id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 202
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 Artikel 6.3.d EVRM is niet van toepassing op burgerlijke partijen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk vaststellen dat hij specifiek heeft onderzocht of de weigering om een door een burgerlijke partij voorgestelde getuige te horen al dan niet het recht van die partij op een eerlijk proces miskent, of die partij ondanks deze weigering een redelijke kans heeft gekregen om haar zaak voor te leggen en of die partij hierbij niet wezenlijk werd benadeeld ten opzichte van de beklaagde; het feit dat de rechter dat onderzoek heeft gedaan, kan blijken uit andere redenen van zijn beslissing, waaronder de redenen op grond waarvan hij oordeelt dat het getuigenverhoor niet dienstig is voor de waarheidsvinding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de conclusie P.25.0128.N Conclusie van advocaat-generaal B. DE SMET: “Het recht van de burgerlijke partij op het (doen) ondervragen van getuigen à charge als onderdeel van het beginsel van wapengelijkheid, afgeleid uit art. 6.1 EVRM”.
- Het bestreden arrest bevestigt de vrijspraak in eerste aanleg van verweerder, die wordt vervolgd wegens verkrachting. Volgens het hof van beroep te Gent hadden de partijen met wederzijdse toestemming tweemaal seksuele betrekkingen aan boord van een Belgisch militair schip na een feestje, op 22 november 2019, wat blijkt uit o.a. de verklaringen van verschillende militairen die eiseres voor en na het eerste feit hadden gesproken, en niets opvingen van gedwongen seksuele handelingen. De federaal procureur was van mening dat eiseres de tweede maal (in haar kajuit) geen geldige toestemming kon geven tot seksuele penetratie, omdat zij te zeer onder invloed was van alcohol na een feestje aan boord, en vroeg in de beroepsconclusie een veroordeling. Tegen de vrijspraak stelde de federaal procureur geen cassatieberoep in.
- Eiseres bracht als belastend element aan dat haar psycholoog (P.B.) haar verklaringen over verkrachting waarheidsgetrouw acht. Daarover stelt het bestreden arrest dat 1°de bevindingen van de psycholoog niet noodzakelijk wetenschappelijk onderbouwd zijn en een hogere bewijswaarde hebben en 2°de psycholoog trouwens uitgaat van een bekentenis van verweerder, wat niet het geval is (blz. 10). De appelrechters stellen hierbij dat “Als de bekentenis van de beklaagde inhoudt dat hij erkende dat hij de burgerlijke partij seksueel penetreerde, is dit een foutief uitgangspunt om de geloofwaardigheid van de verklaringen in het licht van verkrachting, wat seksuele penetratie zonder geldige instemming inhoudt, te beoordelen”.
- Het eerste middel dat miskenning van de bewijskracht aanvoert van het verslag van de psycholoog (art. 8.17 en 8.18 B.W.), omdat die niet uitgaat van een bekentenis van seksueel geweld, lijkt mij gericht tegen een overtollige reden, gelet op het woord ‘trouwens’. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet-ontvankelijk. De grief doet immers geen afbreuk aan de overige redenen die de beslissing van vrijspraak dragen. Zo hechten de appelrechters belang aan o.a. de verklaring van C.B. die wist dat eiseres smoorverliefd was op verweerder en zag dat zij beiden terugkwamen van een feestje aan boord, waarbij eiseres opschepte over het feit dat zij net seksuele betrekkingen hadden gehad. Deze verklaring vindt volgens het arrest steun in de verklaringen van J.V.G. en L.B.
- In een tweede middel komt eiseres op tegen de beslissing om de getuigen A.V.B. en P.V. niet te ondervragen, hoewel die vraag in haar beroepsconclusie is geformuleerd. De eerste getuige zou kunnen bevestigen dat eiseres in dronken toestand was, de tweede getuige zou verklaringen kunnen afleggen over het feit dat eiseres werd afgeraden om klacht neer te leggen tegen verweerder, die een hogere militaire graad had (beroepsconclusie, p. 7 en 13).
