Obsah (4)
Art. 24Art. 26Art. 584Art. 1039id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 11 september 202
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 26
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 584
, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1039
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel XI.58, WER blijkt niet dat de wetgever de toepassingsvereisten voor een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking wenste aan te passen door de kracht van gewijsde van een beslissing inzake een inbreuk te miskennen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: UITVINDINGSOCTROOI - EUROPEES OCTROOI Vrije woorden: Nietigheid of herroeping octrooi - Ongerechtvaardigde verrijking - Toepassingsvereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.58, § 2, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.23.0110.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres gespecialiseerd is in generische middelen, terwijl de verweerster is gespecialiseerd in merkgeneesmiddelen. In 2003 wordt aan de verweerster tot in 2017 een octrooi “EP ‘320” toegekend voor een geneesmiddel. In 2008 verkrijgt de eiseres vergunningen om een generisch geneesmiddel in de handel te brengen. De vergunningen stellen dat dit generiek product in wezen gelijkwaardig is aan het product van verweerster. In 2009 dagvaardt de verweerster de eiseres voor de voorzitter van de toenmalige rechtbank van koophandel met het oog op het verkrijgen van voorlopige verbodsmaatregelen. De afwijzing van die vordering door de voorzitter wordt door het hof van beroep hervormd en de verbodsmaatregelen worden toegekend.
- Parallel aan de kortgedingprocedure leidt de verweerster in 2010 een procedure ten gronde in tegen eiseres, met als doel een inbreukverbod ten gronde en een schadevergoeding te bekomen. De eiseres stelt een tegenvordering in tot nietigverklaring in van het Belgisch luik van het octrooi “EP '320” wegens een gebrek aan nieuwheid dan wel uitvinderswerkzaamheid. Aan de in kort geding opgelegde verbodsmaatregelen werd een einde gesteld door de beslissing van de Technische Kamer van Beroep van het Europees octrooibureau van 20 september 2011, waarbij de herroeping van “EP '320” werd bevestigd. De eiseres stelt ook een tegenvordering in tot verkrijging van een schadevergoeding geleden ingevolge de in kort geding toegewezen verbodsmaatregel. Bij vonnis van 11 oktober 2013 verklaart de toenmalige rechtbank van koophandel te Brussel de hoofdvordering van verweerster en de tegenvordering van eiseres tot nietigverklaring van het Belgisch luik van het EP '320 zonder voorwerp, en de tegenvordering tot schadevergoeding van eiseres ontvankelijk maar ongegrond. Het bestreden arrest bevestigt het eerste vonnis.
- De eiseres komt met één middel op tegen dit arrest. 2 Bespreking. 2.1 Eerste grief: verhouding beslissing in kort geding en beslissing ten gronde.
- Volgens de eerste grief zouden de appelrechters de artikelen 1039, 24, 26 en 584 Ger.W., alsook het algemeen rechtsbeginsel inzake de ongerechtvaardigde verrijking en de artikelen 5.135, 5.136 en 5.137 BW schenden door te oordelen dat de vermogensverschuiving een juridische oorzaak vindt in het in kracht van gewijsde getreden kortgedingarrest. De eiseres stelt dat het kortgedingarrest geen nadeel kan toebrengen aan de grond van de zaak en dus geen juridische oorzaak kan vormen. De eiseres vraagt het Hof om zijn rechtspraak omtrent de verhouding tussen een beslissing in kort geding en een beslissing ten gronde te herzien, zoals blijkt uit de toelichting bij de grief.
- De oorsprong van de cassatierechtspraak over de verhouding tussen een beslissing in kort geding en een andersluidende beslissing ten gronde is te vinden bij wat LECLERCQ schreef in
- Het uitgangspunt dat de kortgedingrechter niet over de grond van de zaak oordeelt, verhindert hem niet om een eigen beslissing te nemen die een definitief en onherstelbaar nadeel kan doen ontstaan. De procedures voor de kortgedingrechter en de bodemrechter hebben een verschillend voorwerp. Om die reden kan de bodemrechter de beslissing van de kortgedingrechter niet hervormen
(1). 6. Het Hof oordeelt bij herhaling dat uit de artikelen 24, 26, 584, eerste lid, en 1039, eerste lid, Ger.W. volgt dat de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben zodra de bodemrechter een beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, zonder dat die beslissing van de bodemrechter terugwerkende kracht heeft op de beslissing in kort geding
(2). De beslissing in kort geding verliest zijn uitwerking ongeacht wat de kortgedingrechter besliste omtrent de looptijd van de maatregelen
(3)en ook al is de andersluidende beslissing van de bodemrechter niet uitvoerbaar bij voorraad en is ertegen een rechtsmiddel aangewend
(4). Het loutere feit dat de kortgedingbeslissing achteraf ten gronde wordt tegengesproken, levert nog geen fout op van de eiser in kort geding
(5). Het Hof oordeelde ook in een arrest van 8 maart 2012 dat de beslissing ten gronde wel enig effect kan hebben op de beslissing in kort geding, zonder dat de bodemrechter daarom de kortgedingbeslissing hervormt. DUBRULLE merkte in zijn conclusie voor dit cassatiearrest op dat de ex nunc-werking van de beslissing ten gronde betekent dat degene die in kort geding tot verplichtingen is veroordeeld, aansprakelijk kan blijven voor een tekortkoming aan die verplichtingen, tot op het ogenblik van de beslissing ten gronde, “maar dan ook niet voor meer dan dat”. In het bijhorend arrest van 8 maart 2012 besliste het Hof dat de verweerder in kort geding nog tot schadevergoeding kan worden veroordeeld om reden dat hij de beslissing in kort geding niet uitvoert, maar niet om reden dat hij de rechten van de eiser in kort geding, die ten gronde het onderspit delft, niet respecteert
