← België

BS minister van Energie c. E.ON ENERGY PROJECTS G

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Rolnummer: C.24.0123.N Zaak: BS minister van Energie c. E.ON ENERGY PROJECTS G Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Belastingrecht - Unierecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-21 Raadplegingen: 448 - laatst gezien 2026-06-15 14:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 Fiches 1 - 5 Een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling vereist geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INGEBREKESTELLING Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling - Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Vrije woorden: Vordering op grond van onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Fiches 6 - 8 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat Richtlijn 2003/96/EG van toepassing is op indirecte belastingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn berekend op het verbruik van de in artikel 2 van die Richtlijn geviseerde energieproducten; daartoe moet een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaan tussen het belastbaar feit en het verbruik van de geviseerde energieproducten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  1. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  2. a)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  3. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  4. a)Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  5. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  6. a)Fiches 9 - 11 Het Hof van Justitie oordeelt dat een belasting wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14,
(1), a), tweede zin, Richtlijn 2003/96/EG indien die belasting vooreerst een ander dan een louter begrotingstechnisch doel heeft, waarbij voorts die belasting, in het geval dat de besteding van de opbrengsten ervan vooraf is vastgesteld, uit zichzelf de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde waarborgt en er dus een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van de opbrengsten en het specifieke doeleinde van deze belasting, dan wel die belasting, in het geval dat er geen sprake is van een vooraf vastgelegde besteding van de opbrengsten ervan, qua structuur, met name de belastinggrondslag of het belastingtarief ervan, zodanig is opgezet dat zij het gedrag van de belastingplichtigen beïnvloedt op een wijze die de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de betrokken producten zwaar te belasten om het verbruik ervan te ontmoedigen of door het gebruik aan te moedigen van andere producten waarvan de effecten in principe minder schadelijk zijn voor het milieu
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  1. a)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  2. a)Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Aardgas - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  3. a)Fiches 12 - 13 Noch uit de omstandigheid dat de Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde klanten werden aangewend ter financiering van de werking van de CREG en deze instelling krachtens artikel 23, § 1, tweede lid, 4°, Elektriciteitswet onder meer tot doel heeft bij te dragen tot het verzekeren van de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte niet-discriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van netten te bevorderen alsmede, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken en te verbeteren, noch uit enige andere wettelijke bepaling of de wetsgeschiedenis, blijkt dat de bedoelde toeslagen zelf een milieudoelstelling dienen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 15/10, § 2, en 15/11, § 1 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Wet van 26 maart 2014. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting op aardgas - Federale Bijdrage op aardgas - Toeslag Beschermde klanten op aardgas - Doelstelling - Milieudoelstelling Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/10, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/11, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt - 29-04-1999 - Art. 23, § 1, tweede lid, 4° - 42 ELI link Pub nr 1999011160 Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting op aardgas - Federale Bijdrage op aardgas - Toeslag Beschermde klanten op aardgas - Doelstelling - Milieudoelstelling Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/10, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/11, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt - 29-04-1999 - Art. 23, § 1, tweede lid, 4° - 42 ELI link Pub nr 1999011160 Fiche 14 Artikel 100, tweede lid, Wet Rijkcomptabiliteit betreft de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen en houdt geen verband met de verjaring van de rechtsvordering zelf
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 29 januari 2016, AR C.13.0584.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2, AC 2016 nr. 66, met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas.; Cass. 21 april 1994, AR C.93.0329.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9, AC 1994, nr. 190. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Aard - Schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provincies - Schuldvorderingen uit vonnissen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, tweede lid - 46 ELI link Pub nr 1991071751 KB 10 december 1868 houdende algemeen reglement op Rijkscomptabiliteit - 10-12-1868 - Art. 17, 3° - 01 Link Justel databank 18681210-01 Fiche 15 De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; deze wetsbepaling is ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet
(1).
(1)Cass. 27 september 2024, AR F.23.0081.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8, met concl. van advocaat-generaal RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8; Cass. 14 april 2003, AR C.00.0167.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7, AC 2003, nr. 250; zie ook Cass. 10 september 2010, AR F.09.0063.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3, AC 2010, nr. 510; Cass. 13 juni 2003, RW 2004-2005, 384, noot S. VAN DER JEUGHT; Cass. 25 maart 2004, AR C.01.0597.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7, AC 2004, nr. 167; Cass. 31 maart 1955, AC 1955,
  1. Contra: Cass. 4 juni 2021, AR F.20.0056.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.
  2. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 101, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaringstermijn - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 16 Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit
(1).
