hetzij het beheer onderworpen is aan toezicht door deze overheden of instellingen, hetzij de leden van het bestuursorgaan, leidinggevend orgaan of toezichthoudend orgaan voor meer dan de helft door deze overheden of instellingen zijn aangewezen; 4° de verenigingen bestaande uit één of meer overheden als bedoeld in de bepalingen onder 1°, 2° of 3°”. In het bestreden arrest stelden de appelrechters vast er tussen de partijen terecht geen betwisting over bestaat dat een vrije subsidieerde onderwijsinstelling bij de uitoefening van haar reguliere onderwijstaken een overheid is in de zin van artikel 5, 3°, Gegevensbeschermingswet. Deze vaststelling wordt niet bekritiseerd door de eiseres. Er wordt in de voorziening ook niet aangevoerd door eiseres dat dit in strijd zou zijn met de AVG. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (weliswaar in fiscale aangelegenheden) volgt dat activiteiten van overheden worden gekenmerkt door het feit dat de activiteiten door de overheid worden uitgeoefend in het kader van de voor hen geldende rechtsvoorschriften, en zijn activiteiten die zij onder dezelfde voorwaarden rechtens als particuliere marktdeelnemers verrichten uitgesloten, dat het voorwerp of het doel van de activiteit in dit verband irrelevant is en dat het feit dat de uitoefening van de activiteit die aan de orde is het gebruik van bevoegdheden van openbaar gezag meebrengt, de conclusie wettigt dat die activiteit aan een publiekrechtelijke regeling is onderworpen
(7). De Belgische wetgever maakte gebruik van de mogelijkheid geboden door in artikel 83.7 AVG te bepalen wanneer er administratieve geldboetes op basis van artikel 83 AVG kunnen worden opgelegd aan overheidsinstanties of overheidsorganen. Artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet bepaalt: “Het artikel 83 van de Verordening is niet van toepassing op de overheid en hun aangestelden of gemachtigden, tenzij het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt”. In de memorie van toelichting bij de Gegevensbeschermingswet werd geschreven: “Er is echter voor geopteerd om geen administratieve geldboetes op te leggen aan de overheid als bedoeld in artikel 5. Zij worden echter wel onderworpen aan niet-geldelijke administratieve sancties alsook aan strafrechtelijke sancties”
(8). Via amendement werd echter de uitzondering ingevoegd wanneer het gaat om een publiekrechtelijke rechtspersoon die goederen of diensten aanbiedt op een markt waarvoor geldt dat er dan wel administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd. In de verantwoording bij het desbetreffende amendement werd het volgende geschreven: “Tijdens de hoorzittingen over dit ontwerp kwam bij verschillende sprekers tot uiting dat de vrijstelling van administratieve geldboetes voor de overheid als onredelijk werd ervaren. Als we kijken naar de wetgeving van andere Europese landen ter implementatie van de Verordening, zien we dat er landen zijn waar dezelfde vrijstelling geldt, maar evengoed zijn er landen die wel toestaan dat de overheid pecuniair zou worden gesanctioneerd, en dan vooral wanneer het gaat om entiteiten van de overheid die in concurrentie treden met private spelers op de markt. We denken dan vooral aan overheidsbedrijven die actief zijn op de markt van vervoer, post- en pakjesbedeling, telefonie, communicatie,… In ons land kan men moeilijker het begrip “concurrentie” gebruiken, aangezien er voor een aantal overheidsbedrijven geen private tegenhangers zijn. Om er toch voor te zorgen dat er sprake kan zijn van pecuniaire sancties, wordt in dit amendement een omschrijving ontworpen die is gebaseerd op een omkering van de omschrijving die gangbaar is in het economisch recht, waar men stelt dat iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt, geen onderneming is. Als we die logica omkeren, kunnen we in het kader van dit wetsontwerp zeggen dat iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die wel goederen of diensten aanbiedt op een markt, kan worden gesanctioneerd door administratieve geldboetes op te leggen. Dit creëert een eerlijker speelveld tussen de overheidsbedrijven en de private markt”. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat deze bepaling onder meer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt onder meer omdat, de wetgever, met de bestreden bepaling, de continuïteit van de openbare dienstverlening wil verzekeren en de uitoefening van een opdracht van algemeen belang niet in gevaar wil brengen, de vrijstelling van administratieve geldboeten waarin wordt voorzien voor de in de bestreden bepaling bedoelde overheden, geen onevenredige gevolgen heeft omdat zij toelaat te vermijden dat de financiële gevolgen van een dergelijke sanctie doorwegen op de burger en op de kwaliteit van de openbare dienstverlening, en tegelijkertijd de mogelijkheid vrijwaart om alternatieve afschrikkende maatregelen op te leggen bij niet-naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de AVG
