← België

F. contra Vereniging van Mede-eigenaars Residentie

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 oktober 2025

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 De rechterlijke beslissing in verband met een vordering tot nietigverklaring van een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering van een appartementsmede-eigendom die volgt, in eerste aanleg dan wel in hoger beroep, geldt ten aanzien van alle mede-eigenaars

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 577-9, §2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij Wet van 4 februari 2020 houdende Boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: oud

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: oud

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 5 - 6 Het hoger beroep van een mede-eigenaar is niet toegelaten indien deze nalaat om, ten laatste voor de sluiting van het debat, de andere mede-eigenaar die samen met hem in eerste aanleg op grond van artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek een vordering had ingesteld tot vernietiging van een beslissing van de algemene vergadering van een appartementsmede-eigendom, in het hoger beroep te betrekken

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 577-9, §2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij Wet van 4 februari 2020 houdende Boek 3 “Goederen” van het Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: ONSPLITSBAARHEID (GESCHIL) Wettelijke bepalingen: oud

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1053 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: oud

Art. 577

-9, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 31 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1053 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie C.24.0199.N Conclusie van advocaat-generaal FREDERIC VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, gewezen op 3 april 2024. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag dat wanneer de vordering tot vernietiging van een beslissing van de algemene vergadering van mede-eigenaars, ingesteld door twee (of meer) mede-eigenaars eigenaars op basis van artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek (zoals van toepassing)

