id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.6 Rolnummer: C.24.0370.N Zaak: V. contra Gemeente Roosdaal Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 454 - laatst gezien 2026-06-18 22:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251016.1N.6 Fiche 1 Op grond van artikel 63, §1, eerste lid, en §2 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, dat het principe van de planneutraliteit inhoudt, wordt er bij een onteigening die strekt tot verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of de waardevermindering die voortvloeit uit de voorschriften van het nieuwe ruimtelijk uitvoeringsplan; dit heeft tot gevolg dat de waarde van het onteigende goed in dat geval bepaald moet worden op basis van het vorige bestemmingsplan
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof gebruikt voor het eerst het begrip planneutraliteit terwijl het vroeger steeds het begrip planologische neutraliteit gebruikte zoals dit wordt gebruikt in titel 5 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 27 februari 2017 (zie Cass 12 mei 2022, AR C.19.0274.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3; Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590; Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3, AC 2013, nr. 332. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 63, § 1, eerste lid, en § 2 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Fiche 2 De regel van de planneutraliteit is een afwijking op de algemene regel dat de onteigeningsvergoeding wordt berekend op basis van de planbestemming die van toepassing is op de dag van het vonnis waarbij de door de onteigenende overheid verschuldigde provisionele vergoeding wordt vastgelegd
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof gebruikt voor het eerst het begrip planneutraliteit terwijl het vroeger steeds het begrip planologische neutraliteit gebruikte zoals dit wordt gebruikt in titel 5 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 27 februari 2017 (zie Cass 12 mei 2022, AR C.19.0274.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3; Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590; Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3, AC 2013, nr. 332. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 63, § 1, eerste lid, en § 2 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Fiche 3 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 blijkt dat de beperking in de tijd van de toepassing van de regel van de planneutraliteit, die enkel geldt voor onteigeningen die strekken tot realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan, ertoe strekt te vermijden dat de overheid talmt met de effectieve uitvoering van het ruimtelijk uitvoeringsplan door middel van onteigening; de planneutraliteit is bijgevolg enkel van toepassing indien het ruimtelijk uitvoeringsplan niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Het Hof gebruikt voor het eerst het begrip planneutraliteit terwijl het vroeger steeds het begrip planologische neutraliteit gebruikte zoals dit wordt gebruikt in titel 5 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 27 februari 2017 (zie Cass 12 mei 2022, AR C.19.0274.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3; Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590; Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3, AC 2013, nr. 332. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 63 - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Fiche 4 Artikel 62, eerste lid, Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 is een uitdrukking van het beginsel van de doelneutraliteit en houdt in dat bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding voor het onteigende goed of zakelijk recht geen rekening mag worden gehouden met de waardevermeerdering of waardevermindering die voortvloeit uit het concrete doel of de concrete werken waarvoor de onteigening is toegestaan; zij laat bijgevolg niet toe om abstractie te maken van de planbestemming van het onroerend goed op de dag van het vonnis waarbij de door de onteigenende overheid verschuldigde provisionele vergoeding wordt vastgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Wettelijke bepalingen: Decreet 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut - 24-02-2017 - Art. 62, eerste lid - 22 ELI link Pub nr 2017040219 Tekst van de conclusie C.24.0370.N Conclusie van advocaat-generaal FREDERIC VROMAN: Eisers komen op tegen het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, gewezen op 14 mei 2024. Door de eisers wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of bij de waardebepaling van de onteigeningsvergoeding de regel van de doelneutraliteit nog kan worden toegepast na het verstrijken van de vijfjarige termijn die de regel van de planologische neutraliteit beheerst. De vraag rijst naar de onderlinge verhouding van artikel 62 (doelneutraliteit) en 63 (planologische neutraliteit) van Titel 5 “Doelneutraliteit en planologische neutraliteit van het Decreet van 24 februari 2017 betreffende onteigening voor het algemeen nut (verder Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017)
(1)nu er sinds het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 enkel een beperking in de tijd geldt voor de planologische neutraliteit maar niet voor de doelneutraliteit
(2). De voormelde titel 5 luidt als volgt: “TITEL
- - Doelneutraliteit en planologische neutraliteit Art.
