← België

VIAGOGO GmbH contra TELE TICKET SERVICE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250909.2N.5 Rolnummer: P.24.1373.N Zaak: VIAGOGO GmbH contra TELE TICKET SERVICE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-11-04 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-06-15 09:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.5 Fiches 1 - 7 Het Hof is van oordeel dat er grond is tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 5 Wet Toegangsbewijzen de artikelen 38 en 127, § 1, 1°, Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen, krachtens dewelke de Gemeenschappen exclusief bevoegd zijn voor culturele aangelegenheden?”

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 127 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: VERTONINGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Thesaurus CAS: ECONOMIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 127, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 4 - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 1° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen - 30-07-2013 - Art. 5 - 20 ELI link Pub nr 2013011413 Tekst van de conclusie P.24.1373.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: (…) Tweede middel (eerste en tweede onderdeel). 1. Eiseres voert in het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel de schending aan van de artikelen 38 en 127, § 1, Grondwet en de artikelen 4 en 6 van de Bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 (hierna Bijzonder Wet Hervorming Instellingen). 2. Huidig dossier betreft een vervolging wegens inbreuken op de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen
(1)(hierna Wet Toegangsbewijzen). Eiseres is een vennootschap naar Zwitsers recht en baatte ten tijde van de feiten een elektronisch platform (website) uit dat ter beschikking werd gesteld voor de tekoopaanbieding en de doorverkoop van toegangsbewijzen op de secundaire markt. Zo hebben verschillende personen via de website van eiseres officiële tickets voor concerten van Adele in de Belgische concertzaal het Sportpaleis op 12, 13 en /of 15 juni 2016 op de secundaire markt tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke verkoopprijs aangeboden of verkocht. In deze zaak werden enerzijds de effectieve “doorverkopers” vervolgd (feiten 1 en 2 van de telastlegging) en anderzijds onder meer eiseres (feit 3 van de telastlegging). De te laste gelegde feiten werden in hoofde van eiseres als volgt omschreven: “Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; toegangsbewijzen tot evenementen, hetzij op regelmatige wijze doorverkocht te hebben, hetzij occasioneel doorverkocht te hebben tegen een prijs die hoger is dan de definitieve prijs van het toegangsbewijs, zoals deze bij het voorstellen van de transactie bekend gemaakt werd door de originele verkoper, hetzij doorverkocht te hebben voor de start van de oorspronkelijke verkoop, hetzij een bevoorrecht toegangsbewijs of een promotioneel toegangsbewijs, waarvoor geen oorspronkelijke verkoop geweest is, te hebben verkocht. (inbreuk op artikel 5 van de Wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen, strafbaar gesteld bij artikel 9 van dezelfde wet en de artikelen XV.70 en XV.83 van het Wetboek van economisch recht)
  1. te Antwerpen in de periode van 3 december 2015 tot en met 16 december 2015 door (…), AG Viagogo (= eiseres) namelijk als tussenpersoon op de secundaire markt op regelmatige wijze de doorverkoop van officiële tickets voor concerten van Adele in het Sportpaleis d.d. 12, 13 en/of 15 juni 2016 tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke verkoopprijs mogelijk te maken.”
  2. Zoals eiseres in haar memorie ook stelt, blijkt dat eiseres schuldig werd bevonden aan een inbreuk op artikel 5, § 2, tweede lid, Wet Toegangsbewijzen. Artikel 5, §§ 1 en 2, Wet Toegangsbewijzen luidt als volgt: §
  3. De regelmatige doorverkoop is verboden. De voorstelling met het oog op regelmatige doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een regelmatige doorverkoop, zijn verboden. §
  4. De occasionele doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1, is verboden. De voorstelling met het oog op occasionele doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een occasionele doorverkoop, zijn eveneens verboden indien het gaat om een doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1.” Inbreuken op artikel 5 Wet Toegangsbewijzen zijn strafbaar gesteld bij artikel 9 Wet Toegangsbewijzen en de artikelen XV.70 en XV.83 van het Wetboek Economisch Recht
(2).