(1)Cass. 27 september 2024, AR F.23.0081.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8, met concl. van advocaat-generaal RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.
  1. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Toepassing artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit - Uitsluiting artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek - Verhouding Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 17 Uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, inzonderheid de artikelen 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dient over te leggen die voor waar en echt is verklaard en is ondertekend; dat stuk dient zo spoedig mogelijk gezonden te worden naar de ambtenaar of dienstchef wie deze uitgave aangaat; deze ziet het na en stuurt het vervolgens door naar het departement waaronder hij ressorteert, samen met de diverse bescheiden waaruit de wettigheid van de vordering blijkt; in afwijking van de bepalingen vervat in het eerste lid worden de aannemers van overheidsopdrachten vrijgesteld van de certificatie en ondertekening van hun facturen voor werken, leveringen en diensten. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Schuldvorderingen ten laste van de Staat - Geen vaste uitgaven - Verplichtingen van de belanghebbende Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 68 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 18 De vordering tot teruggave van belastingen die geïnd werden in strijd met een rechtstreeks werkende bepaling van Richtlijn 2003/96/EG vormt voor de Staat geen vaste uitgave. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Vordering tot teruggave van belastingen geïnd in strijd met bepaling van Richtlijn 2003/96/EG - Wet Rijkscomptabiliteit - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de conclusie C.24.0123.N Conclusie van advocaat-generaal VROMAN: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel gewezen op 27 september
  2. Door de eiser worden er zes middelen aangevoerd. I. Situering. Deze zaak heeft betrekking op de terugvordering van de zogenaamde Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde Klanten wegens vermeende onverenigbaarheid met de Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (verder Richtlijn 2003/96/EG)
(1), in het bijzonder gelet op de vrijstelling van belasting bepaald in artikel 14.1, a) van deze richtlijn. De Federale Bijdrage was een toeslag die tot 1 juli 2014 (daarna werd een Federale bijdrage in gewijzigde vorm tot 31 december 2021 opgelegd) werd geheven op de in België verbruikte hoeveelheid aardgas ter financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de aardgasmarkt. De CREG berekende en publiceerde de eenheidstoeslagen van de verschillende componenten van de federale bijdrage aardgas. Ze diende ter financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de aardgasmarkt. De Federale Bijdrage had zijn wettelijke basis in artikel 15/11, § 1 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (verder Gaswet)
(2), zoals voor de wijziging ervan door de Wet van 26 maart 2014 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (verder Wet van 26 maart 2014)
(3)en werd verder geregeld door het koninklijk besluit van 24 maart 2003 tot bepaling van de nadere regels betreffende de federale bijdrage tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de aardgasmarkt
(4). De Toeslag Beschermde Klanten was een toeslag die tot 1 juli 2014 (daarna werd een Toeslag Beschermde Klanten in een gewijzigde vorm opgelegd) werd geheven en die zijn wettelijke basis had in artikel 15/10, § 2, Gaswet, zoals voor de wijziging ervan door de Wet van 26 maart 2014, en verder geregeld door het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot bepaling van de nadere regels voor de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van maximumprijzen voor de levering van aardgas aan residentiële beschermde klanten