(1)wordt verworpen, één van de mede-eigenaars verplicht is om ook de andere mede-eigenaar in zijn hoger beroep tegen beslissing van de vrederechter te betrekken. Is er met andere woorden in dat geval al dan niet sprake van een onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 31 en 1053 Gerechtelijk Wetboek en moest de mede-eigenaar die hoger beroep instelde ook de andere mede-eigenaar niet bij dit hoger beroep betrekken? II. Enig middel. De eiseres verwijt de appelrechter de artikelen 31 en 1053 Gerechtelijk Wetboek en artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door het hoger beroep van eiseres onontvankelijk te verklaren omdat zij de andere mede-eigenaar, die in eerste aanleg samen met de eiseres de vordering op grond van artikel 577-9, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek had ingesteld maar tegen de afwijzing van die vordering van die vordering geen hoger beroep had ingesteld, niet in het hoger beroep heeft betrokken terwijl dergelijk geschil niet onsplitsbaar kan zijn gelet op artikel 577-9, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. II.1. De principes. Artikel 577-9, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vereniging van mede-eigenaars bevoegd is om in rechte op te treden, als eiser en verweerder. Artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere mede-eigenaar aan de rechter kan vragen een onregelmatige, bedrieglijke of onrechtmatige beslissing van de algemene vergadering (van een vereniging van mede-eigenaars) te vernietigen of te wijzigen indien die hem een persoonlijk nadeel oplevert. Deze vordering moet worden ingesteld tegen de vereniging van mede-eigenaars
(2). De andere mede-eigenaars moeten vanzelfsprekend niet bij deze procedure worden betrokken aangezien ze moet worden ingesteld tegen de vereniging van mede-eigenaars. De rechterlijke beslissing over deze vordering bindt dan ook in beginsel iedere mede-eigenaar, zelfs wanneer deze geen partij zijn (wat de regel is) in het geding tussen de mede-eigenaar en de vereniging van mede-eigenaars. Volgens artikel 31 Gerechtelijk Wetboek is een geschil enkel onsplitsbaar in de zin van de artikelen 735, § 5, 747, 2, zevende lid, 1053, 1084 en 1135 Gerechtelijk Wetboek wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn. Volgens artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek moet, wanneer het geschil onsplitsbaar is, hoger beroep gericht worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep en moet de partij die hoger beroep aantekent de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken en bij niet in achtneming van deze regels wordt het hoger beroep niet toegelaten. Onsplitsbaarheid is een verstrekte vorm van samenhang waarvoor geldt dat de onderlinge afhankelijkheid van de vorderingen zo innig is dat zij aanleiding moet geven tot één enkele rechtspleging ten aanzien van alle in het geding betrokken partijen
(3). Er kan maar sprake zijn van onsplitsbaarheid wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen materieel onmogelijk zijn, wat restrictief moet worden geïnterpreteerd
(4). Onsplitsbaarheid beoogt (onder meer) in wezen de bescherming van alle partijen die eenzelfde belang hebben bij een identieke oplossing van het geschil
(5). Degene die hoger beroep aanwendt mag geen slachtoffer zijn van de inertie van andere procespartijen met gelijklopende belangen. Daartoe is het noodzakelijk dat deze andere procespartijen in het geding worden betrokken door de appellant
(6). Het Hof heeft dan ook reeds beslist dat uit de relatieve werking van het hoger beroep volgt dat, in de regel, het door een van de partijen ingestelde hoger beroep alleen haar ten goede komt maar dat de relatieve werking van het hoger beroep niet uitsluit dat de gevolgen van het hoger beroep ten goede komen aan een andere partij bij onsplitsbaarheid
(7). In deze laatste zaak werden echter, in tegenstelling met dit dossier, alle partijen bij hoger beroep betrokken. Hoewel de regel dat de rechterlijke beslissing over de vordering bedoeld in artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek dan ook in beginsel iedere mede-eigenaar bindt, zelfs wanneer deze geen partij zijn in het geding tussen de mede-eigenaar en de vereniging van mede-eigenaars, doet dit mijns inziens geen afbreuk aan de regels van onsplitsbaarheid. Artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek biedt de verklaring voor de doorwerking van de bindende kracht van de beslissing van de rechter over de vordering bedoeld in dat artikel, naar de andere mede-eigenaars terwijl het leerstuk van de onsplitsbaarheid daartoe de mogelijkheid verschaft
(8). De vaststelling dat artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek tot gevolg heeft dat beslissingen over vorderingen bedoeld in dat artikel, ook gelden voor de niet in de procedure betrokken mede-eigenaars, doet volgens mij geen afbreuk aan de regels van onsplitsbaarheid die wat betreft de vereisten van artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek, ook van openbare orde
(9)zijn. De appelrechter moet dus ambtshalve onderzoeken of het geschil al dan niet splitsbaar is
(10). Bovendien geldt volgens mij ook de autonomie van het procesrecht
(11). De materiële regel uit artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek heeft niet zomaar voorrang op de procesrechtelijke regel van artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek. Hoewel het procesrecht in principe slechts een dienende functie heeft ten aanzien van de verwezenlijking van de rechten toegekend door het materieel recht, heeft de procesrechtelijke regel van artikel 1053 Gerechtelijk Wetboek gelet op zijn openbare orde karakter de voorrang op de materieelrechtelijke regel
(12). In een arrest van 11 oktober 2019 van het Hof werd er beslist dat indien het geschil splitsbaar was, de eiser (een mede-eigenaar die niet akkoord was met de beslissing van de algemene vergadering van een vereniging van mede-eigenaars) zou kunnen verkrijgen dat de hem toebehorende parkeerplaatsen en kelders niet het voorwerp uitmaken van de handelshuurovereenkomst die tussen de verweerster (de vereniging van mede-eigenaars) en de vennootschap werd gesloten ter uitvoering van de beslissingen van de litigieuze algemene vergaderingen, terwijl die beslissingen ten aanzien van de vennootschap geldig zouden blijven en de erkenning van het feit dat haar genotsrecht ook op de parkeerplaatsen en de kelders van de eiser betrekking heeft, zou standhouden. Het Hof was dan ook van oordeel dat het geschil in kwestie onsplitsbaar was omdat de gezamenlijke tenuitvoerlegging van die beslissingen materieel onmogelijk zou zijn en dat het cassatieberoep onontvankelijk is omdat het cassatieberoep van de mede-eigenaar enkel gericht was tegen de vereniging van mede-eigenaars
