id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 21 oktober 2025
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 344 - 30 ELI link Pub nr 1808120950
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 344 - 30 ELI link Pub nr 1808120950
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 7 Het beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet geldt slechts wanneer die laatste wet in werking is getreden; de rechter kan geen toepassing maken van en moet geen rekening houden met een mildere strafwet die na het plegen van het misdrijf werd aangenomen en in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, maar die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden; de omstandigheid dat de rechter bij de straftoemeting geen rekening houdt met een mildere strafwet die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden, noch met de bedoeling die de wetgever had bij de invoering van die wet, houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 8 - 10 De assisenjury kan de schuldigverklaring van een beschuldigde mede baseren op gegevens die betrekking hebben op een versteklatende medebeschuldigde wiens verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak werd afgewezen, ook al had die laatste te kennen gegeven bepaalde onthullingen te willen doen; hierdoor wordt het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de conclusie P.25.0857.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: “De motivering van de straf opgelegd door het hof van assisen na aanneming van verzachtende omstandigheden (art. 344 Sv.)”.
- Eisers worden vervolgd, als dader of mededader, wegens gijzeling van de minderjarige R.T. in april en mei 2020 en werden schuldig verklaard bij arrest III van het hof van beroep te Limburg van 14 mei
- Overeenkomstig artikelen 66 en 347bis, § 2 Sw. 1867 bedraagt de straf voor deze feiten levenslange opsluiting. Het hof assisen hield rekening met twee verzachtende omstandigheden en heeft overeenkomstig de artikelen 79 en 80 Sw. 1867 straffen opgelegd beneden het wettelijk minimum. Bij arrest I van 15 mei 2025 werd eiser 1 veroordeeld tot 29 jaar opsluiting en eiser 2 tot 25 jaar, waarbij aan beiden ook een levenslange ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten werd opgelegd (art. 31 Sw. 1867). De aangenomen verzachtende omstandigheden zijn voor eiser 1 zijn beginnend schuldinzicht en zijn gedeeltelijke bekentenis op de terechtzitting en voor eiser 2 zijn moeilijke opvoedings- en gezinssituatie.
- Het cassatieberoep van eiser 1 is gericht tegen het arrest van de straftoemeting. In een eerste middel voert hij aan dat niet is geantwoord op zijn verweer in conclusie over de redelijke termijn en over de milde toepassing van de strafwet, als twee van de vijf aangehaalde verzachtende omstandigheden. Eiser had het hof van assisen erop gewezen (st. 64) dat het nieuwe Strafwetboek, boek II (Wet van 29 februari 2024, BS 8 april 2024), met inwerkingtreding op 8 april 2026, de bewezen verklaarde feiten bestraft met een gevangenisstraf van 15 tot hoogstens 20 jaar. Volgens eiser ontbreekt een afdoende, duidelijke en gedetailleerde motivering over de keuze van de straf van 29 jaar opsluiting en werd niet ingegaan op alle verzachtende omstandigheden die hij in zijn conclusie aangaf (st. 64).
- Het hof van assisen ging in op de vraag van eiser 1 over verzachtende omstandigheden achtte binnen de (lagere) categorie van de tijdelijke opsluiting een straf van 29 jaar opsluiting gepast, gelet op o.a. het extreem gewelddadig karakter van de feiten, het onnoemelijke leed berokkend aan het minderjarig slachtoffer en zijn familie, de actieve betrokkenheid van eiser 1 bij de voorbereiding van de gijzeling en de gijzeling zelf, het ongunstig strafrechtelijk verleden van eiser 1 (o.a. deelname aan terroristische groep) en zijn antisociale persoonlijkheid.