(6). Ter zake kon de partij die volgens de bodemrechter een concessieovereenkomst terecht op 1 juni 2004 had opgezegd, niet gehouden zijn tot vergoeding van de schade die de tegenpartij leed door de wijze van uitvoering van die overeenkomst nadat de kortgedingrechter de verderzetting had bevolen. Ze kon wel tot vergoeding van de schade worden veroordeeld geleden door de niet-uitvoering van de kortgedingbeslissing. De tegenpartij voerde evenwel volgens de appelrechters schade aan die het gevolg was van de uitvoering van de – evenwel terecht opgezegde – concessieovereenkomst en niet van de niet-uitvoering van de kortgedingbeslissing. 7. Gezaghebbende rechtsleer verantwoordt deze rechtspraak van het Hof door de eigen aard van de beide procedures: bodem versus kort geding. Beide staan los van elkaar
(7). De beslissing in kort geding is een ordemaatregel
(8), geen beslissing ten gronde
(9). De bodemrechter is op geen wijze gebonden door de beslissing in kort geding
(10). De bodemrechter keurt de beslissing in kort geding niet af
(11), noch hervormt die beslissing
(12). Hij mag niet doen alsof de kortgedingbeslissing er nooit is geweest
(13). Hij doet die beslissing niet teniet, wat enkel zou kunnen met een rechtsmiddel. Hij mag niet oordelen dat de omstandigheden de in kort geding gevorderde maatregel niet vereisten
(14). De kortgedingbeslissing is een geldige titel op grond waarvan uitvoering kan worden vereist, tot het ogenblik van de andersluidende beslissing ten gronde
(15). Wil de verweerder in kort geding die titel wegwerken, dan staat voor hem hoger beroep of verzet tegen de kortgedingbeslissing open
(16). 8. Dit sluit niet uit dat er restitutie kan zijn ingevolge de beslissing ten gronde. Een in kort geding betaalde geldsom of een afgegeven zaak moet door de andersluidende beslissing ten gronde vanaf die uitspraak ten gronde worden teruggegeven, evenwel zonder interest of vruchten, want de tot restitutie gehouden partij wordt geacht te goeder trouw te zijn totdat de beslissing ten gronde hem wordt medegedeeld. Dat geldt niet voor een in kort geding bevolen facere of non-facere. Daar moet de verweerder in kort geding zich tevreden stellen met een stopzetting van de verplichting iets te doen of iets niet te doen. Er is in dat geval geen aanleiding tot vergoeding voor het gebruik of genot van de zaak
(17). Verbeurde dwangsommen wegens niet-uitvoering van de kortgedingbeslissing blijven verschuldigd, ook nadat de beslissing in kort geding ten gronde is tegengesproken
(18). 9. Het is niet mogelijk om ten gronde schadevergoeding te eisen om de enkele reden dat in de bodemprocedure anders is beslist dan in kort geding, aangezien de bodemprocedure en de procedure in kort geding van elkaar losstaan
(19). Die schadevergoedingseis toch toelaten zou de procedure in kort geding uithollen
(20). Schadevergoeding is wel denkbaar als onder de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregels wordt aangetoond dat de eiser in kort geding nalatig handelde door voorlopige maatregelen in kort geding te eisen
(21).
- De eiseres stelt deze cassatierechtspraak in vraag. De praetoriaanse creatie dat een beslissing ten gronde geen terugwerkende kracht kent op de beslissing in kort geding zou artikel 1039 Ger.W. schenden door, ondanks die wetsbepaling, toch een positief gezag van gewijsde aan de beslissing in kort geding te verbinden, waardoor de aard van het kort geding in het gedrang komt. Daarenboven zou die rechtspraak onbillijk zijn, ongerechtvaardigde discriminaties in de hand werken en de effectieve toegang tot de rechter op ernstige wijze beperken. Deze kritieken worden hierna ontmoet.
- VAN COMPERNOLLE en DE LEVAL geven aan dat de cassatierechtspraak tegen artikel 1039, eerste lid, Ger.W. ingaat, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het declaratief karakter van de beslissing ten gronde
(22). Aangezien de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf, menen die auteurs dat aan de beslissing in kort geding geen positief gezag van gewijsde kan kleven. Van die beslissing gaat geen vermoeden van waarheid uit. De bodemrechter is met andere woorden niet gebonden door wat de kortgedingrechter heeft beslist. Om voor de bodemrechter de mogelijkheid open te houden om de gevolgen van de beslissing in kort geding te wijzigen, vervolgen de auteurs dat het kort geding niet werkelijk los staat van de bodemprocedure. Het kort geding is volgens die auteurs niet van dien aard dat het een onherstelbaar nadeel kan veroorzaken. De auteurs menen dat het kort geding plaatsvindt op het risico van de eiser in kort geding, zodat ook de risicoaansprakelijkheid die artikel 1398, eerste lid, Ger.W. in geval van voorlopige tenuitvoerlegging van een beslissing ten gronde installeert
(23), bij het kort geding moet spelen. Met verwijzing naar het verslag VAN REEPINGHEN menen ze dat de rechter ten gronde wel degelijk schadevergoeding kan toekennen aan de verweerder in kort geding voor de schade geleden door de uitvoering van de beslissing in kort geding, ook buiten het bewijs van een fout van de eiser in kort geding om
(24). Ze ondersteunen deze visie met een verwijzing naar Franse en Nederlandse rechtspraak en naar een arrest Van Uden van het Hof van Justitie
(25).
- Deze visie bevestigt enerzijds de rechtspraak dat de bodemrechter niet gebonden is door de beslissing van de kortgedingrechter, maar ontkent anderzijds de eigenheid van het voorwerp van de verschillende vorderingen. Het lijkt onvermijdelijk dat elke beslissing van de kortgedingrechter impact heeft op de rechten van een partij. Een voorlopige maatregel (door zijn impact) zodanig interpreteren dat hij feitelijk raakt aan de rechten van de partijen en de grond van de zaak, ondermijnt niet enkel het de zingeving en het gezag van gewijsde van het kortgeding (en de stakingsrechter), maar ook de bescherming van intellectuele eigendomsrechten. Zelfs al beslist de kortgedingrechter tot een (voorlopige) verbodsmaatregel, draagt in de voormelde visie de in het gelijkgestelde eiser het risico van de uitvoering ervan ingevolge de interpretatie van de terugwerkende kracht van de beslissing ten gronde. Het onberekenbaar financieel risico dat dreigt bij een afwijkende beslissing van de bodemrechter ondermijnt de bescherming en handhaving van het intellectueel eigendomsrecht.