  1. De Wet Toegangsbewijzen houdt verband met de verkoop van toegangsbewijzen voor onder andere culturele en sportieve evenementen en legt de doorverkoop van toegangsbewijzen van dergelijke evenementen aan banden. Een toegangsbewijs in de zin van deze wet is “een document, bericht of code, ongeacht de vorm of drager ervan, dat het bewijs vormt van het verkrijgen bij de producent, de organisator, de eigenaar van de exploitatierechten of enige andere geaccrediteerde verkoper, van het recht om een cultureel, sportief of commercieel evenement of live voorstelling bij de wonen” (artikel 2, 1°, Wet Toegangsbewijzen). Onder doorverkoop wordt verstaan “elke verkoop en elk aanbod tot verkoop van een toegangsbewijs, die niet uitgaan van de oorspronkelijke verkoper” (artikel 2, 4°, Wet Toegangsbewijzen). De doorverkoper wordt gedefinieerd als “de natuurlijke of rechtspersoon die een daad van doorverkoop stelt” (artikel 2, 5°, Wet Toegangsbewijzen). Overeenkomstig artikel 5, § 2, eerste lid, Wet Toegangsbewijzen is de “occasionele doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1” verboden en overeenkomstig artikel 5, § 2, tweede lid zijn de voorstelling met het oog op occasionele doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een occasionele doorverkoop eveneens verboden indien het gaat om een doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de prijs bepaald in artikel 4, § 1, Wet Toegangsbewijzen. Artikel 4, § 1, Wet Toegangsbewijzen bepaalt dat de oorspronkelijke verkoper bij het voorstellen van de transactie steeds de definitieve prijs van het toegangsbewijs bekend maakt, ongeacht de vorm ervan. De prijs wordt op het toegangsbewijs vermeld op een ondubbelzinnige manier en in een duidelijk leesbaar lettertype.
  2. Eiseres voert aan dat artikel 5, § 2, Wet Toegangsbewijzen een wettelijke bepaling is die strijdig is met de grondwettelijke regels betreffende de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de gemeenschappen en deze ongrondwettelijke bepaling niet kan worden aangewend als basis voor de schuldigverklaring van eiseres. De appelrechters die eiseres schuldig verklaren op grond van deze ongrondwettelijke wetsbepaling zouden hun beslissing niet naar recht verantwoorden. Eiseres stelt dat overeenkomstig de artikelen 38 en 127, § 1, 1°, Grondwet en de artikelen 4 en 6 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen, getoetst en geanalyseerd met inachtname van de zwaartepuntdoctrine, het zwaartepunt van de Wet Toegangsbewijzen binnen de exclusieve bevoegdheden van de gemeenschappen ligt en in het bijzonder binnen de bevoegdheid inzake culturele aangelegenheden. De Wet Toegangsbewijzen vormt volgens eiseres ontegensprekelijk een prijsregeling voor culturele en sportevenementen, terwijl deze evenementen tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoren. Eiseres lijkt deze stelling te onderbouwen op grond van volgende argumentatie: - de gemeenschappen zijn overeenkomstig de artikelen 38 en 127, § 1, 1°, van de Grondwet exclusief bevoegd voor culturele aangelegenheden; - culturele en sportieve evenementen behoren krachtens artikel 4, 3°, 9° en 10° Bijzondere Wet Hervorming Instellingen tot de exclusieve bevoegdheden van de gemeenschappen; - De federale Staat is krachtens artikel 6 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen weliswaar exclusief bevoegd voor onder meer “’het prijs- en inkomensbeleid, met uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten behoren”, het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken en het handelsrecht en het vennootschapsrechter; de federale overheid is ook bevoegd om “algemene regels” aan te nemen over “consumentenbescherming” als kaderbevoegdheid; - de Wet Toegangsbewijzen regelt de prijs van toegangsbewijzen voor publieke evenementen inzake sport, cultuur en openlucht manifestaties door te bepalen dat “occasionele doorverkoop tegen een prijs die hoger is dan de oorspronkelijke prijs” verboden is; - de gemeenschappen en gewesten zijn bevoegd om prijzen vast te stellen van de goederen en diensten die deel uitmaken van de aan hen toegewezen materies, voor zover dit geen afbreuk doet aan de algemene federale bevoegdheid inzake prijsbeleid; - de prijsregeling in de Wet Toegangsbewijzen is niet algemeen van aard maar regelt specifiek de doorverkoopprijs in de sfeer van een gemeenschapsmaterie, met name toegangsbewijzen voor publieke evenementen inzake sport, cultuur en openlucht manifestaties. - Het is de federale wetgever verboden om een prijsreglementering vast te stellen voor goederen of diensten die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoren. Volgens eiseres kan tevens de reden dat met de Wet Toegangsbewijzen niet de prijs op de primaire markt wordt geregeld, maar enkel op de secundaire markt de praktijk van de doorverkoop met winst wordt verboden, niet de beslissing van de appelrechters verantwoorden dat het zwaartepunt van de Wet Toegangsbewijzen niet ligt bij het regelen van een culturele aangelegenheid, noch bij het prijs- en inkomensbeleid, maar wel bij het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken, aangezien de Wet Toegangsbewijzen toch de prijzen op de secundaire markt van de doorverkoop regelt door er een maximum aan te stellen. Eiseres gaat er dus van uit dat het zwaartepunt van de Wet Toegangsbewijzen ligt bij een beweerdelijke regeling van de prijzen in een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren.