- Bij het bepalen van de vergoeding voor het onteigende onroerend goed of zakelijk recht wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of waardevermindering die voortvloeit uit het doel van de onteigening zelf of uit de uitvoering van werken waarvoor de onteigening is toegestaan. De onteigeningen die achtereenvolgens plaatsvinden voor hetzelfde doel, worden als één geheel beschouwd bij de schatting van de waarde van de onteigende onroerende goederen. Bij het bepalen van de vergoeding voor het onteigende onroerend goed wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door onwettig uitgevoerde werken, handelingen of veranderingen. Art.
- §
- Als wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende onroerend goed of zakelijk recht geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of de waardevermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, ongeacht wie de onteigenende overheid is. De onteigeningen die achtereenvolgens plaatsvinden ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of projectbesluit, met inbegrip van een herzien ruimtelijk uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of projectbesluit, of een plan van aanleg, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen onroerende goederen of zakelijke rechten geacht een geheel te vormen op de datum van het eerste onteigeningsbesluit. §
- Paragraaf 1 is alleen van toepassing als het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld”. II. Het middel. De eiser verwijt de appelrechter artikelen 62 en 63 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM te hebben geschonden door het bestaan vast te stellen van een tijdspanne van meer dan vijf jaar tussen de goedkeuring van het betrokken RUP en het definitief onteigeningsbesluit en te oordelen er geen sprake meer kan zijn van een toepassing van de planologische neutraliteit maar vervolgens te beslissen dat de doelneutraliteit van toepassing is en de onteigeningsvergoeding niet te bepalen op grond van de bestemming van het onteigend perceel volgens het toepasselijke RUP. III. Beoordeling. III.
- Het recht op een billijke vergoeding bij onteigening: omvang. Artikel 16 Grondwet luidt als volgt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM luidt als volgt: “Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren”. De bescherming wat betreft de onteigeningsvergoeding geboden door artikel 16 Grondwet is ruimer dan de bescherming die voortvloeit uit artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol
(3). De onteigende heeft volgens de Grondwet recht op een “billijke vergoeding”. De Franse tekst heeft het over een “indemnité juste”. Deze laatste term wordt in de doctrine beschouwd als de betere term. Het gaat er immers niet om een vergoeding ex aequo et bono te bepalen en daarbij rekening te houden met alle omstandigheden van publiek en privaat belang. Om billijk te zijn, moet de schadeloosstelling in beginsel een integraal herstel van het geleden nadeel waarborgen
(4). De vergoeding moet de eigenaar volledig schadeloosstellen en hem toelaten zich een onroerend goed van dezelfde waarde aan te schaffen
(5). Een billijke onteigeningsvergoeding omvat alle schadeposten die de onteigende heeft geleden en die in oorzakelijk verband staan met de onteigening
(6). Daarin is niet enkel begrepen een vergoeding gelijk aan de verkoopwaarde van het goed of, zoals het Hof van Cassatie het formuleert, “het bedrag dat moet worden betaald om zich een onroerend goed aan te schaffen van dezelfde waarde als het goed waarvan de onteigende wordt ontzet”
(7), maar ook bijvoorbeeld een vergoeding voor de kosten van juridische bijstand die in noodzakelijk verband staan met de onteigening
(8). De onteigeningsvergoeding moet aldus aan de onteigende toelaten om zich opnieuw in te richten alsof er geen onteigening was geweest
(9). III.2 Peildatum voor de begroting van de door de onteigende geleden schade. De algemene regeling bij de berekening van de onteigeningsvergoeding is dat de rechter bij de begroting van de door de onteigende geleden schade, rekening moet houden met de waarde die het goed heeft op de dag van het vonnis waarbij de onteigening wordt ingewilligd en de provisionele vergoeding wordt bepaald
(10). Op dat ogenblik ontstaat immers het recht op een onteigeningsvergoeding en gaat de eigendom over van de eigenaar naar de onteigenaar
(11). Het is de vergoeding die op datum van het declaratief vonnis de onteigende moet in staat stellen zich een gelijkwaardig goed aan te schaffen, die moet uitgekeerd worden
(12). Ook het Hof besliste dit reeds in deze zin
