← België

O. contra Dender Durme en Schelde

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 04 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250904.1N.4 Rolnummer: C.24.0390.N Zaak: O. contra Dender Durme en Schelde Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 354 - laatst gezien 2026-06-18 09:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 124 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 blijkt dat zowel voor de lopende administratieve als de gerechtelijke procedures de oude regels van toepassing blijven voor de afhandeling van die procedures

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 - Planologische neutraliteit - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 63 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 110 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 124 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 2.4.6, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 2 Het recht op een onteigeningsvergoeding ontstaat definitief op de dag van het vonnis waarbij de door de onteigenaar verschuldigde provisionele vergoeding wordt vastgesteld en op dat ogenblik gaat het eigendomsrecht van de eigenaar naar de onteigenaar over
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Spoedprocedure - Recht op onteigeningvergoeding - Overdracht van het eigendomsrecht - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 7 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte - 26-07-1962 - Art. 8 - 34 ELI link Pub nr 1962072651 Fiche 3 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 vindt geen toepassing op een vergoedingsaanspraak die het voorwerp uitmaakt van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure en waarin de provisionele onteigeningsvergoeding voor die datum reeds bij vonnis werd vastgesteld en het recht op de onteigeningsvergoeding definitief is ontstaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Vergoedingsaanspraak - Hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure - Planologische neutraliteit - Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 - Werking in de tijd Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten Tekst van de conclusie C.24.0390.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Situering De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de toepassing in de tijd van de regel inzake de planologische neutraliteit
(1)geformuleerd in artikel 63, § 2, van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017
(2). Meer specifiek rijst de vraag in hoeverre deze regel van toepassing is op onteigeningsprocedures die een aanvang genomen hebben onder de voordien toepasselijke Onteigeningswet 1962
(3). Het Hof heeft zich recent reeds over deze problematiek gebogen
(4)en heeft geoordeeld dat, gezien het ontbreken van specifieke overgangsbepalingen bij titel 5 van het Vlaams Onteigeningsdecreet, waar het voormelde artikel 63, § 2 deel van uitmaakt, de inwerkingtreding van deze bepaling de algemene regel inzake de intertemporele werking volgt
(5). Deze regel houdt, volgens vaste rechtspraak van het Hof, in dat de wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden, die zich voordoen of zich voortzetten onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten
(6). De toepassing van deze principes leidt het Hof tot het oordeel dat “artikel 63, § 2, Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 geen toepassing vindt ten aanzien van een vergoedingsaanspraak die het voorwerp uitmaakt van een op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet hangende gerechtelijke onteigeningsprocedure”
(7). De vraag rijst evenwel of de omstandigheid dat de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure op het ogenblik van inwerkingtreding van het Vlaams Onteigeningsdecreet reeds opgestart was voldoende is om te spreken van het bestaan van “onherroepelijk vastgestelde rechten”. Dat is mijns inziens niet het geval, aangezien de bevoegde vrederechter de vordering tot onteigening nog kan afwijzen wegens het niet vervuld zijn van de voorgeschreven formaliteiten of wegens onregelmatigheid van de voorziene onteigening
(8). In het geciteerde arrest van 6 december 2024 verwijst het Hof tevens naar de procedure voorzien in de artikelen 7 en 8 Onteigeningswet 1962
(9), die voorziet dat de vrederechter in een en hetzelfde vonnis uitspraak doet over de naleving van de door de wet voorgeschreven formaliteiten en over het bedrag van de provisionele vergoedingen, vonnis dat niet vatbaar is voor hoger beroep, wordt overgeschreven in het register van de bevoegde hypotheekbewaarder en ten aanzien van derden dezelfde gevolgen heeft als de overschrijving van de akte van overdracht. Deze procedurestap is van cruciaal belang voor de rechtstoestand van de onteigende, aangezien de uitwerking van het onteigeningsvonnis een definitieve eigendomsoverdracht en tegelijk een daaruit voortvloeiend recht op onteigeningsvergoeding, zij het op dat ogenblijk slechts provisioneel begroot, doet ontstaan