  3. Na analyse van het arrest van Grondwettelijk Hof van 30 april 2015
(3)oordeelt het bestreden arrest dat er geen reden voorligt om het bestaan van de door eiseres vooropgestelde schending van de Grondwet vast te stellen, minstens dat klaarblijkelijk geen schending voorlegt zodat geen prejudiciële vraag dient te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof (zie arrest randnummers 45, 46 en 47, pagina 27-29). De appelrechters oordelen dat het zwaartepunt van de Wet Toegangsbewijzen niet ligt bij het regelen van een culturele aangelegenheid, noch bij het prijs- en inkomensbeleid zoals bedoeld in artikel 6, § 1, Bijzondere Wet Hervorming Instellingen, maar wel bij het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken. De appelrechters stellen dat uit de overwegingen van het Grondwettelijk Hof in gemeld arrest van 30 april 2015, waarnaar zij verwijzen en die door de appelrechters worden onderschreven, blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever om specifiek de problemen inzake de verstoring van de marktwerking bij de doorverkoop op de secundaire markt te proberen op te lossen, minstens deze in te perken. Deze regeling is volgens de appelrechters dan ook in essentie gericht op het tegengaan van verstoring van de vrije marktwerking en dus het beschermen van de vrije marktwerking op de zogenaamde secundaire markt waar het zwaartepunt inzake bevoegdheidsverdeling ook redelijkerwijze kan geacht worden bij aan te sluiten en dus niet, zoals eiseres in hoofdorde aanvoert, bij het regelen van een culturele aangelegenheid. Het oordeel dat het zwaartepunt ook niet ligt bij het prijs- en inkomensbeleid wordt gesteund op het feit dat door de Wet Toegangsbewijzen geen regeling inzake prijzen werd ingevoerd betreffende de tickets voor de toegang tot de betreffende evenementen waarvoor de prijszetting op de primaire markt aan geen enkele regeling wordt onderworpen. Er wordt aldus op geen enkele wijze een prijs bepaald voor evenementen op de primaire markt. Enkel op de secundaire markt wordt een bepaalde praktijk, namelijk de occasionele doorverkoop met winst verboden, zonder dat de prijzen of de wijze van prijszetting op de primaire markt worden gereguleerd. 7. Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3° van de Bijzondere Wet Hervorming instellingen behoort het prijs- en inkomensbeleid tot de exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever. De bijzondere wetgever heeft deze bevoegdheid gecentraliseerd met de bedoeling het risico op ongelijkheid en incoherentie te vermijden
(4). Het prijsbeleid heeft volgens de wetgever van 2014 tot doel om de inflatie tegen te gaan of de mededinging te vrijwaren. De maatregelen van de federale overheid in dat verband kunnen betrekking hebben op de prijzen van diensten en producten die tot de gewest- of gemeenschapsbevoegdheden behoren, zonder tot doel te mogen hebben het gemeenschaps- of gewestbeleid te beïnvloeden noch een onevenredige invloed op dat beleid als gevolg te hebben
(5). Deze bevoegdheid inzake prijs (en inkomen) vullen het Grondwettelijk Hof en de Raad van State restrictief in
(6). De federale overheid heeft vooreerst “slechts” een algemene bevoegdheid om een prijsbeleid te voeren. Ze kan enkel maatregelen met een algemene strekking aannemen, die bovendien dwingend moeten zijn en een directe (geen indirecte) invloed op de prijsvorming moeten hebben
(7). De federale overheid beschikte en beschikt dus niet over de bevoegdheid om op specifieke wijze de prijzen in bepaalde domeinen die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten behoren te regelen
(8). Een instrument van dergelijk bijzonder prijsbeleid is bijvoorbeeld een sectoriële maximumprijs
(9). De gemeenschappen en de gewesten mogen tarieven vaststellen in de hen toegewezen bevoegdheden, tenzij de federale overheid kan oordelen dat voor het verwezenlijken van een coherent prijs- en inkomensbeleid een maatregel van algemene aard nodig is
(10). Zowel het Grondwettelijk Hof als de Raad van State erkende dat de aan de federale Staat toegewezen bevoegdheid geen beletsel vormde voor de gemeenschappen en de gewesten om tarieven vast te stellen binnen domeinen die tot hun bevoegdheid behoren (waarbij ze wel rekening moeten houden met het algemene prijsbeleid van de federale overheid)
(11). Die bestaande regeling is met ingang van 1 juli 2014 met een Bijzondere Wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming
(12)opgenomen in artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, Bijzondere Wet Hervorming Instellingen aan de hand van een uitzondering op het federaal voorbehouden prijs- en inkomensbeleid voor “de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d)”. Die toevoeging sinds 2014 vormt de voltooiing van de ontwikkeling van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State ter zake
(13). Het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken is volgens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 4°, Bijzondere Wet Hervorming Instellingen aan de federale overheid voorbehouden. Volgens de wetgever van 1988 betreft dit de regels om een werkzame concurrentie tussen de marktdeelnemers te waarborgen
(14). Consumentenbescherming is eveneens op grond van artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, BWHI aan de federale overheid voorbehouden. De culturele aangelegenheden behoren tot de bevoegdheidssfeer van de gemeenschappen
(15). Artikel 4 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen rafelt de culturele aangelegenheden uit. Onder andere de schone kunsten, de lichamelijke opvoeding, de sport, het openluchtleven en de vrijetijdsbesteding vallen eronder. Aangezien de bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de gemeenschappen steunt op exclusiviteit, zodat de bevoegdheid van de ene overheid die van de andere uitsluit en elke rechtssituatie in beginsel slechts door één wetgever kan worden geregeld, doch niet alle materies zuiver van elkaar te scheiden zijn, maar een regeling soms aanleunt bij meerdere bevoegdheidstoewijzingen, heeft het Grondwettelijk Hof de zogenaamde zwaartepunt-doctrine ontwikkeld. Het Grondwettelijk Hof maakt dan uit waar het zwaartepunt van “de geregelde rechtsverhouding” ligt
(16). Uit zijn rechtspraak blijkt dat het Grondwettelijk Hof het zwaartepunt bepaalt aan de hand van de hoofdzakelijk
(17)geregelde materie of aangelegenheid. Het doel van de regeling of de geregelde sector bepalen op zichzelf niet het zwaartepunt. 8. Zoals vermeld gaat eiseres er van uit dat het zwaartepunt van de Wet Toegangsbewijzen ligt bij een beweerdelijke regeling inzake het prijsbeleid in culturele aangelegenheden, terwijl het bestreden arrest oordeelt dat het zwaartepunt ligt bij het mededingingsrecht en het recht inzake de handelspraktijken. In deze rijst aldus de vraag of artikel 5, § 2, Wet Toegangsbewijzen al dan niet een federale prijsregeling is in het raam van een aan de gemeenschappen voorbehouden culturele aangelegenheid en deze wetsbepaling de artikelen 38 en 127, § 1, 1°, Grondwet, in samenhang gelezen met artikelen 4 en 6 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen schendt. Overeenkomstig artikel 26, § 1, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. Bij arrest nr. 50/2015 van 30 april 2015
(18)heeft het Grondwettelijk Hof weliswaar uitspraak gedaan inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 6, 9 en 10 van de Wet Toegangsbewijzen maar dit verzoek tot vernietiging was niet gesteund op een beweerde schending van de bevoegdheidsverdelende regels, zoals opgenomen in de Grondwet en de Bijzondere Wet Hervorming Instellingen. Er lijkt mij dan ook grond tot het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 5, § 2, Wet Toegangsbewijzen de artikelen 38 en 127, § 1, 1°, Grondwet, in samenhang gelezen met artikelen 4 en 6 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen, krachtens dewelke de gemeenschappen exclusief bevoegd zijn voor culturele aangelegenheden, doordat de federale Staat op grond van de haar krachtens artikel 6 Bijzondere Wet Hervorming Instellingen exclusief voorbehouden bevoegdheid inzake het prijs- en inkomensbeleid, met het voormelde artikel 5, § 2, de prijs regelt in een culturele aangelegenheid, terwijl de gemeenschappen bevoegd zijn de prijzen te regelen in de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren?” De overige middelen. De overige middelen dienen mijns inziens beantwoord te worden na uitspraak van het Grondwettelijk Hof over deze prejudiciële vraag. Inzonderheid lijkt het mij vooralsnog niet nodig te onderzoeken of ook aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen dienen gesteld te worden, alvorens uitsluitsel bestaat of artikel 5, § 2, Wet Toegangsbewijzen al dan niet een ongrondwettelijke bepaling zou zijn. ____________________________________________________________________
(1)BS 6 september 2013.
