id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 07 oktober 2025
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Fiches 6 - 10 Wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsproducten op te leggen, kan op die beklaagde evenmin de verplichting rusten om die producten voor te brengen; bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de producten, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan vermits die veroordeling enkel een burgerrechtelijk gevolg is in geval van de onmogelijke uitvoering van die verbeurdverklaring
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije
Art. 30
, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de conclusie P.25.0842.N Conclusie van advocaat-generaal D. Schoeters: I. Procedurele voorgaanden.
- De verweerder werd door eiser vervolgd wegens het onregelmatig voorhanden hebben en binnenbrengen in België vanuit Nederland van accijnsproducten, zijnde 13,15 hl water en 983,71 hl frisdranken, voor commerciële doeleinden, buiten de schorsingsregeling, zonder heffing van de Belgische accijnzen en verpakkingsheffing overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de nationale wetgeving, zonder in het bezit te zijn van een vergunning Accijnsrichting, zoals vastgesteld op 9 februari
- Bij vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 17 mei 2024 werd verweerder schuldig verklaard aan de enige telastlegging en veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, een fiscale geldboete van 10.000 euro, waarvan de helft met uitstel voor een termijn van 3 jaar, alsmede de bijdragen, vaste vergoeding en kosten van de strafvordering. Op burgerlijk gebied werd verweerder veroordeeld tot het betalen van de ontdoken belastingen (totaal 21.558,11 euro) vermeerderd met vergoedende en moratoire intresten. Tegen dit vonnis werd door alle partijen (beperkt) hoger beroep aangetekend. Het hoger beroep van eiser was gericht tegen de weigering van de eerste rechter om de verbeurdverklaring uit te spreken van de fictief aangehaalde accijnsgoederen en om verweerder niet te veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van die fictief aangehaalde goederen.
- Het bestreden arrest van 23 april 2025 bevestigt het beroepen vonnis in al zijn onderdelen en beslissingen, zowel op strafgebied als op burgerlijk gebied. II. Het onderzoek van het middel.
- In zijn enig middel met twee onderdelen voert eiser de schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 17 Handvest Grondrechten EU, artikel 16 Grondwet, de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek, en artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie (hierna Wet 21 december 2009). Het middel van eiser gaat er mijns inziens in essentie van uit dat de strafrechter, ook wanneer hij oordeelt dat er geen of een gematigde verbeurdverklaring moet worden opgelegd van accijnsgoederen waarop accijns verschuldigd is, er steeds toe gehouden is om de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen integraal uit te spreken. De vordering om de verweerder te veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen kan volgens eiser niet worden afgewezen op grond van de financiële toestand van de verweerder (eerste onderdeel) noch met het oordeel dat die veroordeling een onlosmakelijk geheel vormt met de verbeurdverklaring van die producten (tweede onderdeel).
- Artikel 30, Wet 21 december 2009 bepaalt: “Iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijns opeisbaar wordt, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal het bedrag van de verschuldigde accijns, met een minimum van 625 euro. Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar wanneer accijnsproducten die worden geleverd of zijn bestemd om te worden geleverd hier te lande, zijn uitgeslagen tot verbruik zonder aangifte of wanneer het vervoer ervan geschiedt onder dekking van valse of vervalste documenten of wanneer de overtreding gebeurt door benden van ten minste drie personen. In geval van herhaling worden de geldboete en de gevangenisstraf verdubbeld. Benevens vorenvermelde straf worden de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, de bij de overtreding gebruikte vervoermiddelen en de voorwerpen die gediend hebben of bestemd waren om de fraude te plegen in beslag genomen en verbeurdverklaard. De teruggave van verbeurdverklaarde accijnsproducten wordt verleend aan de persoon die eigenaar was van die accijnsproducten op het moment van de inbeslagname en die aantoont dat zij vreemd is aan het misdrijf”. Uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat de wetgever beoogde om de inhoud van die bepaling af te stemmen op de artikelen 220 tot 224 van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerde op 18 juli 1977 (hierna “AWDA”)
