← België

WOONHAVEN ANTWERPEN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251020.3N.5 Rolnummer: S.24.0038.N Zaak: WOONHAVEN ANTWERPEN contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 449 - laatst gezien 2026-06-18 01:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251020.3N.5 Fiche Artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat overeenkomsten niet alleen verbinden tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend; de rechter mag op grond van de billijkheid niet afwijken van de dwingende bepalingen van de wet

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - AARD VAN DE WET. TOEPASSINGSSFEER Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1135 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie S.24.0038.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN: Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Antwerpen, gewezen op 22 februari
  1. Door eiser wordt er één middel aangevoerd.
  2. Het middel. A. Ontvankelijkheid. (…) B. Gegrondheid. a. Probleemstelling. De probleemstelling in huidig geschil is tweeledig. Vooreerst is er de vraag naar de verhouding van, het in deze toepasselijke, artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek, meer in het bijzonder de “billijkheid” als aanvullende rol in de rechten en verplichtingen in het kader van een arbeidsovereenkomst tot wat te lezen is in artikel 51 cao-wet dat een overzicht geeft van de hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen alwaar geen melding wordt gemaakt van de “billijkheid”. Indien het antwoord op de vorige vraag is dat “billijkheid” inderdaad een bron is van de verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen dan dient vervolgens onderzocht te worden hoe dit, in het kader van de verloning van meeruren, zich verhoudt ten aanzien van artikel 12 Besluit Vlaamse regering 16 mei 2014 en artikel 4.140 besluit Vlaamse regering 11 september 2020 dat voorziet in een managementstoelage als enige vorm van bijkomende vergoeding benevens het salaris dat wordt vastgesteld in respectievelijk artikel 11 en 4.
  3. Eén en ander ten aanzien van een werknemer die een leidinggevende functie bekleedde en zich dus inzake arbeidsduur niet kan beroepen op de bepalingen van de Arbeidswet. De appelrechters oordeelden dat verweerster, op grond van billijkheid, recht heeft op de vergoeding van meeruren die niet kunnen beschouwd worden als een normale variatie van de prestaties. b. Beoordeling. Vooreest, inzake artikel 51 cao-wet en de toepassing van de billijkheid in het arbeidsovereenkomstenrecht. Wat betreft artikel 51 cao-wet moet er worden vastgesteld dat de in deze bepaling vastgelegde rangorde niet allesomvattend is. Immers zo moet er worden opgemerkt dat, benevens het feit dat er geen melding wordt gemaakt van billijkheid, er ook geen verwijzing is naar eenzijdig aangegane verbintenissen terwijl beiden een bron van verbintenis kunnen zijn in het arbeidsrecht
(1). Derhalve kan de aanvullende werking van de billijkheid uit artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek in het kader van verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer niet ter zijde worden geschoven om de enkele reden dat deze niet weerhouden is in de opsomming van artikel 51 cao-wet. Het artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek heeft een algemene werking en is dus ook toepasselijk op arbeidsovereenkomsten
(2). De toepassing van artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek houdt in wat wanneer partijen een overeenkomst sluiten zij tevens ook alle gevolgen aanvaarden die er door de billijkheid aan verbonden zijn
(3). De beperking ter zake, maar deze is voor de hand liggend, is dat de toepassing van de billijkheid niet strijdig mag zijn met een hogere norm, zoals bijvoorbeeld artikel 6 Arbeidsovereenkomstenwet. Zoals uw Hof inderdaad reeds oordeelde op 6 mei 1985 mag een rechter om billijkheidsredenen niet afwijken van een wettelijke regeling
(4). Bovendien staat de billijkheid ex-artikel 1135 niet toe om bepalingen van een overeenkomst te wijzigen
(5)of uit te sluiten
(6)en dit zelfs bij onevenwichtige contractuele verhoudingen. Het heeft immers een louter suppletieve werking waarbij aanvullende verplichtingen in het leven worden geroepen die de uitvoering van het contract zodoende bevorderen
(7). In zoverre het middel stelt dat billijkheid de bepalingen van een arbeidsovereenkomst niet kan aanvullen faalt het naar recht. De volgende vraag is of de in deze toepasselijke regelgeving zich verzet tegen het feit dat er een vergoeding voor meeruren op basis van billijkheid wordt toegekend. Eiseres stelt dat ingevolge artikel 12 Besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, en sedert 1 januari 2021 artikel 4.140 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020, de in deze besluiten vastgestelde verloning door de Raad van Bestuur/Bestuursorgaan uitsluitend kan worden aangevuld met een managementtoelage. Er dient opgemerkt te worden dat de Vlaamse overheid financieel tussenkomt bij de sociale huisvesting. Dit blijkt duidelijk uit de regelgeving rond dit woonbeleid zo, onder anderen, het decreet van 15 juli 1997 houdende Vlaamse wooncode of nog het Gecodificeerd Decreet over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020. In het kader van het sociaal woonbeleid worden derhalve publieke middelen aangewend. Het is in het licht hiervan dat de Vlaamse overheid als regelgever is tussengekomen bij wijze van de hierboven aangehaalde besluiten van 2014 en 2020 voor het bepalen van, onder meer, de verloning van de directeur van een sociale huisvestigingsmaatschappij. Het in een formele regelgeving gieten van de begrenzing van het salaris van de directeur van verweerster heeft zijn impact op de contractsvrijheid, die tussen werknemer en werkgever normaal bestaat, inzake het aspect verloning. Het legt deze duidelijk aan banden. De besluiten regelen, door verwijzing naar het Vlaams Personeelsstatuut, onmiskenbaar de aspecten die in acht dienen genomen te worden bij het bepalen van het loon waarop een directeur, zoals verweerster, gerechtigd is. Er is dus geen sprake van contractsvrijheid.