(2)Oorspronkelijk luidde artikel 9 Wet Toegangsbewijzen: “De overtredingen van de artikelen 4 en 5 zijn onderworpen aan sancties als bedoeld in artikel 124 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming”. Dit artikel werd bij artikel 104 van de wet van 29 september 2020 tot wijziging van het Wetboek van economisch recht en van andere wetten met het oog op het versterken van de opsporings- en handhavingsbevoegdheden in overeenstemming met en in uitvoering van Verordening (EU) 2017/2394) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (BS 20 november 2020) gewijzigd en luidt thans “De inbreuken op de artikelen 4 en 5 zijn onderworpen aan hetzij een strafrechtelijke geldboete van niveau 2 zoals bedoeld in artikel XV.70 van het Wetboek van economisch recht, hetzij een administratieve geldboete van hetzelfde niveau, overeenkomstig artikel XV.60/20 van hetzelfde Wetboek”.
(3)GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, www.const-court.be.
(4)Parl.St. Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, pag.133-134; GwH 2 maart 1995, nr. 21/95, AA 1995, 337, RW 1995-96, 741, B.7.
(5)REYBROUCK K. en SOTTIAUX S., De federale bevoegdheden, Intersentia 2019, 579 en 583.
(6)VELAERS J., De Grondwet en de Raad van State, afdeling Wetgeving, Maklu 1999, 766.
(7)REYBROUCK K. en SOTTIAUX S., De federale bevoegdheden, Intersentia 2019, 580-588; VELAERS J., De Grondwet en de Raad van State, afdeling Wetgeving, Maklu 1999, 766.
(8)GwH 13 oktober 2016, nr. 130/2016, Juristenkrant 2017, afl. 342, 5 en 16, JLMB 2016, 1715, NjW 2017, 144, noot TIMBERMONT E., RW 2016-17, 600, Soc.Kron. 2016, 433; ALEN A. en MUYLLE K., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer 2011, 458, voetnoot 759.
(9)REYBROUCK K. en SOTTIAUX S., De federale bevoegdheden, Intersentia 2019, 586.
(10)GwH 2 maart 1995, nr. 21/95, AA 1995, 337, RW 1995-96, 741 (overweging B.9).
(11)Bijvoorbeeld: GwH 25 januari 2012, nr. 10/2012, A.GrwH 2012, 165 (overweging B.3) ; GwH 11 februari 2004, nr. 25/2004, AA 2004, 329, TBP 2005, 179 (overweging B.4); GwH 3 maart 1999, nr. 26/99, AA 1999, 299, TBP 1999, 683 (overweging B.5); RvS 26 januari 2005, nr. 139.838.
(12)BS 31 januari 2014.
(13)Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, pp. 99-100.
(14)Parl.St. Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, p. 134.
(15)Artikel 127, § 1, 1°, Grondwet.
(16)GwH 17 december 2020, nr. 165/2020, Amén. 2021, 206, APT 2021, 58, NjW 2021, 434, noot VERNIERS E., RW 2020-21, 1055, noot, RW 2020-21, 1160, TBP 2021, 338, noot VERNIERS E. (overweging B.11.1); GwH 28 mei 2009, nr. 87/2009, APT 2009, 244, A.GrwH 2009, 1367 (overweging B.10); GwH 15 januari 2009, nr. 2/2009, APT 2009, 73, A.GrwH 2009, afl. 1, 15, JLMB 2009, 436, RW 2008-09, 1278, RW 2009-10, 268, noot MOONEN T. en VANHEUSDEN B., TMR 2009, 162 (overweging B.11.2); GwH 28 juni 2006, nr. 109/2006, AA 2006, 1311 (overweging B.9.2); GwH 11 december 2002, nr. 184/2002, AA 2002, 2239, JTT 2004, 181, TBP 2004, 38 (overweging B.7); GwH 21 juni 2000, nr. 76/2000, AA 2000, 993, Juristenkrant 2000, afl. 14, 7, RW 2000-01, 1194, TBP 2001, 398 (overweging B.4.1); ALEN A. en MUYLLE K., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer 2011, 397; BEHRENDT C. en VRANCKEN M., Beginselen van Belgisch staatsrecht, die Keure 2022, 444.
(17)Zie: GwH 28 mei 2009, nr. 87/2009, APT 2009, 244, A.GrwH 2009, 1367 (overweging B.14).
(18)GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, www.const-court.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250909.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.