(13). Dit is dus de peildatum voor de waardebepaling van de onteigeningsvergoeding. Volgens dit algemeen principe moet dus in de regel rekening worden gehouden met de waardevermeerdering of – vermindering die voortvloeit uit de planbestemming die geldt op het tijdstip van de eigendomsoverdracht en die voortvloeit uit de onteigening zelf. III.3 Uitzonderingen op de peildatum: doelneutraliteit en planologische neutraliteit. De doelneutraliteit en de planologische neutraliteit vormen dan ook uitzonderingen op deze algemene regel omdat ze bepaalde waardevermeerderingen en -verminderingen die voortvloeien uit de verwezenlijking van de onteigening op het ogenblik van de peildatum gaan neutraliseren om te verhinderen dat de onteigende meer of minder dan het integraal herstel van het geleden nadeel zou ontvangen. III.3.1 Doelneutraliteit. De doelneutraliteit in artikel 62 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 is volgens de memorie van toelichting bij dit decreet een algemeen rechtsbeginsel conform het arrest van het Hof van 17 januari 1964, dat uitdrukkelijk in het onteigeningsdecreet werd ingeschreven
(14). In dit arrest werd beslist dat: ‘Qu'en effet, d'une part, une prohibition de bâtir résultant de pareil plan, et imposée en vue des affectations qui seront éventuellement décidées ultérieurement, ne peut modifier la nature d'un terrain et transformer notamment un terrain à bâtir en terrain de culture ou d'agrément; Que, d'autre part, il n'est pas plus permis à l'autorité publique de se prévaloir, lors de l'expropriation, d'une diminution de valeur des terrains à exproprier qui serait résultée des mesures antérieures à l'expropriation, qu'elle a ordonnées ou fait ordonner, qu'il n'est permis à l'exproprié de profiter d'une plus-value de son bien qui résulte de l'expropriation elle-même; qu'il n'est permis à l'exproprié de profiter d'une plus-value de son bien qui résulte de l'expropriation elle-même’
(15)
(16). Verder wordt wat betreft de doelneutraliteit in de memorie van toelichting enkel het voorbeeld gegeven van de onteigenaar die niet verplicht is een meerwaarde te betalen voor onwettige werken of handelingen of werken die in strijd zijn met een stedenbouwkundige vergunning behalve wanneer deze geregulariseerd zijn voor de definitieve uitspraak over de vergoeding
(17). Uit het arrest van 17 januari 1964 blijkt volgens mij niet meteen dat het Hof een algemeen rechtsbeginsel inzake doelneutraliteit zou hebben erkend. Mocht er al een algemeen rechtsbeginsel uit kunnen worden gedestilleerd, dan is het gelet op de wijziging van de planbestemming waarvan sprake in het aan het Hof voorgelegde dossier eerder een algemeen rechtsbeginsel inzake planologische neutraliteit. In diverse arresten in verband met de rechtsvoorgangers van artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 erkende het Hof immers wel een dergelijk algemeen rechtsbeginsel nl.: “Deze bepaling
(18)die inhoudt dat, wanneer de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening”
(19). III.3.2. Planologische neutraliteit. Artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 betreft de wettelijke codificatie van de planologische neutraliteit
(20). Voordien bepaalde artikel 2.4.6, § 1, eerste lid, VCRO de regel van de planologische neutraliteit als volgt: “Bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor zover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan. (…)” De belangrijkste wijziging ingevoegd door artikel 63, § 2, Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 betreft de beperking in de tijd van de planologische neutraliteit nl. de planologische neutraliteit kan alleen worden toegepast als het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld. Als de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan mag er geen rekening worden gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat plan op voorwaarde dat de vijfjarige termijn nog niet is verstreken. Als de onteigening niets te maken heeft met de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan mag er daarentegen wel rekening worden gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die het gevolg is van verwezenlijking van dat plan. Het Hof besliste reeds: “Hoewel, bij het bepalen van de vergoeding waarop iedere eigenaar wiens perceel ten algemenen nutte is onteigend, geen rekening mag worden gehouden met de gevolgen die uit de onteigening zelf voortvloeien of, bij het bepalen van de schadeloosstelling waarop degene recht heeft wiens perceel ten algemenen nutte is onteigend met het oog op de verwezenlijking van een streek-, gewest- of gemeentelijk plan van aanleg, bedoeld in de wet van 29 maart 1962, evenmin rekening mag worden gehouden met de waardevermeerdering en -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een dergelijk plan, verbiedt echter geen enkele grondwettelijke en wettelijke bepaling dat, om het bedrag van de vergoeding te ramen die toekomt aan degene wiens goed is onteigend, rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die het gevolg is van de verwezenlijking van een dergelijk plan, wanneer de onteigening daarmee niets te maken heeft”