- Uit de artikelen 79 en 80 Sw. volgt dat indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de criminele straffen worden verminderd of gewijzigd beneden het wettelijk minimum. Levenslange opsluiting wordt hierdoor vervangen door een tijdelijke opsluiting tot 30 jaar of door een gevangenisstraf van ten minste drie jaar (art. 80, lid 1, Sw. 1867)
(1). Het is vaste rechtspraak dat de rechter niet verplicht is om een element in het voordeel van de beklaagde of beschuldigde op te vatten als een verzachtende omstandigheid. Hij oordeelt soeverein of een element dat relevant kan zijn voor de straftoemeting een verzachtende omstandigheid uitmaakt
(2). Indien het hof van assisen verzachtende omstandigheden aanneemt ten voordele van een beschuldigde, moet het voor die beschuldigde een lagere straf opleggen dan de straf die de wet stelt op de bewezen verklaarde feiten
(3). 5. Eiser gaat ervan uit dat ondanks de aanneming van twee verzachtende omstandigheden hij toch tot een “zware straf” kreeg (p. 6), zonder afdoende motivering, aangezien uit het veroordelend arrest niet blijkt dat er rekening is gehouden met twee bijkomende verzachtende omstandigheden die hij in zijn conclusie aanbracht. Wanneer het hof van assisen ingaat op de vraag van de beschuldigde om verzachtende omstandigheden aan te nemen, lijkt mij de beslissing over de straftoemeting naar recht verantwoord als 1°die beslissing melding maakt van concreet omschreven verzachtende omstandigheden en 2°de opgelegde straf lager is dan de enige straf of de minimumstraf die de wet verbindt aan de bewezen verklaarde feiten. Het is dan niet nodig dat het hof van assisen bij het verlagen van een straf beneden het wettelijk minimum rekening houdt met alle door de beschuldigde aangevoerde factoren die hij als verzachtende omstandigheden beschouwt. Daarbij komt dat het hof van assisen soeverein oordeelt of het een bepaalde omstandigheid (zoals een mildere bestraffing van de feiten in het nieuwe Strafwetboek) in de voorliggende zaak aanvaardt als een verzachtende omstandigheid, in de zin van de artikelen 79 en 80 Sw.
(4). In zoverre faalt het eerste middel over art. 149 Grondwet en art. 334 lid 1 Sv. (motivering van de straf in assisenzaken) naar recht. 6. Het past ook een onderscheid te maken tussen verzachtende omstandigheden in de zin van artikelen 79 en 80 Sw. 1867, waaraan een strafvermindering vasthangt tot beneden de wettelijke enige straf of minimumstraf, en ‘verzachtende elementen’. Dit zijn factoren die de rechter al dan niet in aanmerking neemt om binnen de juiste strafcategorie of ‘vork’ een gepaste straf te kiezen, rekening houdend met de doelstellingen die met de gekozen straf worden beoogd
(5). Hieruit volgt dat als na aanneming van verzachtende omstandigheden het hof van assisen een straf moet kiezen in de categorie van 3 jaar gevangenisstraf tot 30 jaar opsluiting (art. 80, lid 1, Sw. 1867), het volstaat om de gekozen straf binnen deze marge voldoende nauwkeurig te motiveren. Het hof van assisen oordeelt daarbij onaantastbaar over factoren die in het voordeel zijn van de beschuldigden, en toelaten om hen een straf op te leggen beneden de maximale straf binnen de toepasselijke strafcategorie
(6). In zoverre faalt het eerste middel eveneens naar recht.
- Eiser bracht in zijn conclusie elementen aan die in aanmerking komen als ‘verzachtende omstandigheden’, bedoeld om een lagere straf dan levenslange opsluiting op te leggen. Noch uit de conclusie (kaft 22/4, onderkaft 11, st. 64), noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting over de straftoemeting (kaft 22/3, onderkaft 10, p. 260) is af te leiden dat eiser een specifiek verweer voerde om na aanneming van verzachtende omstandigheden een straf beneden een bepaalde drempel op te leggen.
