← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 09 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.14 Rolnummer: C.25.0024.N Zaak: D. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 521 - laatst gezien 2026-06-17 11:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251009.1N.14 Fiches 1 - 2 Aandeelhouders in een vennootschap beschikken niet over een zelfstandig vorderingsrecht voor afgeleide schade ten aanzien van de vereffenaar van een vennootschap; aandeelhouders die in een gerechtelijke procedure tot vergoeding van de schade aan het vennootschapsvermogen louter bewarend zijn tussengekomen ter ondersteuning van de aansprakelijkheidsvordering hebben niet de vereiste hoedanigheid, noch belang, om zelfstandig cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing waarbij de aansprakelijkheidsvordering wordt afgewezen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Gemis aan belang of bestaansreden Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:106 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:107 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - ALGEMEEN. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS Wettelijke bepalingen: Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:106 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Wetboek van vennootschappen en verenigingen 23 maart 2019 - 23-03-2019 - Art. 2:107 - 09 ELI link Pub nr 2019A40586 Tekst van de conclusie C.25.0024.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de zevende kamer van het hof van beroep te Gent van 9 september 2024. De verweerder voert in zijn memorie van antwoord aan dat het cassatieberoep onontvankelijk is bij gebrek aan hoedanigheid en belang. In eerste instantie wordt opgeworpen dat de eiser in het geding voor de appelrechter enkel is tussengekomen ter ondersteuning van de vordering van de vereffenaar van de vennootschap. Tevens beschikt de eiser volgens verweerder niet over het vereiste belang, nu het bestreden arrest de afwijzing van de actio mandati inhoudt, vordering die enkel open staat voor de vennootschap en niet voor haar aandeelhouders. De positie van eiser in de bodem- en de appelprocedure. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiser aandeelhouder was in de bv DE MAERE, een vennootschap in vereffening. Op basis van vermeende fouten begaan door de verweerder, initiële vereffenaar van de bv DE MAERE, die in de loop van de vereffeningsprocedure werd opgevolgd door de in gemeenmaking van het arrest opgeroepen partij, werd overgegaan tot het instellen van een aansprakelijkheidsvordering lastens deze initiële vereffenaar, dit zowel door de eiser als door de in gemeenmaking van het arrest opgeroepen partij, in diens hoedanigheid van vereffenaar van de bv DE MAERE. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de eiser initieel in eigen naam een aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld tegen de verweerder tot schadevergoeding voor schade die hij als vereffenaar zou hebben veroorzaakt. In zijn vonnis van 19 september 2022 besliste de eerste rechter om de vordering van de bv De Maere in vereffening, ingesteld door de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij in diens hoedanigheid van vereffenaar, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Wat betreft de vordering ingesteld door eiser werd door de eerste rechter vastgesteld dat “de discussie of [eiser] als aandeelhouder een vorderingsrecht had voor schade aan het vennootschapsvermogen niet meer actueel is”. Immers had eiser in zijn laatste conclusie aangegeven dat hij in hoofdorde geen vordering meer stelde en dat zijn tussenkomst louter bewarend was. Betreffende deze tussenkomst overweegt de eerste rechter voorts dat “de bewarende tussenkomst geen eigen voorwerp [heeft], maar louter [strekt] tot bescherming of ondersteuning van de reeds hangende vordering”. De eiser en de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan verweerder. Vervolgens werd door de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij principaal hoger beroep aangetekend. In navolging hiervan werd door de eiser incidenteel beroep aangetekend tegen de beslissing van de eerste rechter waarbij hij samen met de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij hoofdelijk werd veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder. Ook in het kader van de appelprocedure stelde de eiser dat hij enkel “ten bewarende