(21). III.4. Planologische neutraliteit en doelneutraliteit: compatibel of toch niet? Het is dus pas bij een daadwerkelijke onteigening dat de vraag naar een billijke schadeloosstelling rijst en naar de berekeningswijze van deze schadeloosstelling. Het is op dat moment dat doelneutraliteit en planologische neutraliteit hun rol gaan spelen. Het gaat daarbij niet om de vraag wie met de winst van de planbestemming gaat lopen, hoewel dit bij de burger die bijvoorbeeld zijn landbouwgrond ziet veranderen in industriegrond ongetwijfeld wel op zijn minst zo zal worden aangevoeld. Als men aanvaardt dat de overheid in het belang van de gehele gemeenschap via onteigening kan ingrijpen in het eigendomsrecht van zijn burgers en zelfs het eigendomsrecht gedwongen kan ontnemen, weliswaar onder rechterlijke controle, dan speelt enkel het principe van de billijke schadeloosstelling ten aanzien van de burger die wordt onteigend
(22). Tot op heden lijkt het hierbij vooral de onteigende overheid te zijn die de regels van doelneutraliteit en planologische neutraliteit in zijn voordeel ziet toegepast. Dit is evident te verklaren doordat het meestal gronden zijn die volgens de originele bestemming minder waard zijn, zoals bijvoorbeeld landbouwgrond, en bijvoorbeeld in het kader van de economische expansiewetgeving of van het sociaal woonbeleid worden omgezet in industriegronden of woongronden. Gelet echter op de uitdagingen die de klimaatverandering en de strijd tegen de gevolgen van de klimaatverandering met zich meebrengen, lijkt het echter in de nabije toekomst minder zeldzaam te worden dat gronden voor industrie, wonen of recreatie een nieuwe bestemming zouden krijgen als natuurgebied of landbouwgrond
(23). Waardeverminderingen in hoofde van onteigende burger zouden dan ook in de toekomst meer frequent kunnen voorkomen. De vraag of na het verstrijken van de termijn van 5 jaar die geldt voor de planologische neutraliteit (waardoor in ieder geval de planologische neutraliteit niet meer van toepassing is), de doelneutraliteit nog geldt om waardevermeerderingen en -verminderingen te neutraliseren, is daarbij cruciaal. Wanneer de doelneutraliteit niet langer zou gelden zouden de eigenaars in geval van verwachte waardevermeerderingen een belang hebben om de onteigeningsprocedure zo lang mogelijk te rekken zodat na het verstrijken van de periode van 5 jaar de planologische neutraliteit niet langer speelt en er bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met de nieuwe bestemming. Bij waardeverminderingen zouden de onteigende instanties belang hebben om de periode van 5 jaar niet te respecteren, zodat zij de eigenaars een lagere schadevergoeding zouden moeten betalen. In het licht van het beginsel van integraal herstel van de schade veroorzaakt door de onteigening lijkt de doelneutraliteit volgens mij intuïtief wel degelijk nog te moeten spelen na het verstrijken van de periode van 5 jaar die geldt voor de planologische neutraliteit. De eigenaar moet immers integraal vergoed worden voor de schade veroorzaakt door de onteigening. Hij moet niet meer krijgen en hij mag niet meer krijgen dan wat hem toelaat om een goed te verwerven van dezelfde waarde als het onteigende goed. Het talmen van de ene of de andere partij of zelfs het lang aanslepen om redenen die niets te maken hebben met het gedrag van de partijen, lijken volgens mij geen invloed te mogen hebben op de billijke vergoeding waarop de onteigende recht heeft. Zoals de eiser echter terecht opmerkt zou dit dan wel inhouden dat er in wezen geen sanctie is voor het overschrijden van de vijfjarige termijn van de planologische neutraliteit. Volgens de eiser hebben de doelneutraliteit en de planologische neutraliteit een verschillend toepassingsgebied. De planologische neutraliteit heeft enkel betrekking op de onteigening ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit. De doelneutraliteit zou dan betrekking hebben op alle andere onteigeningen die niet worden uitgevoerd ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit. De memorie van toelichting bij het Vlaamse Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 bevat elementen voor beide standpunten
(24). De planologische neutraliteit speelt slechts zijn rol wanneer wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan
(25). Indien de onteigening niet gebeurt met het oog op de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, moet de rechter wel rekening te houden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit een dergelijk plan