- Een onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM en art. 14.1 IVBPR), zowel in strafzaken als in de burgerlijke rechtspleging, is het beginsel van wapengelijkheid. Dit afgeleide recht betekent dat de procespartijen in gelijke mate de rechterlijke beslissing moeten kunnen beïnvloeden, door bewijsmateriaal aan te brengen, bewijselementen van de andere partij te betwisten en processuele middelen aan te wenden
(1). Ook de burgerlijke partij kan zich op dit beginsel beroepen
(2). Daaruit volgt evenwel niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang bij de uitoefening van deze mogelijkheden steeds in identieke omstandigheden moeten verkeren
(3)of dat het beginsel van wapengelijkheid een absoluut recht zou zijn
(4). Er bestaan immers fundamentele verschillen tussen enerzijds de burgerlijke partij en het openbaar ministerie en anderzijds tussen de burgerlijke partij en de vervolgde persoon, aangezien de burgerlijke partij de strafvordering niet uitoefent en zich daartegen niet verweert
(5). Waar het op aankomt, is dat elke partij over voldoende mogelijkheden beschikt om verweer te voeren en de rechterlijke beslissing te beïnvloeden, zonder dat één partij in een bevoorrechte positie wordt geplaatst
(6). 6. Het openbaar ministerie, de beklaagde en de burgerlijke partij mogen aan de rechter vragen om getuigen onder ede te ondervragen op de terechtzitting, met als doel de betrouwbaarheid te toetsen van schriftelijke verklaringen van die getuige, onder meer in functie van ander bewijsmateriaal. Het is evenwel niet omdat een partij het getuigenverhoor cruciaal acht voor haar standpunt, dat de rechter daarop moet ingaan. Het komt toe aan de rechter om over de noodzaak en de gepastheid van het getuigenverhoor te beslissen, rekening houdend met de relevantie van het getuigenverhoor als bewijs van schuld of onschuld en met het recht op een eerlijk proces. Geen enkele partij heeft een absoluut recht op het doen ondervragen van getuigen
(7). Voorts is het recht op bewijs van elke partij niet onbeperkt, zoals het Hof oordeelde op 11 maart 2025
(8). 7. Artikel 6.3.d EVRM kent aan beklaagden het recht toe op het oproepen en doen ondervragen van getuigen à charge en à décharge. Aan de hand van een aantal criteria, vooropgesteld door het Europees Hof te Straatsburg, dient de rechter te beslissen over de noodzaak van een getuigenverhoor, zodat recht op een proces in zijn geheel is gewaarborgd
(9). Deze criteria lijken mij niet te gelden voor een burgerlijke partij die voor de strafrechter een getuige à charge wil oproepen en ondervragen. De burgerlijke partij kan zich niet op art. 6.3.d EVRM beroepen om getuigen à charge te doen ondervragen, maar kan wel een getuigenverhoor vragen, als dit nodig is voor haar recht op een eerlijk proces, gewaarborgd door art. 6.1 EVRM
(10). De rechter beschikt hierbij over een vrij ruime beoordelingsmarge. In de zaak Gryaznov oordeelde het EHRM dat in burgerlijke zaken art. 6 EVRM geen recht inhoudt op het doen ondervragen van getuigen. De rechter mag beperkingen opleggen, voor zover het recht op een eerlijk proces niet in het gedrang komt, en elke partij een redelijke kans krijgt om haar zaak uiteen te zetten en bewijs aan te dragen, zodat het beginsel van wapengelijkheid is gewaarborgd
(11).
- Het enkele feit dat een getuigenverhoor gevraagd door de burgerlijke partij wordt afgewezen, houdt nog geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces van deze partij. De feitenrechter moet er wel op toezien dat ook voor de burgerlijke partij het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd, met als component de wapengelijkheid. Hij dient m.i. na te gaan of bij gebrek aan het getuigenverhoor de burgerlijke partij nog voldoende kansen heeft om de besluitvorming te beïnvloeden, gegevens aan te brengen en het voor haar ongunstig bewijsmateriaal te betwisten, waarbij zij niet wezenlijk wordt benadeeld ten opzichte van de beklaagde. Daarbij ziet het Hof toe op de wettigheid van de beslissing om geen getuigen te ondervragen.