(8)De normering ter zake dringt zich op zowel ten aanzien van de werkgever alsook werknemer.
(9)Deze laatste kan inderdaad geen aanspraak maken op een hogere verloning dan deze die weerhouden is in de besluiten van 2014 en
  1. Een mogelijke evolutie van het loon kan enkel plaatshebben binnen de wettelijk bepaalde parameters zoals deze aan te treffen zijn in de artikelen 11 van het besluit van 2014 en de artikelen 4.139 van het besluit van
  2. Hierin worden de mogelijke salarisverhogingen bepaald als ook de voorwaarden opdat er van zo een verhoging sprake kan zijn. Benevens het salaris is er enkel sprake van een managementtoelage, geregeld in artikel 12 en 4.
  3. Een andere, bijkomende wijze van verloning wordt uitgesloten daar het salaris, luidens de duidelijke bewoordingen van artikel 12 en 4.140, door de Raad van Bestuur/Bestuursorgaan “uitsluitend [kan] aangevuld worden met een managementtoelage”. De duidelijke normering die limitatief; enerzijds vaststelt wat het salaris is en anderzijds wat aanvullend als een bijkomende vergoeding kan worden toegekend sluit een aanvullende werking van billijkheid uit. Zoals hoger aangegeven kan de billijkheid niet gehanteerd worden om af te wijken van een duidelijk wettelijke norm, noch om onevenwichtige contractuele verhoudingen, die voortvloeien uit de bepalingen van de tussen partijen gesloten overeenkomst, te corrigeren. Het aspect “aanvullend” van de billijkheid geeft duidelijk de grenzen aan. Het kan enkel aanvullend werken maar kan niet ingaan tegen wat wettelijk of contractueel werd vastgesteld. De appelrechters die niettegenstaande de duidelijke wettelijke bepalingen alsnog een vergoeding voor meeruren toekennen op basis van de billijkheid verantwoorden niet naar recht hun oordeel. In zoverre is het onderdeel gegrond. Conclusie: Cassatie. ________________________________________________________________
(1)A. WITTERS en A. GIELEN, “Bedrijfsgebruiken en -policies: ontstaan, binding en beëindiging”, Or. 2012, p. 158; F. BLOMME, “De arbeidstijd van kaderpersoneel en leidinggevenden”, Or. 2015, p. 64 en S. GILSON, H. PREUMONT en C. CANDITO, “De l’équité et des principes généraux du droit en droit du travail belge”, in Questions spéciales de droit social. Liber amicorum Maurice Henrard, Wolters Kluwer Belgium, Luik, 2018, p. 54.
(2)S. GILSON, H. PREUMONT en C. CANDITO, o.c., p. 59.
(3)A. WITTERS en A. GIELEN, o.c., p. 159.
(4)Cass. 6 mei 1985, AR 4725, AC 1984-85, nr. 533.
(5)Cass. 7 september 2012, AR C.11.0630.N, AC 2012, nr. 452, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.1 en Cass. 20 april 2006, AR C.03.0084.N, AC 2006, nr. 226, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8.
(6)Cass. 3 februari 1950, AC 1950, 355.
(7)S. GILSON, H. PREUMONT en C. CANDITO, o.c., pp. 63 en 64.
(8)Het enige element waar de regelgeving een zekere marge van vrijheid toekent betreft het aspect “nuttige werkervaring” voor het bepalen van het toepasslijk barema.
(9)Artikel 11, § 2 van het besluit van 2014 stelt imperatief: “Het aanvangssalaris van een directeur kan maximaal overeenkomen met een overeenstemmend barema in de salarisschaal A285”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4.139, § 2 van het besluit van
  1. Door zijn algemene formulering richt de bepaling zich tot zowel werkgever als werknemer. Het salaris kan enkel aangevuld worden met de managementtoelage van artikel 12 en 4.
  2. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251020.3N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251020.3N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.