(5). Het systeem was hetzelfde als dat van de Federale Bijdrage. De Federale Bijdrage en de Toeslag beschermde klanten waren beide belastingen op het verbruik van aardgas, verschuldigd door de eindafnemer/verbruiker, die door de leverancier van aardgas werd geïnd door het bedrag aan te rekenen als een toeslag op de tarieven. De leverancier van het aardgas is juridisch niet de belastingplichtige, maar stort het bedrag voor rekening van de belastingplichtige in een fonds en rekent het vervolgens door aan zijn afnemers (waarvan de laatste de belastingplichtige is). II. Eerste middel (…) III. Tweede middel. In het tweede middel verwijt eiser de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling, zoals neergelegd in onder meer de artikelen 1139, 1145, 1146, 1195, 1205, 1656, 1788, 1790, 1929, 1936 en 1966 Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1146, 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 5.133, 5.134, 5.194 en 5.211 Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te oordelen dat de vordering van verweerster niet onontvankelijk is wegens de ontstentenis van een voorafgaande ingebrekestelling om reden dat de door verweerster gevorderde terugbetaling van de onverschuldigde betaalde heffingen belastingen betreffen terwijl dit gegeven de noodzaak van een voorafgaande ingebrekestelling onverminderd laat bestaan. Een voorafgaande ingebrekestelling aan de gedwongen uitvoering van een verbintenis wordt door het Hof als een algemeen rechtsbeginsel beschouwd bij iedere sanctie bij niet-nakoming van contractuele verbintenissen
(6). Ondertussen kreeg dit algemeen rechtsbeginsel ook een wettelijke grondslag in artikel 5.231 Burgerlijk Wetboek maar werden er ook wettelijke beperkingen op ingevoerd (zie artikel 5.é Burgerlijk Wetboek). Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter ook dat in de regel een dagvaarding als ingebrekestelling
(7)of als een met een aanmaning gelijkgestelde akte
(8)wordt beschouwd. Het gebrek aan een voorafgaande ingebrekestelling aan de dagvaarding (of andere gedinginleidende akte) kan dan ook in geen enkele hypothese de ontvankelijkheid van de rechtsvordering tot gevolg hebben. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. IV. Derde middel. In het derde middel verwijt eiseres de appelrechters volgende bepalingen te hebben geschonden: - De artikelen 1 tot en met 4, 14,
(1), (a), 18 en 28 van de Richtlijn 2003/96/EG; - De artikelen 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek; - De artikelen 5.133, 5.134 en 5.194 Burgerlijk Wetboek; - De artikelen 15/10 en 15/11 van de Gaswet (zoals gewijzigd door de Programmawet van 24 december 2002). - Artikelen 1, 4 en 7 van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 tot wijziging van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de structuur en de accijnstarieven inzake minerale olie; - Artikel 414 en 429 van de programmawet I van 27 december 2004 - Artikel 441 van de programmawet van 27 december 2004 - Artikel 6 van de wet van 26 maart 2014 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen door het autonoom begrip uit het Unierecht “indirecte belastingen … rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik”, dat het toepassingsgebied van de Richtlijn 2003/96/EG bepaald, te miskennen door te beslissen dat het vereiste rechtstreeks en onlosmakelijk verband tussen de betwiste heffingen en het verbruik van aardgas aanwezig is, eens er wordt vastgesteld en aanvaard dat enerzijds de betwiste heffingen niet afhankelijk zijn van de hoeveelheid verbruikt gas maar wel van de vooropgezette noodzakelijke te behalen op te brengen financiële doelstellingen, die omgedeeld worden tussen de verschillende energieproducenten en anderzijds er geen correlatie bewezen is tussen de betwiste belastingen op “aardgas” en enig, niet nader bewezen, “doorrekening” van concreet die precieze belasting op het “pak” elektriciteit ermee opgewekt en in het net gestuurd. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van de hogervermelde wettelijke bepalingen onder de laatste vier streepjes, evenals de aangevoerde schending van artikel 18 en 28 van de Richtlijn 2003/96/EG en van de artikelen 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 5.133, 5.134 en 5.194 Burgerlijk Wetboek omdat het niet aanduidt hoe deze bepalingen zouden zijn geschonden. De relevante bepalingen van de Richtlijn 2003/96/EG bepalen het volgende: Artikel 1: De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn. Artikel 2.1, b) en 2.5, eerste lid: 1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'energieproducten' verstaan de hieronder vermelde producten: b) GN-codes 2701, 2702 en 2704 tot en met 2715; 5. De in deze richtlijn vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur zijn verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief
(9). Artikel 4:
  1. De belastingniveaus die de lidstaten toepassen op de in artikel 2 genoemde energieproducten en op elektriciteit, mogen niet onder de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus liggen.
  2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'belastingniveau' verstaan het totaal van alle geheven indirecte belastingen (BTW uitgezonderd), rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik. Artikel 14.