- Mij komt voor dat de beslissing om vermelde twee getuigen niet te horen verenigbaar is met de waarborgen van wapengelijkheid en het recht op een eerlijk proces, om volgende redenen: a) Eiseres gaf in haar beroepsconclusie (st. 11) aan dat het slachtoffer in staat moet zijn om “getuigen te laten oproepen en verhoren, die essentieel kunnen zijn voor de waarheidsvinding en de rechtvaardigheid van het proces” en verder: “Net omdat een getuigenverklaring een cruciaal bewijs kan leveren omtrent de totstandkoming van feiten en bijgevolg een concrete reconstructie van de waarheid, zou het verhinderen van het horen van een getuige in het licht van het EVRM een manifeste schending uitmaken van de integriteit van het rechtssysteem”. In cassatie voert eiseres aan dat de appelrechters het getuigenverhoor hebben afgewezen “zonder te hebben onderzocht of eiseres ondanks deze weigering een redelijke kans heeft gekregen om haar zaak voor te leggen en of zij hierbij niet wezenlijk werd benadeeld ten opzichte van de beklaagde”. Uit het grievenschrift van eiseres (st. 2, bijlage), haar beroepsconclusie (st. 11, p. 12-15) en het proces-verbaal van de rechtszitting (st. 18) blijkt naar mijn mening niet dat eiseres aanbracht dat het verhoor van twee getuigen à charge nodig is om het recht op wapengelijkheid te waarborgen. Op dit punt is het middel nieuw en bijgevolg niet-ontvankelijk. Als een partij de kans had om een miskenning van een recht van verdediging op te werpen voor de feitenrechter, had zij dit moeten doen
(12).
- b)Wat betreft het verweer in de beroepsconclusie dat de getuigenverklaringen ‘cruciaal bewijs’ opleveren en het om die reden het nodig is getuigen te horen voor een eerlijk proces, ben ik van mening dat een beknopte motivering kan volstaan. Indien het Hof aanneemt dat art. 6.3.d EVRM niet geldt voor de burgerlijke partij, is het voldoende dat de rechter met concrete redenen aangeeft dat het voor de waarheidsvinding en het recht op een eerlijk proces niet nodig is in te gaan op de vraag van de burgerlijke partij om getuigen op te roepen en (onder eed) te doen ondervragen. Het Hof ziet wel toe op de wettigheid van de motieven. Het bestreden arrest stelt dat er voldoende bewijs voorligt, de twee personen die eiseres wil laten horen geen getuige waren van de feiten zelf en al in 2020 een antwoord gaven op haar vragen (blz. 11). Met die redenen geeft het arrest m.i. te kennen dat een verhoor op de terechtzitting van twee getuigen à charge, onder eed, niet nodig is voor het recht op een eerlijk proces van eiseres.
- c)De appelrechters gaven de inhoud weer van de schriftelijke verklaringen van getuigen die in het voordeel zijn van de beklaagde (blz. 9-11) en oordeelden onaantastbaar dat er geen bewijs is dat deze getuigen een verklaring hebben afgelegd onder druk van de beklaagde of zouden liegen omdat zij bevriend zouden zijn met de beklaagde (blz. 11). Ook dit gegeven lijkt mij relevant voor het recht op een eerlijk proces van eiseres, temeer daar er geen getuigen à décharge werden verhoord op vraag van de beklaagde, en de wapengelijkheid aldus niet aan de orde was.
- d)Wanneer het gaat over de beoordeling van de burgerlijke vordering, kan de strafrechter oordelen dat het herverhoor van getuigen ingevolge het tijdsverloop niet meer dienstig is wegens het risico van onbetrouwbaarheid. Daarvoor moet de rechter niet eerst die getuigen horen
(13). Het bestreden arrest vermeldt als één van de redenen dat het te verwachten valt dat de herinnering van de door eiseres gevraagde getuigen, “door het verloop van de tijd, meer dan vijf jaar na de vermeende feiten, enkel verminderd zal zijn”. In zoverre het middel een miskenning aanvoert van het recht op een eerlijk proces, kan het aldus niet worden aangenomen. 10. Voor zover eiseres aanvoert dat het verhoor op de terechtzitting van de twee getuigen van belang is om aan te tonen dat zij (te) dronken was ten tijde van de seksuele contacten, en er dus sprake was van verkrachting (oud art 375 Sw., ten tijde van de feiten, en artt. 417/5 en 417/11 Sw.), komt het middel op tegen een onaantastbare beoordeling van feitelijke gegevens of verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten. In zoverre is het middel niet-ontvankelijk. Mijn conclusie is verwerping van het cassatieberoep. _________________________________________________________________
(1)Cass. 5 oktober 2021, AR P.21.0724.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 met concl. van advocaat-generaal. D. SCHOETERS; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0573.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6, AC 2020, nr. 733; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0119.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6, AC 2010, nr. 288; Cass. 26 mei 2010, AR P.10.0503.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100526.1, AC 2010, nr. 366; Cass. 25 oktober 2006, AR P.06.1082.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7, AC 2006, nr.