(1). De artikelen 220, § 1, en 221, § 1, AWDA met betrekking tot het primaire douanemisdrijf ‘smokkel’ voorzien in de inbeslagneming en de verbeurdverklaring van goederen waarvoor bij invoer of uitvoer gepoogd werd de vereiste aangiften te miskennen en aldus getracht werd de rechten van de Europese thesaurie te ontduiken. Gelijksoortige bepalingen zijn eveneens in andere bepalingen van de AWDA en in geval van mogelijke benadeling van de Belgische Schatkist in de onderscheiden accijnswetten terug te vinden. De door het Hof ontwikkelde rechtspraak omtrent de verbeurdverklaring van goederen in het douane- en accijnsstrafrecht en de veroordeling tot de betaling van tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet- wederoverlegging ervan, lijkt mij dan ook volledig toepasselijk op de verbeurdverklaring van accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, overeenkomstig artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2019. 6. De verbeurdverklaring van de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, is een straf
(2). Volgens het Grondwettelijk Hof gaat het uitsluitend om een bijkomende vermogensstraf
(3). Deze verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter, aangezien niet vereist is dat de veroordeelde of de ontduiker eigenaar is van de verbeurdverklaarde goederen en evenmin dat de ontduiker gekend is
(4)
(5). Door de verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de goederen. In de rechtspraak werd tevens beslist dat ondanks een strafrechtelijke vrijspraak van de beklaagde, bijvoorbeeld op grond van dwaling, toch een verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen moet worden uitgesproken
(6). Het gaat bovendien om een verplichte verbeurdverklaring. De rechter die desbetreffend geen keuze heeft dient in de regel niet te motiveren waarom hij de verbeurdverklaring uitspreekt
(7). Wel is vereist dat hij bij het uitspreken van de verbeurdverklaring vaststelt dat de voorwaarden voor de toepassing van die bestraffing vervuld zijn
(8). Krachtens artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009, is de rechter die een overtreding op de bepaling van de Wet 21 december 2009 bewezen acht, aldus verplicht om de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, integraal als straf verbeurd te verklaren, en dit ongeacht of de betrokken goederen voorafgaandelijk in beslag werden genomen. De verbeurdverklaring van de betrokken goederen vereist niet dat zij voorafgaandelijk reeds in beslag werden genomen
(9). Het is evident dat in de situatie dat de verbeurd te verklaren goederen voorafgaand aan de rechterlijke beslissing in beslag werden genomen, de uitvoering van de uitgesproken verbeurdverklaring normalerwijze weinig problemen zal opleveren. Anders is het gesteld bij de verbeurdverklaring van de niet in beslag genomen goederen. 7. Het Hof heeft geoordeeld dat bij de verbeurdverklaring op grond van de douane- en accijnswetgeving van niet in beslag genomen goederen op de veroordeelde de verplichting rust deze voor te brengen. Bij verzuim daaraan zal de rechter, ten einde de rechten op die goederen te vrijwaren, de beklaagde op vordering van de Belgische Staat moeten veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen die hij niet voorbrengt. De veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-wederoverlegging ervan maakt geen strafsanctie uit. Zij houdt als dusdanig geen verbeurdverklaring per equivalent in en zij is evenmin preventief of repressief van aard. Voor het Hof betreft deze veroordeling het civielrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring. Zij strekt ertoe de schade van de Belgische Staat te vergoeden die specifiek volgt uit het niet-bijbrengen van de verbeurdverklaarde goederen. Die veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde vormt de toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek
(10)voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen, indien hij deze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij, door zijn toedoen, tekort komt aan de verplichting de zaak te leveren. Artikel 44 Strafwetboek, dat toelaat dat de strafrechter een beklaagde ook veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding, vormt daarvan een toepassing. Uit de toepassing van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en artikel 44 Strafwetboek volgt dat de rechter zo hij veroordeelt tot verbeurdverklaring van niet in beslag genomen goederen tevens verplicht is te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de deze goederen en dit ongeacht of de niet-wederoverlegging het gevolg is van een van het