(13). II.2. Toepassing van de principes in deze zaak. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan blijkt dat eiseres samen met een andere mede-eigenaar de verweerster dagvaardde ten einde de schriftelijke algemene vergadering van vereniging van mede-eigenaars gehouden op 17 februari 2021 als de daarop genomen beslissing te laten vernietigen bij toepassing van artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek wegens onregelmatig, onrechtmatig en bedrieglijk, als ook bij toepassing van het adagium “fraus omnia corrumpit”. De bewuste beslissing betrof “de bekrachtiging van de beroepsprocedure tussen de Vereniging van mede-eigenaars Arachon en mevrouw E.F. (de huidige eiseres)
(14). De vrederechter wees deze vordering af als ongegrond (en kende de tegenvordering van verweerster toe in de in het vonnis bepaalde mate) bij vonnis van 29 november 2022. Enkel eiseres stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Dit houdt in dat het vonnis wat betreft de “andere” mede-eigenaar definitief is en dat de beslissing van 17 februari 2021 voor deze partij behouden blijft. De beslissing van 17 februari 2021 blijft dus bekrachtigd voor deze partij. In hoger beroep vordert de eiseres nog steeds de vernietiging van de voormelde beslissing. Wanneer de appelrechter deze vordering zou inwilligen, heeft ze de vernietiging van de voormelde beslissing tot gevolg voor eerste verweerster en voor alle niet in de procedure betrokken mede-eigenaars. Evenwel geldt dit in hoofde van de “andere” mede-eigenaar niet aangezien in het ten aanzien van deze partij definitieve vonnis van het vredegerecht werd beslist dat de voormelde beslissing niet werd vernietigd. Dit houdt volgens mij in dat het materieel onmogelijk is om de beslissing van de vrederechter en de eventuele beslissing van de appelrechter tot vernietiging van voormelde beslissing gezamenlijk ten uitvoer te leggen. Eerste verweerster zou immers enerzijds gehouden zijn aan de bekrachtiging van de beroepsprocedure tussen haarzelf en verweerster ten aanzien van de “andere” mede-eigenaar en anderzijds zou ten aanzien van eerste verweerster, eiseres en alle andere niet-betrokken mede-eigenaars deze bekrachtiging niet meer bestaan gelet op de vernietiging ervan
(15). Het middel dat ervan uitgaat dat uit artikel 577-9, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek volgt dat er geen onsplitsbaar geschil kan zijn, faalt naar recht. Conclusie: Verwerping. ____________________________________________________________________
(1)Thans is dezelfde regeling opgenomen in artikel 3.92, § 3, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.
(2)POLLEFEYT F. en TILLEMAN B., Handboek nietigheid van besluiten van rechtspersonen, Intersentia 2025, 645-646, nr. 627; TIMMERMANS R., Handboek Appartementsrecht, Wolters Kluwer Belgium 2025, 856-858, nr. 1183-1184; SAGAERT V., VAVOURAKIS F. en ANTHONI E., “Actuele ontwikkelingen inzake privaat vastgoedrecht” (2019-2022), in SAGAERT V. en GRUYAERT D. (eds.), Themis 2022-2023 nr. 124 – Vastgoedrecht, Intersentia 2023,
(1), 16, nr. 25; LECOCQ P. en GOFFLOT N., “Examen de jurisprudence (2000 à 2020) – Les biens – Deuxième partie: Copropriété – Troubles de voisinage – Mitoyenneté”, RCJB 2022/2, 304, nr. 119; CARETTE N. en JANSEN R., Handboek goederenrecht, Intersentia 2022, 546-547, nr. 126: GRUYAERT D., “Procedures inzake appartementsrecht” in CARETTE N. en SAGAERT V. (eds.), Appartementsrecht III *Hervorming 2018 en actuele ontwikkelingen, Intersentia 2018, 174-175, nrs. 25-26.
(3)DE RUYSSCHER M., “Onsplitsbaarheid (commentaar bij artikel 31 Ger.W.)” in VANDENBUSSCHE W., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium,
(1)1-2; DE BOE C., “L’indivisibilité du litige a-t-elle des conséquences au premier degré de juridiction?”, in GEORGES F., BOULARBAH H. en VAN DROOGHENBROECK J.-F. (eds), Questions qui dérangent en droit judiciaire – CUP 209, Anthemis 2021,
(41), 42.
(4)DE RUYSSCHER M., “Onsplitsbaarheid (commentaar bij artikel 31 Ger.W.)” in VANDENBUSSCHE W., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium,
(1)2; DE BOE C., “L’indivisibilité du litige a-t-elle des conséquences au premier degré de juridiction?”, in GEORGES F., BOULARBAH H. en VAN DROOGHENBROECK J.-F. (eds), Questions qui dérangent en droit judiciaire – CUP 209, Anthemis 2021,
(41), 42. Zie ook MORTIER R., “Conclusie bij Cass. 4 juni 2020, AR C.18.0345.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3, AC 2020, nr. 360”, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.4.
(5)VAN DEN BERGH B., “De relatieve werking van het hoger beroep in een onsplitsbaar geschil (noot onder Cass.26 september 2014)”, RW 2014-2015/34, 1346.
(6)Ibid.
(7)Cass. 26 september 2014, AR C.14.0014.N, AC 2014, nr. 560, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.4, RW 2014-2015/34, 1342.
(8)Zie en vergelijk VAN DEN BERGH B., ‘De relatieve werking van het hoger beroep in een onsplitsbaar geschil (noot onder Cass. 26 september 2014)’, RW 2014-2015/34, 1347.
(9)Vb. Cass. 13 juni 2022, AR C.21.0528.N, arrest niet gepubliceerd, RW 2022-23/17, 662; Cass. 2 september 2021, AR C.21.0005.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.8; Cass. 25 februari 2005, AR C.02.0268.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050224.7-C.02.0274.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050224.7, AC 2005, nr. 115.
(10)Vb. Cass. 4 september 2020, AR C.20.0053.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.5, AC 2020, nr. 490.
(11)Zie hierover STORME M.L., “Algemene beginselen van behoorlijke procesvoering”, in VAN HOECKE M. (ed.), Algemene rechtsbeginselen, Kluwer 1991,
(159)168; STORME M.L., “Procesrecht versus materieel recht” in BOONE I., CLAEYS I. en LAVRYSEN L. (red.), Liber amicorum Hubert Bocken, die Keure 2009,
(621), 626-630.
(12)Zie en vergelijk DE CORTE R. “Hoe autonoom is het procesrecht?”, TPR 1980,
(3)29-30, nr. 66.
(13)Cass. 11 oktober 2019, AR C.18.0340.F, AC 2019, nr. 513, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191011.2.
(14)Zie p. 3 van het beroepen vonnis van het vredegerecht, van het eerste kanton Oostende van 29 november 2022.
(15)In deze zin zie Rb. Leuven 15 september 2004, T.App. 2005/1,
  1. Zie ook TIMMERSMANS R., “De valkuil van processuele ondeelbaarheid bij geschillen inzake appartementseigendom”, T.App. 2005/1, 9-
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251016.1N.10 citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050224.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140926.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191011.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200904.1N.5 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200604.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.