- Het Grondwettelijk Hof besliste reeds dat het niet ongrondwettelijk is in het licht van artikel 10 en 11 Grondwet dat de planologische neutraliteit aan een tijdsbeperking is onderworpen en de doelneutraliteit niet
- Het Grondwettelijk Hof oordeelde ook dat de in de artikelen 62 en 63 bedoelde evaluatiemodaliteiten slechts bestaanbaar zijn met de regel van de billijke schadeloosstelling wanneer zij kunnen worden geanalyseerd als maatregelen waarbij elementen kunnen worden uitgeschakeld die, indien ze in overweging zouden worden genomen, een schadeloosstelling zouden bieden die verder gaat dan wat het integraal herstel vereist. Ze zijn niet bestaanbaar met de regel van de billijke schadeloosstelling indien zij ertoe leiden van de berekening van de schadeloosstelling elementen uit te sluiten die er deel van moeten uitmaken opdat het herstel volledig is
- Het Grondwettelijk Hof oordeelde eveneens dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling is dat de planologische neutraliteit wordt uitgebreid tot alle onteigeningen die plaatsvinden ter realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, niet alleen wanneer de onteigening gebeurt op basis van een onteigeningsplan opgesteld in het kader van de VCRO, maar ongeacht de rechtsgrond. In de parlementaire voorbereiding wordt benadrukt dat de planologische neutraliteit enkel geldt wanneer een daadwerkelijk verband kan worden aangetoond met de onteigening. Zo niet is de algemene doelneutraliteit van toepassing
- Het Grondwettelijk Hof lijkt hiermee eerder het standpunt van de eiser te volgen nl. de doelneutraliteit en de planologische neutraliteit hebben een verschillend toepassingsgebied. Hieruit zou dan volgen dat wanneer de planologische neutraliteit van toepassing is, de doelneutraliteit niet speelt zelfs niet wanneer de periode van vijf jaar van de planologische neutraliteit is overschreden. Planologische neutraliteit sluit met ander woorden doelneutraliteit uit. De vraag rijst dan of dit dan nog wel strookt met het integraal herstel voor de onteigende zoals vereist door artikel 16 Grondwet. In de doctrine en de rechtspraak van de feitenrechters is er geen eenduidigheid over de vraag of na het verstrijken van periode van 5 jaar bedoeld in artikel 63, § 2 Vlaams Onteigeningsdecreet, de doelneutraliteit nog geldt. Sommigen verdedigen dat de doelneutraliteit geen toepassing meer kan vinden wanneer niet langer aan de toepassingsvoorwaarden van de planologische neutraliteit is voldaan nl. als de termijn van vijf jaar niet is gerespecteerd
- Sommigen menen dat de doelneutraliteit in ieder geval speelt omdat die op elke onteigeningsvergoeding van toepassing is
- Anderen nemen geen standpunt in en kijken uit naar het oordeel van het Hof
- In de schaars gepubliceerde/becommentarieerde rechtspraak van de feitenrechters werd geoordeeld dat doelneutraliteit nog moet toegepast worden na het verstrijken van de periode van 5 jaar met betrekking tot de planologische neutraliteit
- Dit was ten andere ook het geval in het huidige dossier. Planologische neutraliteit wordt beschouwd als een verbijzondering van de doelneutraliteit34 of als een specifieke verschijningsvorm van de doelneutraliteit
- De vraag rijst wat daarmee precies wordt bedoeld en wat daar het gevolg van is. Hebben de planologische neutraliteit en de doelneutraliteit al dan niet een verschillend toepassingsgebied? Sluit de planologische neutraliteit de doelneutraliteit uit? Is dit verenigbaar met het principe van het integraal herstel? Of zijn daarentegen de planologische neutraliteit en doelneutraliteit compatibel met elkaar en vullen ze elkaar aan? Het Grondwettelijk Hof sprak zich nog niet uit over deze problematiek. Ik meen dan ook dat het aangewezen is dat er een prejudiciële vraag zou worden gesteld hieromtrent aan het Grondwettelijk Hof die zou kunnen luiden als volgt: “Schenden de artikelen 62 en 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en het daaruit voortvloeiende recht op een billijke vergoeding wanneer zij zo worden uitgelegd dat de in het artikel 62 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 bepaalde doelneutraliteit niet van toepassing is op een onteigening die een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit verwezenlijkt na de bepaalde tijdsbeperking uit artikel 63, § 2, van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017”? IV. Conclusie: Het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. ________________________________________________________________________
(1)BS 25 april 2017 (zie art. 123 van dit decreet voor de verkorte aanhaling ervan).