bewezenverklaarde misdrijf te onderscheiden foutief gedrag, aangezien die verplichting enkel voortvloeit uit het gepleegde misdrijf zelf. De veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen verbeurdverklaarde goederen vereist dan ook niet een in kracht van gewijsde getreden verbeurdverklaring van die goederen. Aangezien zij een loutere toepassing vormt van artikel 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, dient de schadevergoeding de Belgische Staat terug te plaatsen in de toestand waarin hij zich zou bevinden indien de goederen wel in zijn bezit zouden zijn gebracht, zodat de rechter niet bevoegd is om die vergoeding te matigen op grond van verzachtende omstandigheden of op grond van de financiële situatie van de veroordeelde. De tegenwaarde van verbeurdverklaarde maar niet-overgelegde goederen vormde voor het Hof tegelijk een schadevergoeding in de betekenis van artikel 50 Strafwetboek
(11). De rechter moet alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-overlegging. Het bovengemelde is vaststaande rechtspraak van het Hof
(12)die laatst nog werd bevestigd in het arrest van 16 april 2024 in een zaak van accijnsfraude met olieproducten en aldus in toepassing van artikel 436, tweede lid, Programmawet 27 december 2004 en artikel 45, vierde lid, Accijnswet 2009
(13). Bij arrest van 25 juni 2025 voegde het Hof daaraan toe dat de louter civielrechtelijke aard van die veroordeling tot betalen van de tegenwaarde van de niet-overgelegde goederen niet verhindert dat de beslissing binnen de reikwijdte van een enkel op strafgebied ingesteld hoger beroep valt. Zij vormt een noodzakelijk accessorium van de beslissing tot verbeurdverklaring. Aldus kan ook een louter strafrechtelijk hoger beroep vanwege de douaneadministratie die burgerrechtelijke beslissing op ontvankelijke wijze aanhangig maken bij het appelgerecht. Die procedurele vermenging berust voor het Hof niet op een tegenstrijdigheid
(14). 8. Deze vaststaande rechtspraak van het Hof lijkt tevens convergerend met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, ontwikkeld in de arresten van respectievelijk 1 december 2011, 31 januari 2019 en 9 februari 2023
(15). 9. De rechtspraak van het Hof en het Grondwettelijk Hof bleef niet gespaard van kritiek in de rechtsleer. In de kwalificatie van de veroordeling tot betalen van de tegenwaarde als een eigenlijke strafsanctie wordt daarbij steevast verwezen naar de ontstentenis van een wettelijke basis in de douanewetgeving voor een verbeurdverklaring per equivalent en naar de ontoelaatbaarheid om een objectconfiscatie tijdens de uitvoering te doen uitdraaien op een niet wettelijk geregelde waardenconfiscatie
(16). In de andere omschrijving van die veroordeling, met name als een civielrechtelijk gevolg, werd afgevraagd of de strafrechter wel bevoegd is om aan de vervolgende partij een vergoeding toe te kennen voor een schade die niet rechtstreeks oorzakelijk is aan het strafbaar feit, daar waar die slechts de uitvoering van een straf raakt en in wezen een fout betreft die ontstaat nadat de schadevergoeding reeds door de rechter is toegekend
(17). 10. Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het hof van beroep te Brussel van 21 december 2023, onderzocht het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 30 januari 2025
(18)de bestaanbaarheid van artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2019, met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en met artikel 17, lid 1, van het Handvest. Het betrof een zaak van accijnsfraude met limonade en aldus in toepassing van de thans in geding zijnde bepaling van artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009. Na de weergave van een synthese van de vaststaande rechtspraak van het Hof met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 221 AWDA en de daaraan gekoppelde veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-wederoverlegging ervan, toetst het Grondwettelijk Hof mijns inziens enkel het verplicht karakter van de door de rechter te bevelen verbeurdverklaring van de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is, aan het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17 Handvest Grondrechten EU. Het Grondwettelijk Hof stelt vast dat de door de rechter bevolen verbeurdverklaring van een goed een inmenging vormt in het recht van de eigenaar ervan op de eerbiediging van zijn eigendom. Na analyse van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(19)betreffende de verenigbaarheid van de verbeurdverklaring van goederen als straf met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat: - de verbeurdverklaring bedoeld in artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009 