  3. (a):
  4. Naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen: a) energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10; In verband met de voorganger van de Richtlijn 2003/96/EG nl. de richtlijn 92/12/EEG
(10)oordeelde het Hof van Justitie: “Richtlijn 92/12 is volgens artikel 1, lid 1, van toepassing op de producten die zijn onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die, zij het zelfs indirect, op het verbruik van die producten worden geheven. Zoals Braathens en de Commissie terecht hebben opgemerkt, bestaat er overigens een rechtstreeks en onlosmakelijk verband tussen het brandstofverbruik en de bij de wet van 1988 bedoelde vervuilende stoffen die tijdens dit verbruik worden uitgestoten, zodat zowel het gedeelte van de litigieuze belasting dat op basis van de emissie van koolwaterstof en stikstofmonoxide wordt berekend, als het gedeelte dat op basis van het brandstofverbruik wordt vastgesteld ter zake van de emissie van kooldioxide, voor de toepassing van de richtlijnen 92/12 en 92/81 als een belasting op het brandstofverbruik zelf moet worden beschouwd”
(11). Een heffing op splijtstof voor de opwekking van elektriciteit in een kerncentrale werd door het Hof van Justitie niet beschouwd als een belasting in de zin van de Richtlijn 2003/96/EEG omdat er tussen het gebruik van de splijtstof en het verbruik van de elektriciteit die door de reactor van een kerncentrale wordt opgewekt, een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat
(12). Wat betreft de vrijstellingen in artikel 14 Richtlijn 2003/96/EEG is het zo dat er geen algemene vrijstellingen zijn bepaald en er een limitatieve lijst van vrijstellingen is zodat de bepalingen ervan niet extensief kunnen worden uitgelegd omdat de bij die richtlijn geharmoniseerde belasting anders elk nuttig effect zou verliezen
(13). De verplichte vrijstelling bedoeld in artikel 14.1, (a) richtlijn 2003/96/EG voor energieproducten die worden gebruikt om elektriciteit op te wekken of het in stand houden van het vermogen elektriciteit te produceren, heeft tot doel een dubbele belasting van en de gebruikte energieproducten en de opgewekte elektriciteit te vermijden
(14). Ingeval een entiteit elektriciteit produceert voor eigen gebruik is deze elektriciteit niet het voorwerp van distributie. Het is om die reden dat zulke elektriciteit, bij gebreke van specifieke bepalingen die deze onderwerpen aan de genoemde belasting, niet onder de bij richtlijn 2003/96 vastgestelde geharmoniseerde belastingregeling valt
(15). Met de vaststellingen en het oordeel onder randnummers 7, 15 tot en met 18 van het bestreden arrest verantwoorden de appelrechters dan ook hun beslissing dat er een rechtstreeks en oorzakelijk verband bestaat tussen het belastbaar feit van de bestreden belastingen en het verbruik van het energieproduct aardgas en de Richtlijn 2003/96 van toepassing is. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag waar het ervan uitgaat dat de betwiste heffingen niet afhankelijk zijn van de hoeveelheid verbruikt gas maar wel van de vooropgezette noodzakelijke te behalen op te brengen financiële doelstellingen, die omgedeeld worden tussen de verschillende energieproducenten gelet op de vaststellingen en het oordeel onder randnummers 7, 15 tot en met 18 van het bestreden arrest. Een middel gericht tegen een overweging waarop de beslissing naar recht niet berust, is zonder belang en dus onontvankelijk
(16). Inzoverre het middel gericht is tegen de overwegingen van de appelrechters op pagina 39 dat er geen correlatie bewezen is tussen de betwiste belastingen op “aardgas” en enig, niet nader bewezen, “doorrekening” van concreet die precieze belasting op het “pak” elektriciteit ermee opgewekt en in het net gestuurd, is het niet gericht tegen de beslissing van de appelrechters dat het middel wenst aan te vechten en is het dus zonder belang en onontvankelijk. De in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moet dan ook niet worden gesteld omdat deze niet relevant is om het middel te beoordelen
(17). V. Vierde middel. In het vierde middel verwijt eiseres de appelrechters volgende bepalingen te hebben geschonden: - De artikelen 3 en 6 van de richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop
(18); - De artikelen 1 tot en met 4, 14,
(1), (a), 18 en 28 van de richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003, tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit; - De artikelen 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek; - De artikelen 5.133, 5.134 en 5.194 Burgerlijk Wetboek; - De artikelen 15/10 en 15/11 van de Gaswet (zoals gewijzigd door de Programmawet van 24 december 2002). - Artikel 23, § 1, tweede lid, 4°, Elektriciteitswet 1999
(19)- Artikel 414 en 429 van de programmawet I van 27 december 2004 - Artikel 441 van de programmawet van 27 december 2004 - Artikel 6 van de wet van 26 maart 2014 tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen door te oordelen dat geen milieubeleidsoverwegingen, als bedoeld in artikel 14.1,