(9). Uit de niet-bestreden vaststelling van de appelrechters dat er tussen de partijen terecht geen betwisting over bestaat dat een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling bij de uitoefening van haar reguliere onderwijstaken een overheid is in de zin van artikel 5, 3°, Gegevensbeschermingsweten, de vaststelling dat verweerster een vzw betreft en dus geen publiekrechtelijk rechtspersoon is en de letterlijke lezing van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet volgt reeds dat verweerster geen administratieve geldboete kan worden opgelegd. Tijdens de parlementaire bespreking van de ontwerp-Gegevensbeschermingswet werd echter wat betreft gemeentescholen en gemeenschapsscholen door enkele parlementairen opgeworpen dat dit toch overheden zouden betreffen die diensten aanbieden en dus toch administratieve geldboetes zouden kunnen worden opgelegd
(10). Deze opmerkingen werden echter vooral gemaakt uit een bezorgdheid van het verschil in behandeling tussen de overheid en de private ondernemingen of tussen de onderwijsinstellingen van het vrij onderwijs en die van het gemeenschapsonderwijs. Dit blijkt echter een onterechte bezorgdheid te zijn in het licht van het hogervermelde arrest van het Grondwettelijk Hof van 14 januari 2021
(11). Wat tijdens de parlementaire bespreking hieromtrent werd gesteld is dan ook niet correct volgens mij. Het Hof van Justitie oordeelde reeds dat het feit dat de oplegging van een administratieve geldboete op grond van artikel 83 AVG is uitgesloten op basis van nationale regeling gegrond op artikel 83.7 AVG, een effectieve toepassing van de AVG mogelijk maakt op grond van de verschillende alternatieve maatregelen opgenomen in de AVG
(12). Het is daarenboven ook vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het aanbieden van onderwijs, dat geheel of hoofdzakelijk uit overheidsmiddelen wordt gefinancierd, geen diensten zijn. Het Hof van Justitie overwoog in het arrest van 27 juni 2017
(13): “Begrippen onderneming en economische activiteit
- Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht van de Unie elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU:C:2006:8, punt 107).
- Hieruit volgt dat de openbare of particuliere aard van de entiteit die de betrokken activiteit uitoefent, geen invloed kan hebben op het antwoord op de vraag of deze entiteit al dan niet de hoedanigheid van onderneming heeft.
- Voor zover de betrokken activiteit als economische activiteit kan worden aangemerkt, staat de omstandigheid dat zij door een religieuze gemeenschap wordt uitgeoefend, overigens niet in de weg aan de toepassing van de Verdragsregels, waaronder die welke het mededingingsrecht beheersen (zie in die zin arrest van 5 oktober 1988, Steymann, 196/87, EU:C:1988:475, punten 9 en 14).
- Om uit te maken of de betrokken activiteiten die van een onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie zijn, dient te worden nagegaan welke de aard van die activiteiten is, waarbij voor elk van de verschillende activiteiten van elke entiteit moet worden nagegaan of deze als economische activiteit kan worden aangemerkt (zie in die zin arresten van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, EU:C:2002:617, punt 75, en 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punt 25).
- Elke activiteit die bestaat in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt, vormt een economische activiteit (arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU:C:2006:8, punt 108).
- De omstandigheid dat de goederen en diensten zonder winstoogmerk worden aangeboden, belet niet dat de entiteit die deze op de markt aanbiedt, als een onderneming moet worden beschouwd wanneer dit aanbod concurreert met dat van andere marktdeelnemers, die wel winst nastreven (arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punt 27).
- Prestaties die gewoonlijk tegen vergoeding worden verricht, vormen diensten die als economische activiteiten kunnen worden aangemerkt. Het wezenlijke kenmerk van de vergoeding bestaat hierin dat zij de economische tegenprestatie voor de betrokken prestatie vormt (zie naar analogie arrest van 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C-76/05, EU:C:2007:492, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat onderwijs verstrekt door onderwijsinstellingen die hoofdzakelijk worden gefinancierd uit particuliere middelen die niet van de dienstverrichter zelf afkomstig zijn, diensten zijn, daar het door deze instellingen nagestreefde doel er immers in bestaat een dienst aan te bieden tegen vergoeding (zie naar analogie arresten van 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C-76/05, EU:C:2007:492, punt 40, en Commissie/Duitsland, C-318/05, EU:C:2007:495, punt 69).
- Het is niet nodig dat deze particuliere financiering hoofdzakelijk door de leerlingen of hun ouders wordt verricht, aangezien de economische aard van een activiteit niet afhangt van het feit dat de dienst wordt betaald door degenen die deze ontvangen (zie naar analogie arresten van 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C-76/05, EU:C:2007:492, punt 41, en Commissie/Duitsland, C-318/05, EU:C:2007:495, punt 70).