betrekking heeft op het voorwerp van het misdrijf, namelijk de goederen die aan de accijnsheffing zijn onttrokken; - de verbeurdverklaring een bijkomende vermogensstraf vormt die de rechter verplicht dient op te leggen; - die verbeurdverklaring op zich niet onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom; - in bepaalde gevallen echter de door de rechter op te leggen verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring wel een schending van het eigendomsrecht met zich meebrengt; - het eigendomsrecht aldus geschonden is wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009 niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU, in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. 11. Met deze uitspraak trekt het Grondwettelijk Hof zijn rechtspraak over het redelijkheidsvereiste van de verplichte verbeurdverklaring van de zaak die gediend heeft om een misdaad of een wanbedrijf te plegen
(20), zoals verwoord in het arrest nr. 12/2017 van 9 februari 2017
(21), thans door naar de verplichte verbeurdverklaring van het voorwerp van het accijnsmisdrijf, nl. de goederen die aan de accijnsheffing zijn onttrokken. Het vermelde arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 februari 2017 wekte verwondering in de rechtsleer, niet zozeer omwille van het feit dat ingevolge deze uitspraak de proportionaliteit van de straf voortaan ook zou gelden bij de verplichte bijzondere verbeurdverklaring van de zaken die gediend hebben om de misdaad of het wanbedrijf te plegen, doch wel omwille van het feit dat het Grondwettelijk Hof de financiële toestand van de veroordeelde naar voren leek te schuiven als (enig?) criterium om het al dan niet proportioneel karakter van deze bijzondere verbeurdverklaring te toetsen
(22). In het arrest van 30 januari 2025 stelt het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk dat uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat er door het verwijzend rechtscollege geen andere omstandigheid dan de financiële situatie van de betrokkene wordt beoogd en het Hof zijn onderzoek dan ook beperkt tot die situatie
(23). De financiële situatie van de betrokkene lijkt mij evenwel niet de enige omstandigheid te zijn waarmee de rechter rekening moet houden bij de beoordeling of het bevelen van de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het accijnsmisdrijf, nl. de goederen die aan de accijnsheffing zijn onttrokken, tot gevolg heeft dat hij daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf oplegt. De proportionaliteit van de opgelegde bestraffing zal mijns inziens steeds moeten getoetst worden in het licht van de bewezenverklaarde inbreuk, zodat de strafrechter eveneens zal rekening kunnen houden met de aard en de ernst van het misdrijf. Het betreft de evenredigheid tussen het misdrijf en de bestraffing, en niet uitsluitend tussen de bestraffing en de financiële toestand van de beklaagde
(24). Dienaangaande kan mijns inziens verwezen worden naar de rechtspraak van het Hof omtrent de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf
(25). Het Hof oordeelde dat bij de beoordeling of het bevelen van de bijzondere verbeurdverklaring van een zaak die heeft gediend of was bestemd om een misdaad of een wanbedrijf te plegen tot gevolg heeft dat hij daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf oplegt, de rechter onder meer rekening kan houden met de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezen verklaarde misdrijf, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt.
- Uit het bovenstaande volgt mijns inziens dat de rechter die een overtreding van de bepalingen van de Wet 21 december 2009 bewezen acht, krachtens artikel 30, vierde lid, van deze wet, in beginsel verplicht is om lastens de veroordeelde(n) de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is. Hij mag die bijzondere verbeurdverklaring evenwel niet uitspreken indien de verbeurdverklaring tot gevolg zou hebben dat daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf wordt opgelegd. De rechter oordeelt mijns inziens onaantastbaar of het bevelen van de bijzondere verbeurdverklaring van de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is tot gevolg heeft dat hij daardoor aan de veroordeelde een onredelijk zware straf oplegt. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt. Mij lijkt het tevens dat de rechter enkel uitdrukkelijk dient vast te stellen dat hij door het uitspreken van deze verbeurdverklaring geen onredelijk zware straf oplegt, indien hij daartoe door de veroordeelde wordt uitgenodigd. Het komt ook de veroordeelde toe de gegevens aan te reiken welke de rechter in staat moeten stellen die beoordeling te maken.