  1. a)van de richtlijn 2003/96/EG, bewezen zijn en dit oordeel niet wettig is verantwoord omdat dit wel het geval is in de mate van de directe band die bestaat tussen enerzijds de aanwending van de Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde Klanten via de financiering van de CREG en anderzijds de specifieke milieudoelstellingen inzake energie-efficiëntie die de CREG overeenkomstig artikel 23, § 1, tweede lid, 4° Elektriciteitswet 1999 nastreeft. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van de hogervermelde wettelijke bepalingen onder de laatste drie streepjes, evenals de aangevoerde schending van artikel 18 en 28 van de richtlijn 2003/96/EG en van de artikelen 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 5.133, 5.134 en 5.194 Burgerlijk Wetboek omdat het niet aanduidt hoe deze bepalingen zouden zijn geschonden. Uit het onder het derde middel weergegeven artikel 14.1,
  2. a)Richtlijn 2003/96/EEG betreffende de vrijstelling voor energieproducten die worden gebruikt om elektriciteit op te wekken of het in stand houden van het vermogen elektriciteit te produceren voor, blijkt dat de lidstaten deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting kunnen onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus en wordt in dat geval de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10. De eiser wijst op doelstelling bedoeld in artikel 23, § 1, eerste lid, 4°, Elektriciteitswet 1999 die de CREG moet nastreven nl. “het bijdragen tot het verzekeren van de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte niet-discriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van netten bevorderen alsmede, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, alsook het beheer en de afstemming van het transmissienet en de efficiënte en gepaste interactie van dit transmissienet met andere energienetwerken voor gas of warmte teneinde de koppeling van laatstgenoemden met het transmissienet te faciliteren, te vergemakkelijken en te verbeteren”. Wat moet er begrepen worden onder milieubeleidsoverwegingen in de zin van de Richtlijn 2003/96/EG? Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt: - elke belasting streeft per definitie een begrotingstechnisch doel na. Hieruit volgt dat het enkele feit dat een belasting een begrotingsdoel nastreeft op zichzelf niet volstaat om uit te sluiten dat deze belasting ook een specifiek doel heeft
(20). - opdat een belasting waarbij de besteding van de opbrengsten vooraf is vastgesteld, kan worden geacht een specifiek doeleinde na te streven, dient deze belasting dus uit zichzelf de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde te waarborgen, zodat een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van de opbrengsten en de doelstelling van de betreffende belasting
(21). - wanneer er geen sprake is van een dergelijke vooraf vastgestelde besteding van de opbrengsten, kan een belasting slechts worden geacht een specifiek doeleinde te hebben, indien deze heffing qua structuur, met name de belastinggrondslag of het belastingtarief, zodanig is opgezet dat zij het gedrag van de belastingplichtigen beïnvloedt op een wijze die de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de betrokken producten zwaar te belasten teneinde het verbruik ervan te ontmoedigen
(22). - een belasting waarbij er een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van de opbrengsten en de doelstelling van deze belasting, of die geen louter begrotingstechnisch doel heeft en qua structuur, met name de belastinggrondslag of het belastingtarief ervan, zodanig is opgezet dat zij het gedrag van de belastingplichtigen beïnvloedt op een wijze die de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de betrokken producten zwaar te belasten om het verbruik ervan te ontmoedigen of door het gebruik aan te moedigen van andere producten waarvan de effecten in principe minder schadelijk zijn voor het milieu, wordt geheven „uit milieubeleidsoverwegingen” in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2003/96/EG
(23). Met de vaststellingen en het oordeel in de voorlaatste en laatste alinea op pagina 30 randnummer en in randnummer 23 van het bestreden arrest geven de appelrechters te kennen dat de Federale Bijslag en de Toeslag Beschermde Klanten niet uit zichzelf de verwezenlijking waarborgen van het doel van de CREG om onder andere de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen na te streven zodat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van deze belastingen en de doelstelling dat de CREG onder meer nastreeft en verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de Federale Bijslag en de Toeslag Beschermde Klanten niet zijn geheven uit milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14.1, a), tweede zin van richtlijn 2003/96/EG naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. VI. Vijfde middel. In het vijfde de middel verwijt eiser de appelrechters volgende bepalingen te hebben geschonden: - De artikelen 100 en 101 Wet Rijkscomptabiliteit - Artikel 131 van de wet van 2 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federaal Staat - De artikelen 68 en 100 koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, (artikel 100, zoals vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 maart 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit) - Het algemeen rechtsbeginsel houdende de rechten van verdediging - De artikelen 1235, 1376, 1377 en 1378 Oud Burgerlijk Wetboek - Artikel 14.1. a) van de richtlijn 2003/96/EG door te beslissen dat de schuldvordering van verweerster niet onderworpen is aan de vijfjarige verjaring van artikel 100, lid 1, 1° Wet Rijkscompatbiliteit. VI.1. de ontvankelijkheid. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van de hogervermelde wettelijke bepalingen onder de laatste vier streepjes, evenals de aangevoerde schending van artikel 101 Wet Rijkscomptabiliteit omdat het niet aanduidt hoe deze bepalingen zouden zijn geschonden. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel aan. Volgens verweerster kan er op grond van de artikelen 17, 3° van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit
(24)en 100, tweede lid Wet Rijkscomptabiliteit worden overgegaan tot substitutie van motieven. Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit luidt als volgt: “Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de (tienjarige) verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas”. Artikel 100, tweede lid, Wet Rijkscomptabiliteit heeft geen betrekking op de verjaring van de rechtsvordering zelf maar het betreft een vervaltermijn van de uitvoerbare titel en geldt slechts voor de schuldvorderingen die door een vonnis zijn vastgesteld
(25). De grond van niet-ontvankelijkheid faalt naar recht. Evenwel is er volgens mijn ambt een andere reden waarom er kan worden overgegaan tot substitutie van motieven. Er moet volgens mij immers worden rekening gehouden met de werking in de tijd van de afschaffing van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit. Artikel 127 van de Wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat (verder Wet van 22 mei 2003) bepaalt
(26): “De bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 samengeordende wetten op de rijkscomptabiliteit, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 3 april 1995, 19 juli 1996 en 10 juni 1998, worden opgeheven voor de in artikel 2 bedoelde diensten”. Artikel 113 van de Wet van 22 mei 2003 dat behoort tot het hoofdstuk 1 “De verjaring van schuldvorderingen” de Titel V van deze wet bepaalt: “Onverminderd de bepalingen van artikel 114 zijn de verjaringsregels van het gemeen recht van toepassing op de diensten bedoeld in artikel 2”. Artikel 131, tweede lid van de Wet van 22 mei 2003 bepaalt: “Artikel 100, eerste lid, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit blijft van toepassing op de schuldvorderingen op de federale Staat die ontstaan zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet”. Artikel 133, eerste lid van de Wet van 22 mei 2003 bepaalt: “Voor de diensten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, treedt deze wet in werking op 1 januari 2012”. In artikel 2, eerste lid, 1°, van de Wet van 22 mei 2003 wordt het algemeen bestuur, dat alle federale overheidsdiensten hergroepeert, vermeld. Artikel 134, eerste lid, van de Wet van 22 mei 2003 bepaalt: “In afwijking van artikel 133, hebben de bepalingen van Titel II, van hoofdstuk I van Titel III en van Titels IV, V en VI, met uitzondering van artikel 38, uitwerking op 1 januari 2009 wat de FOD Kanselarij van de Eerste Minister, de FOD Budget en Beheerscontrole, de FOD Personeel en Organisatie, de FOD Informatie- en Communicatietechnologie en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu betreft, op 1 januari 2010 wat de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zekerheid, de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en de FOD Maatschappelijke Integratie, Strijd tegen de Armoede en Sociale Economie betreft, en treden in werking op 1 januari 2011 wat de FOD Financiën, de FOD Mobiliteit en Vervoer en de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking betreft”. Artikel 134, vierde lid, van de Wet van 22 mei 2003 bepaalt: “In afwijking van het eerste en tweede lid is hoofdstuk 1 van Titel V eveneens van toepassing vanaf 1 januari 2010 op de andere federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur”. De gemeenrechtelijke verjaringsregels zijn met andere woorden van toepassing sinds 1 januari 2010 voor alle federale en programmatorische overheidsdiensten van het algemeen bestuur. Men moet volgens mij tot de vaststelling komen dat artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit niet meer van toepassing was op de schuldvordering van verweerster maar de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar bedoeld in artikel 2262bis, § 1, lid 1, Oud Burgerlijk Wetboek. Met substitutie van motieven kan er volgens mij geoordeeld worden dat hogervermelde redenen het oordeel van de appelrechters dat artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit niet van toepassing was op de schuldvorderingen van verweerster, dragen. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden is in zoverre bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. VII. Zesde middel. (…) Conclusie: Verwerping. ________________________________________________________________
(1)Pb. 31 oktober 2003.