- Zelfs al ziet artikel 19, derde lid, Ger.W. enkel op beslissingen “alvorens recht te doen” binnen een bodemprocedure, heeft deze beslissing zoals de kortgedingbeslissing een zeker gezag van gewijsde, onder meer ten aanzien van een eventueel nieuw verzoek tot voorlopige maatregelen, en (volgens een meerderheid in de rechtsleer) geen gezag van gewijsde ten aanzien van de grond van de zaak
(26). Een beslissing in kort geding is evenwel niet onderworpen aan dezelfde beperkingen als een beslissing alvorens recht te doen volgens artikel 19, derde lid, Ger.W. Een beslissing alvorens recht te doen is bijvoorbeeld slechts appellabel samen met de eindbeslissing, terwijl een kortgedingbeslissing onmiddellijk appellabel is
(27), hetgeen het gezag van gewijsde van de kortgedingsbeslissing ondersteunt. 14. Het Hof sluit zich aan bij deze laatste visie. Het verbindt aan de beslissing in kort geding in zekere mate een positief gezag van gewijsde ten aanzien van de bodemrechter. Het positief gezag van gewijsde bestaat volgens VAN REEPINGHEN erin dat “de jurisdictionele beslissing die het geschil berecht, vaststelt dat een partij een recht bezit of haar een recht toekent waarop zij zich voortaan kan beroepen”
(28). Naar de klassieke omschrijving houdt het positieve gezag van gewijsde in dat een rechter zich voor de berechting van één of meerdere bij hem aanhangige geschilpunten moet conformeren naar een eerder gewezen beslissing
(29). Zoals gezegd, verklaren auteurs deze rechtspraak en dus het zekere positieve gezag van gewijsde door het onderscheid tussen de bodemrechter en de kortgedingrechter in de verf te zetten. De beide rechters spelen op een ander niveau, zijn elk gevat door een eigen vordering. 15. Een andere kritiek betreft de vraag waarom de werking van de kortgedingbeslissing eindigt eenmaal ten gronde een uitspraak volgt. Ook die kritiek overtuigt m.i. niet. Daar waar de kortgedingrechter met een “billijke wachttoestand”
(30)een voorlopige regeling voorziet, beslist de bodemrechter ten gronde (definitief) over de rechten van de partijen. Ze hebben een ander voorwerp, maar sluiten wel aan waardoor aan de voorlopige regeling een einde komt. 16. De vraag of er geen ongelijke behandeling is indien er in deze zaak geen kortgedingrechter was tussengekomen en de bodemrechter oordeelt dat het octrooi met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt, namelijk of in die hypothese de bodemrechter toch de ongerechtvaardigde verrijking zou kunnen toestaan tijdens de periode dat het octrooi is gerespecteerd, terwijl dit niet mogelijk zou zijn indien de kortgedingrechter is tussengekomen omdat er door zijn beslissing wel een oorzaak is van de verrijking, klopt mijns inziens niet
(31)
(32).. Het betreft verschillende niet vergelijkbare situaties. Indien er geen verbodsbeslissing was, was, belette in beginsel niets de eiseres om haar ‘gelijkaardig’ generisch product op de markt te brengen en is er geen verarming. 17. Een andere kritiek is dat indien de beslissing van de bodemrechter geen terugwerkende kracht heeft op de kortgedingbeslissing, dit afbreuk doet aan de slagkracht van de bodemrechter. Deze zou niet de volle gevolgen kunnen verbinden aan zijn eigen uitspraak. De bodemrechter die de volle gevolgen mag verbinden aan zijn eigen beslissing, keurt evenwel de kortgedingbeslissing niet af
(33), hervormt ze niet werkelijk inhoudelijk, vernietigt ze niet (want hij oordeelt niet dat naar de omstandigheden ten tijde van het kort geding de maatregelen niet verantwoord waren). Eigenlijk geeft hij enkel volle uitwerking aan zijn eigen beslissing ten gronde, die hij mocht nemen los van enige kortgedingbeslissing
(34). Die volle uitwerking straalt echter af op de beslissing in kort geding. Volgens deze kritiek zou een beslissing in kort geding, afgeleverd op een schijn van rechten die achteraf niet terecht blijkt te zijn, door de bodemrechter, indien hij aan zijn beslissing geheel uitwerking mag geven, feitelijk moeten mogen terugdraaien. Behoudens in geval van een fout, misbruik of fraude, lijkt deze visie eerder aanleiding te geven tot rechtsonzekerheid. De verweerster zou zich mogen beroepen op de bescherming van haar rechten die te goeder trouw steunen op de beslissing van de kortgedingrechter. 18. Een ander argument betreft de opvatting van onbestaande praktische moeilijkheden van een restitutie. Louter de opvatting dat een “restitutie” van een gebods- of verbodsmaatregel (facere of non facere) moeilijk realiseerbaar zou zijn in vergelijking met een restitutie die het Hof erkent in geval van een in kortgeding bevolen “dare” (van voorschotten of zaken), mag op zich een eventuele restitutie niet in de weg staan. Restitutie kan ook bij equivalent. De restitutie betreft echter slechts een uitvoeringsmodaliteit die een rechtsgrond vereist, in de regel terugwerkende nietigheden
(35). De uitvoering van een verbod steunt op de rechterlijke veroordeling die aldus de oorzaak (‘causa juidicati’) is van de aangevoerde verarming. Het lijkt mij juridisch niet mogelijk die oorzaak te ontkennen en de restitutie te steunen op een ongerechtvaardigde verrijking, behoudens in geval van een bewezen fout, misbruik of fraude. Het enkele feit dat een rechterlijke beslissing werd gewezen op basis van onjuiste gegevens, doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde
(36). Het nieuwe Burgerlijk Wetboek voorziet overigens nuances op de restitutie
(37). 19. Indien het Hof zou omgaan in zijn rechtspraak en oordelen dat de bodemrechter een kortgedingbeslissing niet als rechtvaardiging van een vermogensverrijking kan beschouwen en zijn andersluidende beslissing dan de kortgedingbeslissing het herstel van die vermogensverschuiving inhoudt, hoeft dat niet noodzakelijk te betekenen dat de (aanvankelijk) door de kortgedingbeslissing in het gelijkgestelde eiser een schadevergoeding verschuldigd is. VAN COMPERNOLLE en DE LEVAL zien daarin een risicoaansprakelijkheid zoals voorzien in artikel 1398, eerste lid, Ger.W.