titel” tussenkwam in de procedure en dat zijn middelen en grieven dienen “begrepen te worden als louter ondersteunende grieven en middelen, ter loutere ondersteuning van het hoger beroep […] van de vereffenaar van de bv De Maere”. Hij preciseerde dat zijn middelen in verband met de actio mandati enkel ter aanvulling en ter ondersteuning van de vordering van de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij werden uiteengezet. Het cassatieberoep. In het thans bestreden arrest werd het incidenteel hoger beroep van eiser tegen de veroordeling tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding als ongegrond afgewezen, gelet op het feit dat de eiser in de loop van de procedure afstand deed van het geding, en in die omstandigheden de partij die afstand doet in de kosten dient te worden verwezen. Met het cassatieberoep komt de eiser evenwel niet op tegen die beslissing van de appelrechter, doch richt hij zich enkel tegen de beslissing van de appelrechter tot afwijzing van het hoger beroep ingesteld door de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij tegen de afwijzing van de actio mandati. Hiertoe beschikt de eiser niet over de vereiste hoedanigheid en belang, nu de aansprakelijkheidsvordering ter vergoeding van de collectieve schade ontstaan door het optreden van een vereffenaar niet aan de individuele aandeelhouders, doch aan de vennootschap zelf, toekomt. De vereffenaar is ten aanzien van de vennootschap en haar schuldeisers aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit de wijze waarop hij zijn opdracht heeft uitgevoerd
(1). Een dergelijke vordering komt in beginsel toe aan de vennootschap zelf. Immers berust het eigendomsrecht van het vennootschapsvermogen uitsluitend bij de vennootschap en niet bij haar aandeelhouders, zodat het de vennootschap zelf is die gerechtigd is om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast. De zogenaamde actio mandati wordt in principe door de algemene vergadering uitgeoefend, die daartoe een lasthebber ad hoc kan aanduiden. Na de ontbinding van de vennootschap is het evenwel de vereffenaar die de voormelde vordering kan instellen. Aandeelhouders in een vennootschap beschikken volgens vaste rechtspraak niet over zelfstandige vergoedingsaanspraken tot herstel van afgeleide schade, of tot vergoeding van hun aandeel in de schade aan het vennootschapsvermogen
(2). Dit geldt zowel voorafgaand aan de ontbinding als tijdens de vereffening. Dit gebrek aan de vereiste hoedanigheid en belang bij de aansprakelijkheidsvordering tot vergoeding van de collectieve schade aan de vennootschap is de reden waarom eiser zowel in graad van eerste aanleg als gedurende de procedure in hoger beroep de positie van tussenkomende partij heeft ingenomen. De mogelijkheid tot het instellen van een voorziening in cassatie tegen de beslissing van de appelrechter tot afwijzing van de aansprakelijkheidsvordering kwam dan ook enkel de in gemeenverklaring van het arrest opgeroepen partij, en niet de eiser toe. Er anders over oordelen zou impliceren dat de eiser, als aandeelhouder van een vennootschap, via een omweg alsnog de inwilliging van de actio mandati zou kunnen nastreven. Conclusie: verwerping. _________________________________________________________________
(1)Artikel 2:106 WVV; ALSTEENS Y. en MALSCHALCK C., “Commentaire de l’article 2:106 du Code des sociétés et des associations” in : X., Commentaire systématique du Code des sociétés et des associations , CSCS, suppl. 59 (février 2025), C.S.A. Art. 2:106 – 2.
(2)Zie Cass. 4 februari 2011, AR C.09.0420.N, AC 2011, nr. 103, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4; Cass. 23 februari 2012, AR C.11.0459.N, AC 2012, nr. 131, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.5; Cass. 10 mei 2019, AR C.17.0397.N, AC 2019, nr. 276, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.3; VANANROYE J., “Aandeelhouders hebben geen zelfstandig vorderingsrecht voor afgeleide schade” (noot onder Cass. 23 februari 2012), TRV 2012, 319; WILLERMAIN D., “L'absence de préjudice réparable des actionnaires en cas d'atteinte au patrimoine social”, RDC 2013, nr. 9, 877; VAN EETVELDE J., “Over aandeelhouders en afgeleide schade na sluiting van de vereffening”, RPS-TRV 2019, 685. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.14 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251009.1N.14 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.