(2)BS 7 mei 1965.
(3)BS 1 april 2014. In de memorie van toelichting bij deze wet werd ten andere gesuggereerd dat de Federale Bijdrage zoals die tot dan bestond in strijd was met de Richtlijn EG/2003//96 (Mvt. bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, KAMER, 2013-2014, 19 februari 2014, 53-3386/001, 3, 4 en 9-10).
(4)BS 28 maart 2003.
(5)BS 31 december 2003.
(6)Cass. 26 mei 2023, AR C.22.0131.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.5; Cass. 9 april 1976, AC 1976, 921, ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760409.3; RW 2023-2024, 109; zie ook CLAEYS I. en TANGHE T., Nieuw algemeen contractenrecht, Intersentia 2023, 662; VAN RANSBEECK R., “Ingebrekestelling”, in DAMBRE M., TILLEMAN B, TANGHE T. (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer
(1)2; CORNELIS L., Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia 2000, 511; VAN OMMESLAGHE, P., DE PAGE, Traité de droit civil belge, II, Bruylant 2013, 2164. WERY, P., Droit des obligations, II, Larcier 2016, 473-474.
(7)Cass. 14 september 1972, AC 1973, 59, ECLI:BE:CASS:1972:ARR.19720914.5.
(8)Zie Cass. 27 maart 2000, AR S.98.0117.F, AC 2000, nr. 203, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000327.4; Cass. 17 oktober 1957, AC 1957, 83.
(9)Aardgas valt onder de code GN-2701 volgens de bijlage I bij de Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, Pb. 7 september 1987.
(10)Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën, Pb. 31 oktober 1992.
(11)HvJ 10 juni 1999, C-346/97, ECLI:EU:C:1999:291, Braathens Sverige AB tegen Riksskatteverket, overw. 21.
(12)HvJ 4 juni 2005, C-5/14, ECLI:EU:C:2015:354, Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH tegen Hauptzollamt Osnabrück, overw. 64-65.
(13)HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 34; HvJ 9 maart 2023, C-571/21, EU:C:2023:186, RWE Power, overw. 30.
(14)HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 31; HvJ 9 maart 2023, C-571/21, EU:C:2023:186, RWE Power, overw. 36.
(15)HvJ 27 juni 2018, C-90/17, ECLI:EU:C:2018:498, Turbogás – Produtora Energética SA tegen Autoridade Tributária e Aduaneir, overw. 32.
(16)Cass. 27 november 2008, AR C.07.0536.F, AC 2008, nr. 677, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081127.7; Cass. 14 mei 1982, AR 3372, AC 1982, nr. 548.
(17)Zie bijv. HvJ 15 oktober 2024, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881, Kubera t. Slovenië.
(18)Pb. 23 maart 1992.
(19)In de voorziening staat door een materiële vergissing een verwijzing naar artikel 24, § 1, tweede lid, 4°, Elektriciteitswet 1999 (BS 11 mei 1999). Er wordt duidelijk artikel 23, § 1, tweede lid, 4° Elektriciteitswet 1999 bedoeld.
(20)Zie HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 39;
(21)HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 41.
(22)HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 42.
(23)HvJ 22 juni 2023, C-833/21, ECLI:EU:C:2023:516, Endesa Generación, overw. 46.
(24)De verwijzing naar artikel 17, 3° Wet Rijkscomptabilieit is een materiële vergissing in de memorie van antwoord. Er wordt duidelijk bedoeld artikel 17, 3° Wet Rijkscomptabiliteit.
(25)Cass. 29 januari 2016, AR C.13.0584.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2, AC 2016, nr. 66, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2, met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160129.2, op datum in Pas..
(26)BS 3 juli 2003. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:1972:ARR.19720914.5 ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760409.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000327.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081127.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160129.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230526.1N.5 ECLI:EU:C:1999:291 ECLI:EU:C:2015:354 ECLI:EU:C:2018:498 ECLI:EU:C:2023:516 ECLI:EU:C:2024:881 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.