(38). Artikel 1398, eerste lid, Ger.W. is beperkend te interpreteren. Als afwijking op het gemeen recht is de risicoaansprakelijkheid die het installeert, enkel van toepassing bij een andersluidende beslissing na hoger beroep of verzet
(39). Ze is bijvoorbeeld niet van toepassing op een succesvol verzoek van de beslagene om de beschikking tot toelating tot bewarend beslag te wijzigen of in te trekken
(40), op een vernietiging in cassatie
(41)of op een betaling op basis van een in kracht van gewijsde gegane beslissing tot provisionele betaling in afwachting van een latere beslissing (wat aansluit bij de voorliggende situatie)
(42). Ze is evenmin van toepassing als een andere bijzondere wetsbepaling ervan afwijkt, zoals artikel 1369ter, § 3, Ger.W. inzake voorlopige maatregelen betreffende intellectuele eigendomsrechten. Het lijkt aldus in de huidige stand van het recht niet mogelijk om artikel 1398, eerste lid, Ger.W. toe te passen in een situatie waarbij de kortgedingrechter later door de bodemrechter wordt tegengesproken. Zoals DIRIX schrijft in het raam van een hypothetische toepassing van artikel 1398, eerste lid, Ger.W. nadat het Hof van Cassatie een uitspraak in hoger beroep vernietigt, neemt de partij die een rechterlijke uitspraak uitvoert die in kracht van gewijsde ging, eerder geen risico, maar mocht die vertrouwen op de deugdelijkheid van de titel
(43). Onterecht meent DE VISSCHER dan ook dat achter artikel 1398, eerste lid, Ger.W. een ruimer idee speelt. Ook al kent die wetsbepaling een beperkt toepassingsgebied, ze is volgens deze auteur de uitdrukking van een principe dat omwille van de gelijkheid, de logica en de billijkheid ook op andere situaties van toepassing hoort te zijn
(44). Integendeel, artikel 1398, eerste lid, Ger.W. is een uitzondering op het gemeen recht. Ze geeft dus moeilijk uitdrukking aan een principe dat ruimer moet gelden. Ze werkt wel een regime uit voor een specifieke situatie. 20. DE VISSCHER kan m.i. evenmin gevolgd worden in de opvatting dat het nastreven van een kortgedingbeslissing, terwijl later ten gronde blijkt dat er geen recht toe was, op zich een fout inhoudt
(45). De gevolgen van een beslissing in kort geding terugdraaien, houdt nog niet in dat de eiser in kortgeding gesanctioneerd moet worden omdat hij zijn ogenschijnlijke rechten, na bewijs van hoogdringendheid en van het risico op schade van een zekere omvang of ernstige ongemakken, heeft laten beschermen. Wanneer een rechter, zij het prima facie, overtuigt is dat de eiser in kort geding een recht kan laten beschermen omdat hij anders schade van een bepaalde omvang of ernstige ongemakken dreigt te lijden, lijkt me niet zonder meer een fout voor te liggen als later de bodemrechter in een andere zin oordeelt
(46). 21. In een arrest van 11 januari 2024 oordeelde het Hof van Justitie dat artikel 9.7 van de Richtlijn 2004/48, omgezet in het Belgische recht in artikel 1369ter, § 3, Ger.W, drie vereisten stelt die de nationale rechter moet nagaan: herroeping of verval van de voorlopige maatregelen wegens een handelen of nalaten van de eiser, dan wel of er geen sprake is geweest van een inbreuk of dreiging van een inbreuk op het intellectuele eigendomsrecht, schade en causaal verband
(47). Het Hof laat de lidstaten toe te kiezen tussen een risicoaansprakelijkheid of een schuldaansprakelijkheid
(48).. In het arrest Bayer van 2019 stelt het Hof van Justitie dat het louter feit dat er achteraf blijkt dat er geen inbreuk of dreiging van inbreuk was, niet betekent dat de eiser van de maatregelen ongerechtvaardigd handelde
(49). Daar anders over beslissen, schrikt de eiser van de maatregelen te zeer af in zijn streven naar (voorlopige) bescherming van zijn recht
(50). Het dient een “passende schadeloosstelling” te zijn, hetgeen niet automatisch inhoudt dat de rechter verplicht is om een schadevergoeding op te leggen
(51). De richtlijn verzet zich niet tegen een regeling waarbij die eiser geen schadevergoeding verschuldigd is, voor zover die regeling de rechter in staat stelt om rekening te houden met alle objectieve omstandigheden van de zaak, waaronder het gedrag van de partijen, zodat hij met name kan nagaan of die eiser misbruik maakte van die maatregelen
(52).
- Een andere kritiek op de bestaande cassatierechtspraak is dat deze de billijkheid schokt. De beslissing in kort geding kan een ernstig nadeel berokkenen aan de verweerder in kort geding. Als de bodemrechter vervolgens aan dit nadeel niet kan verhelpen omdat zijn beslissing ten gronde geen terugwerkende kracht kent, kan dat ertoe leiden dat de verweerder in kort geding die vervolgens ten gronde zegeviert, toch met een onherstelbaar ernstig nadeel uit de procedure in kort geding wordt geconfronteerd (soms ernstiger dan het voordeel dat hij ten gronde bekwam). Voor die persoon zal het inderdaad veelal moeilijk zijn om het bewijs te leveren van een fout van de verzoeker van de voorlopige maatregelen
- Die kritiek is niet onterecht maar weegt mijns inziens niet op tegen de belangen van de rechtszekerheid die moet uitgaan van de kortgedingbeslissing waartegen hoger beroep open staat. Die afweging verantwoordt dat de uitzondering op de regel beperkt dient te blijven tot de situaties waarin een fout, misbruik of fraude worden aangetoond.