(10). Artikel 63, § 2, van het Vlaams Onteigeningsdecreet is dan ook niet van toepassing op lopende onteigeningsprocedures die werden aangevat onder gelding van de Onteigeningswet 1962, voor zover de vrederechter zich op die datum reeds heeft uitgesproken over de provisionele onteigeningsvergoeding. Van zodra die onteigeningsvergoeding bij vonnis werd vastgesteld en tegelijk ook de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden (en ook een definitief recht op schadevergoeding is ontstaan), is er immers sprake van onherroepelijk vastgestelde rechten, waaraan de principiële onmiddellijke werking van de nieuwe wet geen afbreuk mag doen. Eerste onderdeel van het eerste middel In een eerste onderdeel van het eerste middel laten eisers gelden dat het bestreden arrest ten onrechte vaststelt dat artikel 63, § 2, van het Vlaams Onteigeningsdecreet niet van toepassing is op de onteigeningsprocedure die lastens hen wordt gevoerd en die hangende was op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Vlaams Onteigeningsdecreet, waardoor de appelrechter verkeerdelijk de oude regels inzake de planologische neutraliteit heeft toegepast. Uit de vaststellingen in het bestreden arrest blijkt dat de gerechtelijke onteigeningsprocedure werd ingesteld bij dagvaarding van 23 februari 2017 en dat de bevoegde vrederechter op 22 mei 2018 de onteigening regelmatig heeft bevonden en terzelfder tijd een provisionele schadevergoeding heeft vastgesteld. Aangezien dit vonnis zich situeert na de inwerkingtreding van het Vlaams Onteigeningsdecreet maakt de planologische neutraliteit zoals geformuleerd in artikel 63, § 2, van dat decreet, deel uit van het referentiekader waarbinnen de onteigeningsvergoeding moet worden bepaald. De appelrechter die, onder verwijzing naar de gemeenrechtelijke regels inzake de temporele werking en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, vaststelt dat de eisers zich ten onrechte beroepen op artikel 63 van het Vlaams Onteigeningsdecreet, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Conclusie: cassatie behalve in zoverre het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard, met verwijzing. ______________________________________________________________________
(1)Cass 31 mei 2013, AR C.11.0749.N, AC 2013 nr. 332, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3; VERBIST, S., “De planologische neutraliteit van de onteigeningsvergoeding: het Grondwettelijk Hof legitimeert, het Hof van Cassatie veralgemeent” (noot onder GwH. 25 oktober 2012, nr. 129/2012 en Cass. 31 mei 2013, C.11.0749.N), TROS 2014, nr. 73, 50; CHARLIER, F., “Praktische gids Vlaams Onteigeningsdecreet”, OGP juni 2018, afl. 312, XVII.A-19; VERBIST, S., BUGGENHOUDT, C., en BIMBENET, C., Het Vlaams Onteigeningsdecreet. Een kritische analyse voor overheid, eigenaar en magistraat, Brugge, die Keure, 2018, 147, nrs. 425 e.v..
(2)Decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut, BS 25 april 2017, p. 53296, ELI link Pub nr 2017040219.
(3)Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, BS 31 juli 1962, p. 6414.
(4)Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5, met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5.
(5)Zie artikel 1 Oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 1.2, boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
(6)Zie onder meer Cass. 11 april 2024, AR C.21.0464.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5; Cass. 8 december 2022, AR C.21.0169.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221208.1F.6; Cass. 21 februari 2014, AR C.13.0277.F, AC 2014, nr. 138, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140221.1; Cass. 12 maart 2012, AR S.10.0154.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120309.6, AC 2012, nr. 161, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6.
(7)Zie randnr. 6 bij Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5.
(8)Artikel 7, tweede lid, Onteigeningswet 1962; LEFRANC, P., “De onteigeningswet: een bron van...”, T.B.O., 2007/5, p. 159.
(9)Zie randnr. 4 bij Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5.
(10)LEFRANC, P., “De onteigeningswet: een bron van...”, T.B.O., 2007/5, p.
  1. MERTENS, F., “De gerechtelijke fase van de onteigening. De fabel van de haas en de schildpad” in: PALMANS, R., en TOURY, J., (eds), Onteigeningen in Vlaanderen na de zesde staatshervorming, 1e editie, Brussel, Intersentia, 2015, p. 126; VERBIST, S., BUGGENHOUDT, C., en BIMBENET, C., Het Vlaams Onteigeningsdecreet. Een kritische analyse voor overheid, eigenaar en magistraat, Brugge, die Keure, 2018, 147, nr.
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250904.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140221.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221208.1F.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240411.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.