(2)Voordien gold er evenmin een tijdsbeperking voor de planologische neutraliteit (zie mijn conclusie bij Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5).
(3)VELAERS J., De Grondwet. Een artikelsgewijze commentaar – deel 1, die Keure 2019, 303, nr. 7; Zie ook de Guide sur l’article 1er du Protocole n° 1er à la Convention européenne des droits de l’homme, 42-45 over de onteigeningsvergoeding; CAUSIN E., “Les indemnités d’expropriation”, in RENDERS D. (ed.), .L’expropriation pour cause d’utilité publique, Bruylant 2013,
(415)429.
(4)Vb. Cass. 20 september 1979, AC 1979, nr. 4, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790920.7, met concl. op datum in Pas. van procureur-generaal F. DUMON; RW 1979-80, 1911; Gwh 7 maart 2007, nr. 33/20007, ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.033; overweg. B.4.6; Gwh 18 april 2007, nr. 62/2007, ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.062; overweg. B.4.6., Gwh 3 februari 2011, nr. 18/2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.018, overw. B.3.2; Gwh, 24 november 2022, nr. 155/2022, ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.155, overweg. B.116.2.
(5)VELAERS J., De Grondwet. Een artikelsgewijze commentaar – deel 1, die Keure 2019, 311, nr. 31; Cass. 20 september 1979, AC 1979, nr. 4, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790920.7, met concl. van procureur-generaal DUMON, op datum in Pas., RW 1979-80, 1911.
(6)Cass. 22 maart 2012, AR C.10.0155.N, AC 2012, nr. 191, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL. Met dit standpunt verkiest het Hof een “justice réparatrice” boven een “justice distributive”: E. CAUSIN, “Les indemnités d’expropriation” in D. RENDERS (ed.), L’expropriation pour cause d’utilité publique, Brussel, Bruylant 2013, 428.
(7)Cass. 29 okt. 2009, AR C.08.0436.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.9, AC 2009, nr. 626, RW 2011-12, 1646, T.Not. 2011, 424, noot J. TOURY en M. DENYS; Cass. 21 september 2006, AR C.05.0448.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060921.7, AC 2006, nr. 429, Rec.gén.enr.not. 2007, 150, TBO 2007, 174, TBP 2007, 434.
(8)Cass. 22 maart 2012, AR C.10.0155.N, AC 2012, nr. 191, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL, TROS-Nieuwsbrief 2012, 14.
(9)J. DUJARDIN, M. VAN DAMME, J. VANDE LANOTTE en A. MAST, Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Mechelen, Kluwer 2017, 380; W. RASSCHAERT, “Onteigening en rooilijnplannen” in B. HUBEAU, W. VANDEVYVERE en G. DEBERSAQUES (eds.), Handboek Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, Brugge, die Keure 2010, 575.
(10)Vb; Cass. 4 september 2025, AR C.24.0390.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.1 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20250901.1N.1; Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5. Cass 15 april 1999, AR C.97.0400.F, AC 1999, nr. 209, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10; Cass. 27 oktober 1994, AR C.94.0018.F, AC 1994, nr. 455, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941027.6; Cass. 15 januari 1988, AR 5496, AC 1988, nr. 293, ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19880115.16; Cass. 17 mei 1976, AC 1976, 1029, ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760517.4; Cass. 21 oktober 1966, AC 1966, 242, ECLI:BE:CASS:1966:ARR.19661021.2.