- Een volgende kritiek is dat de cassatierechtspraak aanleiding zou geven tot ongerechtvaardigde discriminaties. Een eerste discriminatie bestaat tussen een eiser (in kort geding of ten gronde) die een risicoaansprakelijkheid (artikel 1398, eerste lid, Ger.W.) loopt door de beslissing (in kort geding of ten gronde) (bij voorraad) uit te voeren terwijl een rechtsmiddel ertegen is aangewend, en een eiser in kort geding die de beslissing in kort geding doet uitvoeren, zonder risicoaansprakelijkheid als de bodemrechter die beslissing in kort geding tegenspreekt
- De idee is dat de risico’s groter zijn als de eiser een beslissing ten gronde voorlopig doet uitvoeren, dan indien hij een prima facie-beoordeling in kort geding doet uitvoeren
- LINDEMANS en BUSSÉ menen dat het onderscheid tussen ex tunc hervorming of vernietiging enerzijds en ex nunc verval na andersluidende bodembeslissing te theoretisch is om het verschil in behandeling te verklaren, gelet op de gelijklopende praktische gevolgen van beide situaties
- Het past mijns inziens niet om de praktische gevolgen als vergelijkingspunt in aanmerking te nemen. De (begin)situaties of uitgangspunten zijn niet vergelijkbaar. De bodemrechter keurt de beslissing in kort geding niet af, terwijl de appelrechter de daar bestreden beslissing wel vernietigt of hervormt. De kritiek lijkt mij evenmin overtuigend omdat de eiser weet dat hij een risico neemt als er hoger beroep is, terwijl de kortgedingbeslissing op zich een definitieve beslissing is (desgevallend na hoger beroep). Een tweede aangevoerde discriminatie die zou blijken uit de rechtspraak van het Hof is dat het niet retroactief karakter van de beslissing ten gronde niet verhindert dat de voorlopige maatregel in kort geding toch wordt teruggedraaid als die bestaat in de betaling van een geldsom, zonder evenwel die terugbetaling te beschouwen als een uiting van de objectieve aansprakelijkheid van artikel 1398, eerste lid, Ger.W. (met invloed op de loop van de interesten). Waarom een uitzondering voor de betaling van een geldsom en niet voor de uitvoering van een facere of non-facere, waarvan de niet-naleving bij equivalent kan worden vergoed? Waarom ook geen interesten aanrekenen terwijl de betalingen zijn geschied zonder recht erop57? Hoewel dit mij het enige gewichtige argument lijkt, kent het de logische verklaring van de specifieke aard van de uitgevoerde maatregel, de praktische uitvoering ervan en praktische onmogelijkheid om de voorlopige maatregel terug te draaien.
- Tenslotte voeren de voormelde auteurs aan dat de cassatierechtspraak de kortgedingrechter herdoopt tot een rechter ten gronde voor de duurtijd van zijn beslissing, hoewel de kortgedingrechter niet de ware toedracht van de rechten van de partijen beoordeelt. Dat hoort niet, aangezien de kortgedingrechter zijn maatregelen kan nemen na een minder verregaande beoordeling net omdat de bodemrechter nadien na grondig nazicht oordeelt. De cassatierechtspraak zou de partij die ten gronde gelijk haalt, de toegang tot de rechter ontzeggen voor wat betreft de gevolgen van de (achteraf gebleken onterechte) beslissing in kort geding. Volgens deze kritiek, verandert de mogelijkheid die hem wordt gelaten om via de buitencontractuele aansprakelijkheid schadevergoeding te bekomen voor de gevoerde procedure in kort geding, daaraan niets, omdat de partij die ten gronde gelijk haalt, ondanks die zege ten gronde het bewijs moet leveren van de fout van de andere partij
- Daaraan voegt DE VISSCHER toe dat het Hof in dit geval als “fout” enkel de inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm en niet de strijdigheid met de wet lijkt te verstaan. Het Hof besliste immers dat het louter feit dat een beslissing in kort geding door de bodemrechter wordt tegengesproken, geen fout vormt. Voor DE VISSCHER ligt een fout in de zin van een handeling in strijd met de wet al voor door een beslissing in kort geding te hebben uitgevoerd
- Een partij die in kort geding zijn gelijk haalt, handelt niet in strijd met de wet en begaat aldus daarom geen fout indien later de bodemrechter besluit dat hij geen recht had om op te handelen. Het kort geding is net gericht op een door hoogdringendheid ingegeven beslissing op grond van een prima facie-beoordeling van de aanspraken. Die handelswijze is toegelaten door de wet, ook al blijkt later dat er geen rechtsgrond voor de aanspraken bestond.
- De kritieken zijn mijns inziens niet overtuigend om het Hof zijn rechtspraak te doen omgaan.
- De tweede tot en met de vierde grief hebben betrekking op de interpretatie van artikel XI.58, § 2, (in fine) WER. Zelfs als het kortgedingarrest wel een juridische oorzaak kan vormen, dan nog is volgens de tweede grief een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking mogelijk want artikel XI.58, § 2, WER laat dergelijke vordering uitdrukkelijk toe en zou aldus het kortgedingarrest de juridische oorzaak ontnemen van de verrijking/verarming. Volgens de derde grief zouden de appelrechters artikel XI.58, § 2, WER ook schenden door op te merken dat deze wetsbepaling reeds vergoedingsgronden aanreikt: buitencontractuele aansprakelijkheid en een conventionele terugbetalingsvordering wegens billijkheid. Ze zouden ontkennen dat die wetsbepaling ook een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking toelaat. Met diezelfde beslissing zouden ze volgens een vierde grief ook het algemeen rechtsbeginsel inzake de ongerechtvaardigde verrijking en de artikelen 5.135, 5.136 en 5.137 BW miskennen.