- Zie ook EHRM 12 juni 2012, Gryaznov t/Rusland, § 55-61; EHRM 10 oktober 2013, Topic t/Kroatië, § 40-42; EHRM 26 januari 2017, Faig Mamadov t/Azerbeidjan, § 19; EHRM 19 september 2017, Regner t/Tsjechië, § 146; EHRM 13 juli 2021, Ali Riza t/Zwitserland, § 129; EHRM 19 oktober 2021, Kartoyev e.a. t/Rusland, § 69 en 70, www.echr.coe.int en alg. alg. P. DUINSLAEGER, “Het recht op wapengelijkheid”, RW 2015-16, 402-423; C. VAN DEN WYNGAERT, “Het gelijkheidsbeginsel in het strafprocesrecht: de schone slaapster in het bos?”, RW 1991-92, 1181-1193; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 851-854; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer 2014, 818-819; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2019, 732-736; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier 2023, 743-820; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, 54-
- Over de wapengelijkheid als afgeleid recht van het recht op een eerlijk proces zie Cass. 5 juli 2022, AR P.22.0868.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220705.VAK.8, NC 2023, 130 ; Cass. 15 juni 2022, AR P.22.0757.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220615.2F.6; Cass. 6 oktober 2015, AR P.15.0558.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151006.4, AC 2015, nr. 581.
(2)EHRM 14 juni 2005, Menet t/Frankrijk, § 47, www.echr.coe.int; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier 2023, 747 en 752.
(3)Cass. 9 juni 2011, AR D.10.0008.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110609.3, AC 2011, nr. 394; Cass. 27 april 2010, AR P.10.0119.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6, AC 2010, nr. 288; Cass. 25 okt. 2006, AR P.06.1082.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7, AC 2006, nr. 515.
(4)EHRM 19 september 2017, Regner t/Tsjechië, § 147, www.echr.coe.int.
(5)Cass. 25 okt. 2006, AR P.06.1082.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7, AC 2006, nr. 515.
(6)P. DUINSLAEGER; “Het recht op wapengelijkheid”, Mercuriale, RW 2015-16, 411-412, met verwijzing naar EHRM 20 februari 1996, Lobo Machado t/Portugal; EHRM 25 maart 1998, Belziuk t/Polen en EHRM 15 januari 2015, Chopenko t/Oekraïne, www.echr.coe.int.
(7)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier 2023, 2232-2233.
(8)Cass. 11 maart 2025, AR P.24.0929.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.12.
(9)Wat betreft de criteria voor het horen van getuigen à charge, op vraag van de beklaagde, zie o.a. Cass. 9 april 2025, AR P.25.0099.F,ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 met concl. van de eerste advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE; Cass. 8 april 2025, AR P.25.0002.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 met noot OM; Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0554.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30; Cass. 12 september 2023, AR P.22.0767.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.15; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, RABG 2022, 1353, Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal MORTIER. Wat betreft de criteria voor het horen van getuigen à décharge, op vraag van de beklaagde, zie o.a. Cass. 9 april 2025, AR P.25.0099.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 met concl. van eerste advocaat-generaal NOLET DE BRAUWERE; Cass. 18 juni 2024, AR P.23.1146.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0916.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0982.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12; Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1104.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5, RW 2022-23, 375; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, EHRM (Grote Kamer) 18 december 2018, nr. 36658/05, Murtazaliyeva t. Rusland, T. Strafr., 2019, 280, noot S. BERNEMAN; F. VAN VOLSEM, “De cassatierechtspraak sinds 1 januari 2017 betreffende de verplichting voor de vonnisrechter om getuigen à charge op de rechtszitting te horen onder eed”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck & André Henkes, Larcier 2024, 1157-1178; B. MEGANCK, “Het recht om getuigen à charge op de rechtszitting te horen: het sprookje van Soufiane Riahi en de drie criteria”, T. Strafr. 2024, 420-433; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier 2023, 2201-2371; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2025, 46 en 1588-1595.
(10)F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol. 2, Larcier 2023, 2211.
(11)EHRM 12 juni 2012, Gryaznov t/Rusland, § 57, www.echr.coe.int
(12)Cass. 16 maart 2011, AR P.11.0441.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2, AC 2011, nr. 204; Cass. 6 november 2002, AR P.02.1394.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.14, AC 2002, nr. 588; F. VAN VOLSEM, “Het aanvoeren van cassatiemiddelen in strafzaken: een overzicht”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 133-136; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2025, 2098.
(13)Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1278.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021106.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061025.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100427.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100526.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110316.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110609.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151006.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211005.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220615.2F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220705.VAK.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div