- Tenslotte blijft de vraag of de rechter er toe gehouden is om de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen accijnsproducten waarop accijns is verschuldigd uit te spreken wanneer de strafrechter oordeelt dat er geen verbeurdverklaring kan worden opgelegd. Eiser voert aan dat hoewel de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde weliswaar verband houdt met de uitgesproken verbeurdverklaring, deze veroordelingen geen onlosmakelijk geheel vormen en de strafrechter, ook wanneer hij oordeelt dat er geen of een gematigde verbeurdverklaring moet worden opgelegd, er wel toe gehouden is om de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen goederen integraal uit te spreken. Mij lijkt deze rechtsopvatting te falen naar recht. Uit de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof blijkt dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de niet-overgelegde goederen, enkel het burgerrechtelijk gevolg is van de strafrechtelijke veroordeling tot verbeurdverklaring. Door de verbeurdverklaring rust op de veroordeelde de verplichting om de Belgische Staat in het bezit te stellen van deze goederen. Bij gebrek aan verbeurdverklaring rust er evenwel geen verplichting op de veroordeelde om de Belgische Staat in het bezit te stellen van de goederen en kan er dan ook voor de Belgische Staat geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen. Het Grondwettelijk Hof beschouwt mijns inziens terecht de verbeurdverklaring en het burgerrechtelijk gevolg inzake de eventuele plaatsvervangende schadevergoeding als een onlosmakelijk geheel
(26). Zoals vermeld oordeelde het Hof in het arrest van 25 juni 2025 dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen het accessorium vormt van de verbeurdverklaring zelf. Indien de strafrechter tot het oordeel komt dat de bijzondere verbeurdverklaring van de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is moet worden uitgesproken lastens een veroordeelde, zal hij tevens, zonder enige matigingsbevoegdheid, die veroordeelde moeten veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen producten. Er lijkt mij geen reden om op dat vlak af te wijken van de gevestigde rechtspraak van het Hof. Echter, wanneer de rechter oordeelt dat de verbeurdverklaring van de accijnsproducten waarop accijns verschuldigd is, een onredelijk zware bestraffing inhoudt en afziet om aan een veroordeelde de verbeurdverklaring op te leggen, kan hij die veroordeelde niet veroordelen tot betaling van de tegenwaarde van de, in zulk geval, niet verbeurdverklaarde goederen. 14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het beroepen vonnis de gevorderde bijzondere verbeurdverklaring van de accijnsgoederen (983,71 hl en 13,15 hl water) afwijst om reden dat de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen dermate afbreuk zou doen aan de financiële toestand van de beklaagde dat een onredelijke zware straf zou worden opgelegd die een miskenning inhoudt van het door artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM gewaarborgde eigendomsrecht, en het verklaart de burgerlijke vordering tot betaling van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde goederen ongegrond, gelet op het feit dat de rechtbank niet is overgegaan tot verbeurdverklaring van de accijnsgoederen. De beslissing van het bestreden arrest, dat oordeel van het beroepen vonnis bijtreedt en het beroepen vonnis bevestigt in zoverre dit de vordering van de eiser om de verweerder te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de accijnsproducten afwijst omdat de verbeurdverklaring van die producten dermate afbreuk zou doen aan de financiële toestand van de verweerder dat hij aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, lijkt mij naar recht verantwoord. Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren. Conclusie: verwerping van het cassatieberoep. ______________________________________________________________
(1)Parl.St., Kamer 2009-2010, Doc 52-2258/001, p. 12; Gwh 30 januari 2025, nr. 11/2025, ro B.2, www.const-court.be.
(2)Zie Cass. 29 april 2003, AR P.02.1459.N-P.02.1578.N, AC 2003, nr. 268, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1461.N, AC 2003, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9.
(3)Gwh 30 januari 2025, nr. 11/2025, ro B.2, www.const-court.be.
(4)Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N, AC 2016, nr. 39, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, met concl. van procureur-generaal M. DE SWAEF, toen plaatsvervangend advocaat-generaal, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.3; Cass. 15 februari 2011, AR P.09.1566.N, AC 2011, nr. 130, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.4; Cass. 12 januari 2011, AR P.09.0835.F, AC 2011, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110112.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3; Cass. 8 december 2009, AR P.09.1185.N, AC 2009, nr. 726, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.6; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1461.N, AC 2003, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1459.N-P.02.1578.N, AC 2003, nr. 268, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8.
(5)De wetgever heeft dit zakelijk karakter gemilderd door de derde te goeder trouw de mogelijkheid te geven om aan te tonen dat hij vreemd is aan het misdrijf en zo de teruggave van de goederen te bekomen (artikel 30, laatste lid, Wet van 21 december 2019).
(6)Cass. 12 januari 2011, AR P.09.0835.F, AC 2011, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110112.3, met concl. advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3.
(7)Cass. 24 mei 2016, AR P.15.1604.N, AC 2016, nr. 342, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2.
(8)Cass. 7 maart 1984, AR 3315, AC 1983-84, nr. 384, ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840307.1.
(9)Zie RPDB, v° Douanes et accises, IV, 1932, 215.
(10)Thans de artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek.
(11)Ik merk op dat artikel 50 Strafwetboek werd aangepast door artikel 6 van de Wet van 7 februari 2024 houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek (BS 1 juli 2024, in werking getreden op 1 januari 2025) en thans enkel nog een hoofdelijke veroordeling voor de gerechtskosten bevat. Thans lijkt de in solidum aansprakelijkheid te gelden zoals bepaald in artikel 6.19 Burgerlijk Wetboek.