- De appelrechters merken terecht op dat “de verwijzing naar de ‘bepalingen betreffende verrijking zonder oorzaak’ in dit artikel allesbehalve duidelijk [is]”. Indien het de bedoeling was van de wetgever om de ongerechtvaardigde verrijking toe te staan in afwijking van of ondanks de kortgedingbeslissing, lijken mij de overige voorziene gronden, namelijk in geval van schade door nalatigheid of kwade trouw zinloos want overbodig. Uit deze bepaling volgt mijns inziens dat de ‘verrijking zonder oorzaak’ als rechtsgrond voor een restitutie niet is uitgesloten, maar de toepassingsvoorwaarden geldig blijven voor de toekenning ervan.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de gelijkluidende voorloper van artikel XI.58, § 2, WER, namelijk artikel 50, § 2, van de octrooiwet van 1984, blijkt dat de rechtszekerheid de (evidente) reden was voor de uitzondering op de terugwerkende kracht van een vernietiging of herroeping van een octrooi voor onder andere “beslissingen inzake inbreuk die vóór de nietigverklaring gezag van gewijsde hebben verkregen en ten uitvoer werden gelegd”. “Dit uitzonderingsstelsel wordt echter op zijn beurt beperkt doordat het, krachtens de besproken paragraaf, mogelijk is de bepalingen in te roepen die een vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de fout of de kwade trouw van de octrooihouder of een vordering wegens verrijking zonder onderzoek toelaten”
(60). Uit deze parlementaire voorbereiding blijkt niet de bedoeling om
(1)het gezag van gewijsde (of kracht van gewijsde) van een beslissing inzake een inbreuk in vraag te willen stellen of
(2)de toepassingsvereisten voor een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking te willen aanpassen (voor het voorliggende geval) (door bijvoorbeeld de beslissing inzake inbreuk als rechtvaardiging te willen uitsluiten). Deze redengeving sluit aan bij en ondersteunt de rechtspraak van het Hof. Artikel XI.58, § 2, WER laat de toepassingsvereisten voor een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking onverlet. De beslissing in kort geding is de oorzaak (causa judicati)
(61)van de vermogensverschuiving blijft vormen, is artikel XI.58, § 2, niet geschonden.
- De derde en de vierde grief missen feitelijke grondslag. De appelrechters schrijven dat artikel XI.58 WER al een wettelijke basis bevat voor een vergoeding, namelijk bij fout of door billijkheid bij overeenkomsten, om er vervolgens uit te besluiten dat de eiseres niet te volgen is in de idee dat artikel XI.58 WER elk nuttig effect zou verliezen als niet zou worden beslist dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing geen rechtvaardiging kan vormen voor een vermogensverschuiving. Daarmee ontkennen ze niet dat artikel XI.58 WER ook over ongerechtvaardigde verrijking spreekt, maar merken ze op dat artikel XI.58 WER ruimer is en dus zijn nut behoudt, zelfs zonder die ongerechtvaardigde verrijking.
- Volgens de vijfde grief zouden de appelrechters artikel XI.58, § 1, WER en voor zover nodig artikel 288, derde lid, VWEU schenden door te beslissen dat de visie van de eiseres neerkomt op een objectieve aansprakelijkheid van de octrooihouder waardoor afbreuk wordt gedaan aan de Handhavingsrichtlijn die een hoog niveau van bescherming wil bieden. Deze beslissing legt artikel XI.58, § 2, WER immers richtlijnconform uit, doch tegen de wettekst in. Als het Hof beslist om de eerste grief te verwerpen op grond van zijn klassieke rechtspraak, de tweede grief te verwerpen door vast te stellen dat artikel XI.58, § 2, WER geen afbreuk doet aan de toepassingsvereisten van een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking, en de derde en vierde grief verwerpt omdat die feitelijke grondslag missen, is de vijfde grief gericht tegen een overtollige reden en dus niet ontvankelijk. Besluit: verwerping. ___________________________________________________________________
(1)Concl. P. LECLERCQ voor Cass. 6 februari 1930, Pas. 1930, 103.
(2)Cass. 24 januari 2014, AR C.12.0359.F, AC 2014, nr. 65, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140124.6, JT 2014, 546, noot J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, op datum in Pas., RCJB 2015, 230, noot F. BALOT, RW 2015-16, 229, noot, RW 2015-16, 1229, noot, P&B 2014, 200; Cass. 7 juli 1941, AC 1942, 166 (“Overwegende dat, indien de aldus genomen voorloopige maatregelen een einde nemen wanneer de beslissing is gewezen waarbij den hoofdaanleg wordt afgesloten, deze laatste beslissing daarom niettemin het vonnis laat bestaan dat die voorloopige maatregelen bevolen had, en dus, in strijd met de bewering van den aanlegger, op dat vonnis geen enkel terugwerkend uitwerksel heeft”).
(3)Cass. 28 januari 2011, AR C.09.0360.N, AC 2011, nr. 84, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110128.2.
(4)Cass. 26 juni 2014, AR C.13.0336.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140626.1, AC 2014, nr. 458, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140626.1, IRDI 2014, 632, JLMB 2015, 681, RABG 2014, 1269, noot B. VAN BESIEN, RW 2016-17, 418, noot, TBH 2015, 886, noot.
(5)Cass. 11 maart 2005, AR C.03.0591.N, AC 2005, nr. 153, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.5, AM 2005, 396, noot F. DE VISSCHER, Juristenkrant 2005, 12, IRDI 2005, 238, JLMB 2005, 1313, Ing.-Cons. 2005, 154, RW 2007-08, 192, noot; zie ook Cass. 10 september 2004, AR C.03.0136.N, AC 2004, nr. 401, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7.
(6)Cass. 8 maart 2012, AR C.11.0124.N, AC 2012, nr. 158, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.15, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal G. DUBRULLE, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120308.15
(7)Cass. 6 februari 1930, Pas. 1930, 87 (“que si les décisions rendues en référé peuvent être qualifiées « provisoires », ce n'est qu'en un certain sens, déterminé par la comparaison des articles 806 et 809 du Code de procédure civile, à savoir qu'elles ne peuvent faire préjudice à la demande au principal; qu'au reste, l'instance en référé et celle au principal sont deux instances séparées, se mouvant sur des plans différents, et devant des juridictions distinctes”).
(8)E. DIRIX, Ongerechtvaardigde verrijking in APR, Mechelen, Kluwer 2022, 94; E. DIRIX, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer 2018, 67 en 238; A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1089.
(9)Zie ook: Cass. 14 juni 1991, RG 7287, Pas. 1991, nr. 533 (“Attendu qu'en référé, le président statue au provisoire; que cela signifie qu'il ne connaît pas du fond de la cause”).
(10)D. MOUGENOT, Principes de droit judiciaire privé in Rép.not., Brussel, Larcier 2019, 182; P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 430.
(11)E. DIRIX, Ongerechtvaardigde verrijking in APR, Mechelen, Kluwer 2022, 94; P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 73; A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1054.