- Dit geldt echter niet voor onderwijs verstrekt door bepaalde instellingen die deel uitmaken van een openbaar onderwijsstelsel en volledig of hoofdzakelijk uit overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bij de organisatie en de handhaving van een dergelijk openbaar onderwijsstelsel, dat in de regel wordt gefinancierd uit de staatskas en niet door de leerlingen of hun ouders, heeft de staat immers niet de bedoeling activiteiten tegen vergoeding te verrichten, maar vervult hij zijn sociale, culturele en opvoedkundige taak jegens zijn bevolking (zie naar analogie arresten van 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C-76/05, EU:C:2007:492, punt 39, en Commissie/Duitsland, C-318/05, EU:C:2007:495, punt 68)”. Uit dit alles volgt dat rechtspersonen, zoals verweerster, met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, moeten worden beschouwd als een overheid in de zin van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet die niet kan worden gesanctioneerd met administratieve geldboetes zoals bedoeld in artikel 83 AVG
(14). De voorziening die er in zijn geheel van uitgaat dat de volle werking van de AVG niet zou zijn gegarandeerd door een interpretatie van artikel 221, § 2, Gegevensbeschermingswet waarbij die bepaling rechtspersonen met privaatrechtelijk statuut die gesubsidieerd vrij onderwijs aanbieden, vrijstelt van het toepassingsgebied van artikel 83 AVG, faalt volgens mij in zoverre naar recht. De in ondergeschikte orde door eiseres gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient niet te worden gesteld omdat die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting. Conclusie: Verwerping. ____________________________________
(1)Pb.L. 4 mei 2016.
(2)Cass. 9 januari 2023, AR C.22.0166.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.9, arrest niet gepubliceerd.
(3)Er werden reeds gelijkaardige arresten door het Marktenhof geveld, die kennelijk niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een cassatieberoep maar reeds werden becommentarieerd in de rechtsleer nl. HvB Brussel (Marktenhof), 6 oktober 2021, JLMB 2022, afl. 33, 1461 met noot COTON F. en RENSONNET A., “Exemption des amendes administratives prévues par le RGPD à l ’égard des autorités publiques : état des lieux”.
(4)BS 5 september 2018.
(5)Zie Cass. 26 juni 2015, AR C.14.0476.N, arrest niet gepubliceerd, Bank.Fin.R. 2015, 432; WYLLEMAN B. en DE POTTER DE TEN BROECK M., “De ontvankelijkheid van cassatiemiddelen in burgerlijke zaken”, in X, Procederen voor het Hof van Cassatie/Procéder devant la Cour de Cassation – 2de editie’, Knopspublishing 2023,
(321)327, nr. 6.
(6)HvJ 4 mei 2023, C-60/22, ECLI:EU:C:2023:373, UZ t. Bundesrepublik Deutschland, overweg. 68.
(7)HvJ 29 oktober 2015, C-174/14, ECLI:EU:C:2015:733, Saudaçor – Sociedade Gestora de Recursos e Equipamentos da Saúde dos Açores SA / Fazenda Pública, overweg. 70.
(8)Mvt bij het wetsontwerp betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, Kamer, 2017-2018, 11 juni 2018, 54-3126/001, 229.
(9)GwH 14 januari 2021, 3/2021, ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.003, overweg. B.32.
(10)Verslag van de eerste lezing bij het wetsontwerp betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, Kamer, 2017-2018, 6 juli 2018, 54-3126/003, 44 en 98.
(11)Ook in de rechtsleer werd de correctheid van de uitlatingen van deze parlementsleden in twijfel getrokken (zie COTON F. en RENSONNET A., “Exemption des amendes administratives prévues par le RGPD à l ’égard des autorités publiques: état des lieux”, JLMB 2022, alf. 33, 1465; DE BOT D., De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Wolters Kluwer Belgium 2020, 1221, nr. 3140).
(12)HvJ 4 mei 2023, C-60/22, ECLI:EU:C:2023:373, UZ t. Bundesrepublik Deutschland, overweg. 68: ”Gelet op de twijfels die de verwijzende rechter heeft geuit, moet tot slot nog worden gepreciseerd dat de omstandigheid dat in casu de oplegging van een administratieve geldboete op grond van artikel 58, lid 2, onder i), en artikel 83 AVG uitgesloten is, omdat het nationale recht een dergelijke sanctie voor het Bundesamt verbiedt, niet in de weg staat aan de effectieve toepassing van deze verordening. Dienaangaande volstaat het namelijk op te merken dat artikel 83, lid 7, van die verordening de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt te bepalen of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan overheidsinstanties of overheidsorganen. Afgezien daarvan maken de verschillende alternatieve maatregelen van de AVG, die in het vorige punt in herinnering zijn gebracht, een dergelijke effectieve toepassing mogelijk”.
(13)HvJ 27 juni 2017, C-74/16, ECLI:EU:C:2017:496, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania t. Ayuntamiento de Getafe.
(14)In deze zin zie COTON F. en RENSONNET A., ‘Exemption des amendes administratives prévues par le RGPD à l ’égard des autorités publiques : état des lieux’, JLMB 2022, alf. 33, 1465; onduidelijker DE BOT D., De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context. Commentaar op de AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Wolters Kluwer Belgium 2020, 1221, nr. 3140). PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250627.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230210.1N.9 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.003 ECLI:EU:C:2015:733 ECLI:EU:C:2017:496 ECLI:EU:C:2023:373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div