(12)Cass. 16 april 2024, AR P.23.1652, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21; Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0020.N, AC 2020, nr. 436, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2; Cass. 4 oktober 2016, P.14.1881.N, AC 2016, nr. 540, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1; Cass. 13 september 2016, AR P.15.0124.N, AC 2016, nr. 479, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.1; Cass. 28 juni 2016, AR P.14.1588.N, AC 2016, nr. 424, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2; Cass. 29 april 2014, AR P.14.0083.N, AC 2014, nr. 284, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.3 en NC 2014, 318, noot P. WAETERINCKX; Cass. 15 februari 2011, AR P.09.1566.N, AC 2011, nr. 130, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.4; Cass. 8 december 2009, AR P.09.1185.N, AC 2009, nr. 726, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.6; Cass. 12 februari 2008, AR P.07.1562.N, AC 2008, nr. 105, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080212.5; Cass. 31 oktober 2006, AR P.06.0928.N, AC 2006, nr. 531, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8; Cass. 2 september 2003, AR P.01.1494.N, AC 2003, nr. 409, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030902.6; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1461.N, AC 2003, nr. 269, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1459.N en AR P.02.1578.N, AC 2003, nr. 268, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8; Cass. 21 september 1999, AR P.98.1346.N, AC 1999, nr. 474, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8; Cass. 14 juni 1989, AR 6135, AC 1989, nr. 602, met concl. van advocaat-generaal B. JANSSENS DE BISTHOVEN op datum in Pas.; Cass. 8 december 1958, AC 1959, 298; Cass. 13 februari 1950, AC 1950, 393; Cass. 4 juni 1917, Pas. 1918, I, 30; Cass. 16 november 1891, Pas. 1892, I, 16; Cass. 3 december 1860, Pas. 1860, I, 401, met concl. van advocaat-generaal P. CLOQUETTE.
(13)Cass. 16 april 2024, AR P.23.1652, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21.
(14)Cass. 25 juni 2025, AR P.25.0469.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250625.2F.4.
(15)GwH 1 december 2011, nr. 181/2011, www.const-court.be; GwH 31 januari 2019, nr. 16/2019, www.const-court.be; GwH 9 februari 2023, nr. 20/2023, www.const-court.be.
(16)Zie onder meer A. DE NAUW, “Een wettelijke straf zonder basis. De veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen bij niet-overlegging ervan in douane en accijnzen” (noot onder GwH 1 december 2011), NC 2013, 48-53 en P. WAETERINCKX, “Juridische ‘creativiteit’ ten dienste van de ‘kaalpluk’ bij accijns- en douanefraude” (noot onder Cass. 29 april 2014), NC 2014, 319-326.
(17)A. Claes, “Tussen Scylla en Charybdis: de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde” (noot onder GwH 31 januari 2019), T.Strafr. 2020, 356-357.
(18)GwH 30 januari 2025, nr. 11/2025, www.const-court.be.
(19)Met name EHRM 5 juli 2001, Phillips t. Verenigd Koninkrijk; EHRM, 12 mei 2009, Tas t. België; EHRM 13 oktober 2015, ?nsped Paket Servisi SaN. Ve TiC. A.?. t. Bulgarije; EHRM 26 februari 2009, Grifhorst t. Frankrijk, EHRM 2 februari 2010, Monedero e.a. t. Frankrijk.
(20)Artt. 42, 1°, en 43 Strafwetboek.
(21)GwH 9 februari 2017, nr. 12/2017, www.const-court.be.
(22)J. ROZIE, “De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?”, NC 2017, 255-268, V. TRUILLET, “La Cour constitutionelle sonne-t-elle le glas de la confiscation obligatoire?”, Dr.pén.entr. 2018, 110-116.
(23)GwH 30 januari 2025, nr. 11/2025, ro B.3.3., www.const-court.be.
(24)Zie J. ROZIE, “De verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf: een noodzakelijk kwaad of een onevenredige straf?”, NC 2017, p.265-266, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM.
(25)Cass. 26 januari 2021, AR P.20.1283.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210126.2N.5.
(26)GwH 30 januari 2025, nr. 11/2025, ro B.3.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19 citeert: ECLI:BE:CASS:1984:ARR.19840307.1 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030429.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030902.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080212.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.6 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110112.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110215.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110215.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160524.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161004.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210126.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210126.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250625.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div