(12)P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 73; P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 424; A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1054.
(13)P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 73.
(14)D. LINDEMANS, Kort geding, Antwerpen, Kluwer 1985, 230.
(15)P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 73.
(16)E. DIRIX, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer 2018, 67 (impliciet).
(17)E. DIRIX, Ongerechtvaardigde verrijking in APR, Mechelen, Kluwer 2022, 94-95; D. LINDEMANS, Kort geding, Antwerpen, Kluwer, 1985, 230; A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1052 en 1086-1089.
(18)E. DIRIX, Ongerechtvaardigde verrijking in APR, Mechelen, Kluwer 2022, 94.
(19)P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 73.
(20)Concl. van advocaat-generaal DUBRULLE, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120308.15, bij Cass. 8 maart 2012, AR C.11.0124.N, AC 2012, nr. 158, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.15.
(21)P. MARCHAL, Référés in Rép.not., Brussel, Larcier 1992, 69 en 73; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »”, JT 2014, 539. D. MOUGENOT, Principes de droit judiciaire privé in Rép.not., Brussel, Larcier 2019, 182.
(22)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 540. G. . DE LEVAL, “Chapitre 11 - La juridiction des référés. Compétence et procédure” in G. . DE LEVAL (ed.), Droit judiciaire, Tome 2, Procédure civile, Volume 1, Principes directeurs du procès civil Compétence-Action-Instance-Jugement, Brussel, Larcier 2021, 209, voetnoot 674.
(23)Over de objectieve aansprakelijkheid van artikel 1398, eerste lid, Ger.W.: Cass. 3 mei 2018, AR C.17.0564.N, AC 2018, nr. 284, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180503.5, RABG 2018, 1683, RW 2018-19, 1150, P&B 2018, 156; Cass. 7 april 1995, AR C.93.0182.N, AC 1995, nr. 189, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12, P&B 1996, 74, RW 1995-96, 184, noot K. BROECKX; E. DIRIX, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer 2018, é.
(24)Verslag VAN REEPINGHEN, p. 139 (“[de bodemrechter] kan zelfs, indien er enige schade uit de uitvoering ervan zou voortvloeien, de partij tot alle schadevergoeding veroordelen”). Zie ook: D. MOUGENOT, Principes de droit judiciaire privé in Rép.not., Brussel, Larcier 2019, 182 (“Si la situation a été matériellement modifiée à la suite de la décision du juge des référés et n’est plus susceptible d’une remise dans son pristin état, un dédommagement par équivalent pourra être accordé par le juge du fond”).
(25)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 540.
(26)S. SOBRIE, Art. 19 Ger.W. in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2019, losbl., 40-41.
(27)S. SOBRIE, Art. 19 Ger.W. in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer 2019, losbl., 38.
(28)Verslag VAN REEPINGHEN, p. 29.
(29)P. TAELMAN, Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer 2001, 80.
(30)A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1051.
(31)Indien aan alle voorwaarden daartoe is voldaan.
(32)Naast de vraag naar ongerechtvaardigde verrijking, rijst de vraag naar aansprakelijkheid in zo’n geval. In Nederland kan een schadelijder alvast niet zonder meer de aansprakelijkheid van de vermeende houder van een intellectueel eigendomsrecht aanvoeren, zonder ook werkelijk een fout te bewijzen. Het zich beroepen op een later vernietigd intellectueel eigendomsrecht is niet op zich foutief. Zie het Nederlandse antwoord op de questionnaire in het Network of Presidents, met de volgende relevante passage: “For the sake of completeness: even if a patent holder does not start summary proceedings, a patent holder can still prevent competitors from entering the market by relying on the patent outside of court. Under Dutch law, it is not accepted that, simply because a patent is subsequently revoked or annulled, the patent holder who has relied on the patent is liable for the damage suffered by his competitors or others as a result of that conduct; this requires some form of culpability on the part of the patent holder. This follows from SC 29 September 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6098 (CFS Bakel/Stork), par. 5.5-5.8.”.
(33)Zie ook: A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1079 (“de bodemrechter zich niet mag gebonden achten door de uitspraak van de rechter in kort geding. De rechter ten gronde beoordeelt volledig vrij de hem voorgelegde rechtszaak, zowel in rechte als in feite. Hieruit volgt dat wanneer de bodemrechter een andersluidende beslissing neemt, zijn uitspraak geen afkeuring behelst van de voorlopige maatregelen die in kort geding zijn getroffen”).
(34)Vgl. D. DECOSTER, “Gezag van de beschikking in kort geding” in Bestendig handboek burgerlijk procesrecht, Mechelen, Kluwer 2018, losbl., 3 (“De bodemrechter mag geen rekening houden met de door het kort geding geschapen toestand, behoudens om het herstel van de op bevel in kort geding geschapen toestand te bevelen”).
(35)Nietigheid of ontbinding van een overeenkomst, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.
(36)Cass. 8 november 1991, AR 7622, AC 1991-92, nr. 136, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911108.12.
(37)Artikel 5.57 BW.
(38)Uit “risico” mag dan wel geen risicoaansprakelijkheid worden afgeleid.
(39)A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1080.
(40)Cass. 10 september 2004, AR C.03.0136.N, AC 2004, nr. 401, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7, A&M 2008, 105, noot F. DE VISSCHER, IRDI 2005, 62, JLMB 2005, 1308, Ing.-Cons. 2005, 205, RW 2006-07, 1082, P&B 2005, 77.
(41)Cass. 23 februari 2015, AR C.14.0396, AC 2015, nr. 136, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150223.1, NJW 2015, 318, noot A. COPPENS, RW 2015-16, 1223, 1583, noot, P&B 2015, 194.
(42)Cass. 30 maart 2007, AR C.04.0483.N, AC 2007, nr. 160, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2, Rev.trim.dr.fam. 2007, 695, T.Fam. 2007, 208, noot S. MOSSELMANS.
(43)E. DIRIX, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer 2018, 236.
(44)F. DE VISSCHER, Noot onder Cass. 11 maart 2005, A&M 2005/5, 403-404.Gaan mee in die idee: J.-D. LINDEMANS en J. BUSSÉ, “Aansprakelijkheid voor het uitvoeren van voorlopige maatregelen in het kader van de handhaving van intellectuele rechten na de Bayer- en Snowfall-arresten”, TBH 2020, 357.
