← België

KBC VERZEKERINGEN contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251006.3N.1 Rolnummer: S.24.0020.N Zaak: KBC VERZEKERINGEN contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-06-18 19:23 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.1 Fiche Noch uit artikel 9 Arbeidsovereenkomstenwet, noch uit de artikelen 2, 7, 8, 9, 14 en 17 Uitzendarbeidswet 1987 of artikel 8 van de CAO nr. 36 van 27 november 1981 houdende conservatoire maatregelen betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, volgt dat een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die voor een bepaalde tijd is aangegaan, op de in de overeenkomst bepaalde einddatum reeds een einde neemt bij het verstrijken van het einduur dat vermeld wordt in het in de overeenkomst opgenomen werkrooster

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Uitzendarbeid - Bepaalde tijd - Kalenderdag - Arbeidstijdregeling - Einddatum - Einduur - Einde arbeidsovereenkomst Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 9 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 2 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 7 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 8 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 9 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 14 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 Wet 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 24-07-1987 - Art. 17 - 31 ELI link Pub nr 1987012597 CAO nr. 36 van 27 november 1981 houdende conservatoire maatregelen betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers - 36 - 27-11-1981 - Art. 8 - C3 Link Justel databank 19811127-C3 Tekst van de conclusie S.24.0020.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN: 1. Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, gewezen op 02 november 2023. Door eiseres wordt één middel aangevoerd. 2. Het middel. In het kader van de uitzendarbeid moet de aandacht gevestigd worden op het gegeven dat, niettegenstaande het uitzendbureau de werkgever is van de uitzendkracht, het de gebruiker is die tijdens het verrichten van de arbeid het werkgeversgezag uitoefent. Het is dan ook deze laatste die instaat voor de naleving voor specifieke regelgeving die kan worden aangetroffen in artikel 19 Uitzendarbeidswet 1987. Zo is de gebruiker onder andere gehouden om toe te zien op de naleving van de bepalingen van de regelgeving inzake deeltijdse arbeid, de bepalingen van de Arbeidswet, …
(1). Geen van de bepalingen van de voormelde regelgeving staan er echter aan in de weg dat er door een uitzendkracht overuren worden gepresteerd, die zich noodzakelijker wijze buiten het vastgestelde vast of variabel werkrooster situeren. Dit, ongeacht het feit of het een voltijdse of deeltijdse tewerkstelling betreft. Inderdaad, noch de Arbeidswet, noch de Uitzendarbeidswet 1987 verzetten zich hier tegen. Voor de verloning van dit overwerk voorziet de Arbeidswet in specifieke bepalingen
(2). De werkdag beperkt zich derhalve niet noodzakelijk tot de uren die weerhouden zijn in het werkrooster. De prestaties voor een werkgever kunnen dus buiten de in de overeenkomst vermelde tijdsvakken vallen. De werkdag eindigt, in de regel, immers eerst op het ogenblik dat er geen uitvoering meer is van de arbeidsovereenkomst. Er is uitvoering van de overeenkomst zolang de werknemer onder het gezag van de werkgever staat en hij door de uitvoering van arbeid in zijn persoonlijke vrijheid en activiteiten wordt beperkt
(3)
(4). Eén en ander begrenst zich dus niet noodzakelijk tot de uren die vermeld staan in een uurrooster. Derhalve, in zoverre het middel aanvoert dat een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid, die melding maakt van de dag waarop en de uren waarbinnen de prestaties die bepaalde dag moeten worden geleverd, deze overeenkomst voor een bepaalde tijd is aangegaan en een einde neemt bij het verstrijken van het erin opgegeven eindtijdstip, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting en faalt het naar recht. Betreffende de aangevoerde schending van de artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek moet ik vaststellen dat de grieven vreemd zijn aan deze bepalingen en in zoverre is het middel niet ontvankelijk. De kritiek van eiseres betreft de wijze waarop de appelrechters de door hun vastgestelde feiten beoordelen en is derhalve vreemd aan de voormelde wetbepalingen die het bewijs regelen van een onbekend feit
(5). De grieven inzake de overweging die de appelrechters doen, dat de mogelijkheid om overuren te presteren uitdrukkelijk was opgenomen in de nog aan te vullen arbeidsovereenkomst van 21 juni 2013, betreft een overweging die de beslissing niet draagt. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk daar zij niet tot cassatie kan leiden. In zoverre de schending van de bewijskracht van de tweede conclusie in hoger beroep (syntheseconclusie) dd. 30 mei 2023
(6)van eiseres wordt aangevoerd mist het feitelijke grondslag. De appelrechters die oordelen dat niet is aangetoond noch ingeroepen dat de tewerkstelling gebeurde zonder dat er een overeenkomst voor uitzendarbeid was gesloten geven aan de appelconclusie geen uitleg die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan
(7). In zoverre de schending wordt aangevoerd van de artikelen 8.17, 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook de artikelen 1134 en 1156 Oud Burgerlijk Wetboek richten de grieven zich eigenlijk tegen een beoordeling in feite van de appelrechters, dan wel nodigen ze uw Hof uit om een beoordeling in feite te doen, waar het niet voor bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Inzake de aangevoerde schending van de artikelen 5.64, 5.65, 4°, 5.69, 5.70 en 5.71 Burgerlijk Wetboek dien ik erop te wijzen dat deze bepalingen eerst op 1 januari 2023 inwerking getreden zijn zodat zij niet toepasselijk zijn op de overeenkomst van 21 juni 2013. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. De overige grieven zijn afgeleid uit de verworpen schendingen en in zoverre is het middel niet ontvankelijk. Conclusie: verwerping. ______________________________________________________________________
(1)Dit wordt thans in hoofde van de gebruiker strafrechtelijk gehandhaafd door artikel 176/1 Sociaal Strafwetboek. Ten tijde van de feiten van huidige zaak was er geen specifieke strafrechtelijke handhaving in hoofde van de gebruiker voorzien. De handhaving was voor de invoering van het Sociaal strafwetboek voorzien in artikel 39bis Uitzendarbeidswet 1987. Deze bepaling werd opgeheven bij de invoering van het Sociaal Strafwetboek en het is slechts sedert de wet van 29 februari 2016 dat er terug sprake is van een strafrechtelijke handhaving in hoofde van de gebruiker.
(2)Voor de deeltijdse werknemers is dit geregeld in het KB van 25 juni 1990 tot gelijkstelling van sommige prestaties van deeltijds tewerkgestelde werknemers met overwerk.
(3)Cass. 9 november 2015, AR S.15.0039.N, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.3, AC 2015, nr. 662.
(4)De rechter stelt dit in feite vast, Uw Hof oefent ter zake een marginale toetsing uit.
(5)Cass. 25 juni 2015, AR C.14.0395.F, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.9, AC 2015, nr. 446 en Cass. 23 oktober 2014, AR C.14.0207.F, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6, AC 2014, nr. 634.
(6)Volledigheidshalve wil ik erop wijzen dat de cao nr. 108 die wordt vermeld in deze conclusie dateert van na de feiten die aan de grondslag liggen van huidig geschil. De cao is van 16 juli 2013 waar het ongeval plaats had op 24 juni 2013.
(7)Bestreden beslissing pagina 19. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251006.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141023.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150625.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151109.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.