← België

V. contra ORDE ADVOCATEN RECHTBANK ANTWERPEN

Obsah (4)Art. 2Art. 3Art. 4Art. 8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 oktober 2025

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 8

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 8

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1017, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1018, eerste lid, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022, eerste en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 2

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 3

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 4

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -

Art. 8

- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de conclusie C.23.0471.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: (…) Eerste middel. Eerste onderdeel. In tegenstelling tot waar het onderdeel van uitgaat vereisen de artikelen 764, eerste lid, 5°, en derde lid, 766, § 1, eerste en vijfde lid en 780, eerste lid, 1° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek niet dat in het vonnis of arrest vermeldingen of vaststellingen worden opgenomen betreffende de mededeling van de zaak aan het openbaar ministerie, de beslissing waarbij het niet dienstig wordt geacht om advies uit te brengen en de naam van de parketmagistraat die de desbetreffende beslissing heeft genomen. Uit deze wetsbepalingen vloeit enkel voort dat een vonnis of arrest vermeldingen dient te bevatten betreffende het advies van het openbaar ministerie en de identiteit van de parketmagistraat die in de zaak is tussengekomen, in zoverre er effectief mondeling of schriftelijk advies werd uitgebracht. Het middelonderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt mijns inziens naar recht. (…) Vierde middel. De artikelen 2 tot 4 en 8 artikel Tarief Rechtsplegingsvergoeding stellen indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vast voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen, waarbij het telkens gaat om basis-, minimum- en maximumbedragen. Volgens recente rechtspraak van het Hof dient de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, in geval van een geldelijk waardeerbare vordering, te worden bepaald op de waarde of de geldelijke inzet van het hoger beroep, zoals die blijkt uit de beroepsakte dan wel de laatste beroepsconclusie

(1). Het is tevens vaste rechtspraak dat de rechter ambtshalve het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dient te bepalen, met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt
(2). Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het geschil tussen eiser en elfde verweerster een vordering tot schadevergoeding wegens misbruik van vertrouwen betreft, aan de zijde van de eiser in appelconclusie geraamd op 10,00 euro. Elfde verweerster vorderde bij appelconclusie de veroordeling van eiser tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan haar zijde geraamd op 1.680,00 euro. Krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding bedraagt het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering tot 250,00 euro, op datum van het bestreden arrest 210,00 euro (indexatie 1 april 2022). Ik meen dan ook dat de appelrechter die, net zoals de eerste rechter, de vordering van eiser afwijst en hem vervolgens als in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep veroordeelt tot een rechtsplegingsvergoeding die hij begroot op 1.680,00 euro, de in de voorziening aangevoerde wetsbepalingen schendt. Op grond van artikel 1097, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dienen de partijen erop geattendeerd te worden dat het Hof te dezen een cassatie zonder verwijzing, zoals bedoeld in artikel 1109/1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zou kunnen uitspreken mits het zelf de toepasselijke rechtsplegingsvergoeding bepaalt
(3). Het vierde middel is gegrond. Conclusie: Cassatie, zonder verwijzing, op het vierde middel en verwerping voor het overige. __________________________________________________________________
(1)Cass. 3 januari 2025, AR C.24.0016.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250103.1N.4 met concl. van advocaat-generaal met opdracht VROMAN, ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4; Cass. 19 oktober 2023, AR C.23.0073.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4, met concl. van advocaat-generaal met opdracht DECONYNCK, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231019.1N.4; Cass. 3 februari 2022, AR C.20.0368.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6.
(2)Cass. 18 januari 2024, AR C.23.0157.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1. Cass. 23 juni 2023, AR C.22.0384.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4; Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4.
(3)Zie bijv. Cass. 4 juni 2018, AR C.17.0505.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180604.3; Cass. 5 februari 2024, AR C.23.0103.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2, met concl. van advocaat-generaal VANDERLINDEN ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251009.1N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180604.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220203.1N.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231019.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231019.1N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240205.3N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240205.3N.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250103.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.