(45)F. DE VISSCHER, Noot onder Cass. 11 maart 2005, A&M 2005/5, 403.
(46)Vgl. A. VAN OEVELEN en D. LINDEMANS, “Het kort geding: herstel van schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter”, TPR 1985, 1066 (“Voor zover de voorlopige tenuitvoerlegging door de wet of door de rechter op een wettige wijze is toegestaan, lijkt het antwoord hierop ontkennend te moeten zijn. Het gebruik maken van deze mogelijkheid kan immers op zichzelf beschouwd, bezwaarlijk ais een quasi-delictuele fout worden bestempeld”) en 1085.
(47)HvJ 11 januari 2024, C-473/22, Mylan t. Gilead, pt. 30
(48)HvJ 11 januari 2024, C-473/22, Mylan t. Gilead, pt. 36
(49)HvJ 12 september 2019, Bayer Pharma AG, C-688/17, ICIP 2019, 483, noot T. DE HAAN, IRDI 2019, 279, noot V. PEDE, Pb C 11 november 2019, afl. 383, 14, TBH 2020, 349, noot J.-D. LINDEMANS en J. BUSSÉ; pt. 64: “De omstandigheid dat de betrokken voorlopige maatregelen in het hoofdgeding zijn ingetrokken, kan weliswaar, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest is verduidelijkt, één van de noodzakelijke voorwaarden vormen voor de uitoefening van de in artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48 neergelegde bevoegdheid, maar zij kan als zodanig niet worden beschouwd als een doorslaggevend bewijs van het ongerechtvaardigde karakter van het verzoek dat aan de basis ligt van de ingetrokken voorlopige maatregelen”).
(50)pt 65: “Een andere gevolgtrekking zou in omstandigheden als die van het hoofdgeding ertoe kunnen leiden dat de houder van het betrokken octrooi wordt afgeschrikt om gebruik te maken van de in artikel 9 van richtlijn 2004/48 bedoelde maatregelen, en dat zou in strijd zijn met het doel van deze richtlijn dat erin bestaat een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom te waarborgen”.
(51)HvJ 12 september 2019, Bayer Pharma AG, C-688/17, pt. 52.
(52)HvJ 12 september 2019, Bayer Pharma AG, C-688/17, pt. 71: “Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 9, lid 7, van richtlijn 2004/48, met name het begrip passende schadeloosstelling als bedoeld in deze bepaling, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke een persoon niet wordt vergoed voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het feit dat hij niet heeft gehandeld zoals normaliter kan worden verwacht om zijn schade te voorkomen of te verminderen, en die in omstandigheden als die van het hoofdgeding ertoe leidt dat de rechter de eiser van voorlopige maatregelen niet veroordeelt tot vergoeding van de door deze maatregelen berokkende schade, ook al is het octrooi op grond waarvan die maatregelen waren gevorderd en toegewezen daarna nietig verklaard, mits die regeling de rechter in staat stelt om naar behoren rekening te houden met alle objectieve omstandigheden van de zaak, daaronder begrepen het gedrag van de partijen, zodat hij met name kan nagaan of de eiser geen misbruik heeft gemaakt van die maatregelen”. Zie ook: T. DE HAAN, “Conséquences de l’européanisation des mesures provisoires et conservatoires en matière de droits intellectuels: la Cour de justice donne l’avantage au titulaire de droits”, ICIP 2019, 503; J.-D. LINDEMANS en J. BUSSÉ, “Aansprakelijkheid voor het uitvoeren van voorlopige maatregelen in het kader van de handhaving van intellectuele rechten na de Bayer- en Snowfall-arresten”, TBH 2020, 362; V. PEDE, “Op de markt brengen van producten in strijd met octrooirechten. Het arrest Bayer van het Hof van Justitie en het nieuwe Uniebegrip “passende schadeloosstelling” ingeval voorlopige maatregelen achteraf worden ingetrokken”, IRDI 2019, 281-282.
(53)F. DE VISSCHER, Noot onder Cass. 11 maart 2005, A&M 2005/5, 402; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 541. Bijvoorbeeld redelijk uitvoerig: J.-D. LINDEMANS en J. BUSSÉ, “Aansprakelijkheid voor het uitvoeren van voorlopige maatregelen in het kader van de handhaving van intellectuele rechten na de Bayer- en Snowfall-arresten”, TBH 2020, 360-363; V. VANOVERMEIRE, “Aansprakelijkheid van de beslaglegger in geval van een zgn. onterecht beslag inzake namaak: nihil nove sub sole”, IRDI 2018, 75.
(54)H. BOULARBAH, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier 2010, 659.
(55)F. DE VISSCHER, Noot onder Cass. 11 maart 2005, A&M 2005/5, 403; J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 541.
(56)J.-D. LINDEMANS en J. BUSSÉ, “Aansprakelijkheid voor het uitvoeren van voorlopige maatregelen in het kader van de handhaving van intellectuele rechten na de Bayer- en Snowfall-arresten”, TBH 2020, 363.
(57)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 541.
(58)J. VAN COMPERNOLLE en G. DE LEVAL, “Effets d’une décision contraire du juge du fond sur l’exécution d’une ordonnance de référé antérieurement ordonnée, ou « qui perd gagne »” (noot onder Cass. 24 januari 2014), JT 2014, 542.
(59)F. DE VISSCHER, Noot onder Cass. 11 maart 2005, A&M 2005/5, 402.
(60)Parl.St. Kamer 1980-81, 919, nr. 1, p. 42.
(61)V. SAGAERT, “Kan een betaling in uitvoering van een rechterlijke beslissing een onverschuldigde betaling zijn?”, RW 2002-03, 661, noot bij Cass. 16 mei 2002, AR C.99.0555.N, AC 2002, nr. 300, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020516.6 PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250911.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250911.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911108.12 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950407.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020516.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040910.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050311.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070330.2 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070330.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110128.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120308.15 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120308.15 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140124.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140626.1 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140626.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150223.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180503.5 ECLI:NL:HR:2006:AU6098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div