(11)Cass. 4 september 2025, AR C.24.0390.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.1 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20250901.1N.1; Cass. 6 december 2024, AR C.22.0189.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5.
(12)DENYS M., Onteigening en planschade - volume II: Onteigeningsvergoedingen, Kluwer 2001, 51-52; VAN OEVELEN A., “Het algemeen juridisch kader van de onteigeningsvergoeding” in PALMANS R. en VERBIST S. (eds.), De onteigeningsvergoeding. Het juridische regime, Intersentia 2009, 9, nr. 13; CAUSIN E., “Les indemnités d’expropriation”, 549, in RENDERS D. (ed.), L'expropriation pour cause d'utilité publique, Larcier 2013; Zie ook: BOES M. en D’HOOGHE D. (eds.), De onteigening ten algemenen nutte, Leuven, Jura Falconis Libri, 1997, 116-117; COPPEE J.-P, “Chronique de jurisprudence. L’expropriation”, JT 1979-80,
(97), 103, nr. 32 en 109, nr. 78; SUETENS-BOURGEOIS G., “Waardering bij onteigening”, TPR 1970, 33, nrs. 1 en 2, 38, nr. 12 en 40-41, nr. 15; SUETENS-BOURGEOIS G. “Onteigeningen”, RW 1987-88, 71, nr. 23; VAN HOORICK G., “De neutraliteit van de onteigeningsvergoeding” in PALMANS R. en VERBIST S.(eds.), De onteigeningsvergoeding. Het juridische regime, Antwerpen, Intersentia 2009, 77, nr. 3; VERBIST S., BUGGENHOUDT C. en BIMBENET C., Het Vlaams Onteigeningsdecreet. Een kritische analyse voor overheid, eigenaar en magistraat, Brugge, die Keure 2018, 134, nr. 390.
(13)Vb. Cass. 4 september 2025, AR C.24.0390.N ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.1 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20250901.1N.1; Cass. 6 december 2024, AR C.22.01890.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 met concl. OM, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5; Cass 15 april 1999, AR C.97.0400.F, AC 1999, nr. 209, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10; Cass. 27 oktober 1994, AR C.94.0018.F, AC 1994, nr. 455, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941027.6; Cass. 15 januari 1988, AR 5496, AC 1988, nr. 293, ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19880115.16; Cass. 17 mei 1976, AC 1976, 1029, ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760517.4; Cass. 21 oktober 1966, AC 1966, 242, ECLI:BE:CASS:1966:ARR.19661021.2.
(14)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Vl.Parl., 2016-2017, 23 november 2016, nr. 991/1, 87.
(15)Eigen vertaling: “Enerzijds kan een bouwverbod dat voortvloeit uit een dergelijk plan en dat wordt opgelegd met het oog op eventuele bestemmingen waarover eventueel later zal worden beslist, de aard van een terrein niet wijzigen en met name een bouwterrein niet omvormen tot landbouw- of recreatiegrond. Anderzijds is het de overheid evenmin toegestaan om bij onteigening een beroep te doen op een waardevermindering van de te onteigenen gronden die het gevolg zou zijn van maatregelen die zij vóór de onteigening heeft genomen of laten nemen, net zomin als het de onteigende is toegestaan te profiteren van een meerwaarde van zijn eigendom die voortvloeit uit de onteigening zelf”.
(16)Cass. 17 januari 1964, Pas. 1964, 522.
(17)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Vl.Parl., 2016-2017, 23 november 2016, nr. 991/1, 87-88.
(18)Dit betreft artikel 72, § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, één van de voorgangers van artikel 63 Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017.
(19)Cass. 7 november 2013, AR C.12.0053.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11, AC 2013, nr. 590, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11; Cass. 31 mei 2013, AR C.11.0749.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3, AC 2013, nr. 332, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.
- Dezelfde rechtsregel werd verwoord met betrekking tot artikel 2.4.6., § 1, eerste lid, VCRO nl. Cass. 12 mei 2022, AR C.19.0274.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.
- En dezelfde regel werd ook reeds verwoordt in verband met artikel 31 Stedenbouwwet nl. Cass. 3 maart 1983, AR 6725, AC 1982-83, nr. 366 ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830303.4.
(20)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Vl.Parl., 2016-2017, 23 november 2016, nr. 991/1, 88-89.
(21)Cass. 5 september 1979, AC 1979, nr. 4, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790920.7, met concl. van procureur-generaal DUMON, op datum in Pas., RW 1979-80, 1911, met noot SUETENS-BOURGEOIS G.
(22)Zie ook overweg. B.7.8 van het arrest Gwh 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143.
(23)Zie beslissing van de Vlaamse Regering dd. 14 juli 2025 betreffende het nieuw Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, https://www.vlaanderen.be/vlaamse-regering/beslissingen-van-de-vlaamse-regering/dialoognota-in-kader-opmaak-nieuw-beleidsplan-ruimte-vlaanderen.
(24)Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Vl.Parl., 2016-2017, 23 november 2016, nr. 991/1, 87-89.
(25)Gwh, 2 maart 2023, nr. 35/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.035, overweg. B.7; Cass. 22 maart 2012, C.10.0155.N, AC 2012, nr. 191, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.
- 26 Gwh, 2 maart 2023, nr. 35/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.035, overweg. B.7; Cass. 29 maart 2013, AR C.10.0638.N, AC 2013, nr. 218, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130329.4; Cass. 15 april 1999, AR C.97.0400.F, AC 1999, nr. 209, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10; Cass. 7 juni 1990, AR 7000, AC 1990, nr. 584, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900607.
- 27 Gwh 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143, overweg. B.8.7 en B.8.
- 28 Gwh 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143, overweg. B.7.
- 29 Gwh 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143, overweg. B.7.
- 30 MARTEL B. en SEGHERS E., ‘De neutraliteit van de onteigeningsvergoeding en de samenloop met andere vergoedingsregelingen‘ in PALMANS R., JONGBLOET P. en VERRIJDT W. (eds.), De onteigeningsvergoeding: actuele discussiepunten, LeA Uitgevers, 2024,
(71)86, nr. 26; VERBIST S., “Het Grondwettelijk Hof en de planologische neutraliteit (ter): wordt de min- of meerwaarde van het perceel bepaald door het ruimtelijke uitvoeringsplan of door de verwezenlijking van het ruimtelijk uitvoeringsplan door onteigeing?” (noot bij Gwh 18 oktober 2018, nr. 143/2018), TBO 2018/6, 481, nr. 4.) 31 BIMBENET C. en MERTENS P., “De planologische neutraliteit: almaar gecontesteerd, andermaal gevalideerd (noot bij Gwh 2 maart 2023, nr. 35/2023), TOO 2023/4, 277. 32 BIMBENET C., “De plano(n)logische neutraliteit in het kader van de begroting van de onteigeningsvergoeding”, TOO 2022/2, 136. 33 Zie verwijzing in BIMBENET C., “De plano(n)logische neutraliteit in het kader van de begroting van de onteigeningsvergoeding”, TOO 2022/2, 136-137; Vred. Aalst
(1)10 augustus 2022, T.Vred. 2023/7-8,
- 34 Mvt bij het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut, Vl.Parl., 2016-2017, 23 november 2016, nr. 991/1, 19, 88 en 89; GwH 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143, overweg. B.8.
- 35 GwH 18 oktober 2018, nr. 143/2018, ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143, overweg. B.8.
- VERBIST betwist dat planologische neutraliteit een bijzondere toepassing is van de doelneutraliteit (VERBIST S., en BIMBENET C., “Het Vlaams Onteigeningsdecreet – Vloek of zegen voor lokale besturen”, T.Gem. 2018/1, 27, nr.
- PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251016.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251016.1N.6 citeert: ECLI:BE:CASS:1966:ARR.19661021.2 ECLI:BE:CASS:1976:ARR.19760517.4 ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790920.7 ECLI:BE:CASS:1983:ARR.19830303.4 ECLI:BE:CASS:1988:ARR.19880115.16 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900607.12 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941027.6 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060921.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091029.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130329.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130531.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131107.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241206.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241206.1N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250904.1N.4 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.033 ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.062 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.155 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div