- Artikel 344, eerste lid, Sv. bepaalt dat ieder veroordelend arrest melding maakt van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf
(7). Mij komt voor dat het hof van assisen met hoger vermelde redenen voldoende duidelijk aangaf waarom na aanneming van verzachtende omstandigheden een straf van 29 jaar opsluiting gepast is voor de bewezen verklaarde feiten van gijzeling van een minderjarige, strafbaar met levenslange opsluiting. De opgelegde straf is bovendien naar recht verantwoord, gelet op de artikelen 9, 79 en 80, lid 1 Sw. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen. 9. Voorts maakte eiser I in zijn conclusie (in punt d.) alleen melding van “de feiten die dateren van vijf jaar geleden” als één van de verzachtende omstandigheden. Hij voerde geen specifiek verweer over de overschrijding van de redelijke termijn van de strafvordering (art. 6.1 EVRM en art. 27 VT Sv.) en over strafvermindering als compensatie voor een onverantwoorde vertraging in het onderzoek of het proces
(8). In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 10. De voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof over de maximale straf van 20 jaar opsluiting voor feiten van gijzeling van een minderjarige in het nieuwe Strafwetboek, wat een verzachtende omstandigheid zou uitmaken, lijkt mij alleen gericht tegen een feitelijk oordeel over de straftoemeting. Aangezien geen van de beperkte gevallen van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof van toepassing is, en een cassatiemiddel dat opkomt tegen een feitelijke beoordeling (zoals de keuze van de straf binnen de wettelijke grenzen) niet-ontvankelijk is
(9), is er geen reden om de prejudiciële vraag te stellen.
- In zijn tweede middel over art. 6.1 EVRM gaat eiser 1 ervan uit dat het hof van assisen had moeten anticiperen op toekomstige wetgeving, namelijk de maximale bestraffing van 20 jaar gevangenisstraf voor feiten berecht na 8 april 2026 (als mildere strafwet), aangezien die wetgeving een verzachtende omstandigheid uitmaakt. De opgelegde bestraffing van 29 jaar opsluiting miskent volgens eiser de billijkheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid van de bestraffing.
- Volgens artikel 227, 1° N. Sw. 2026 (Wet van 29 februari 2024, BS 8 april 2024) wordt gijzeling (dit is de vrijheidsberoving of ontvoering gepleegd met het oogmerk het slachtoffer borg te doen staan voor de voldoening aan een bevel of voorwaarde, art. 225 N. Sw. 2026) bestraft met een straf van niveau 6 indien het slachtoffer een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand is. De straf van niveau 6 bestaat uit een gevangenisstraf van meer dan vijftien jaar tot ten hoogste twintig jaar of een behandeling onder vrijheidsberoving van meer dan elf jaar tot ten hoogste zestien jaar (art. 36, lid 3, N. Sw. 2026). Bij aanneming van verzachtende omstandigheden, wat facultatief is (art. 30 N. SW. 2026), wordt die straf vervangen door één van de straffen van niveau 5, 4, 3 of 2 (art. 36, lid 3, N. Sw. 2026). De gevangenisstraf van niveau 2 bedraagt minimaal zes maanden en ten hoogste drie jaar (art. 30 en 36, lid 7, N. Sw. 2026)
(10). 13. Het beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet (art. 2, tweede lid, Sw. 1867) is alleen aan de orde als er een nieuwe strafbaarstelling in werking is getreden na de bewezen verklaarde feiten en vóór de definitieve berechting van de zaak
(11). Krachtens deze bepaling wordt, indien de straf ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf toegepast
(12). Ook het Europees Hof te Straatsburg beperkt het beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet, afgeleid uit art. 7 EVRM, tot de mildere strafwet die in werking trad in de periode tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing
(13). Het feit dat na de feiten van gijzeling in deze zaak
(2020)het Nieuwe Strafwetboek bij wet was aangenomen, maar nog niet in werking is getreden op moment van de berechting, kan dan ook geen reden zijn om bij de straftoemeting (verplicht) rekening te houden met de nieuwe strafbaarstelling over gijzeling, die lichtere straffen bevat. Eiser gaat er ook ten onrechte van uit dat de billijkheid in de straftoemeting, of een ‘rechtvaardige uitkomst van de strafprocedure’ rekening houdend met o.a. de ‘toekomstige wil van de wetgever’ een algemeen rechtsbeginsel zou zijn, onderworpen aan de wettigheidscontrole van het Hof. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt m.i. naar recht. 14. Waar het op aankomt, is dat het hof van assisen in zijn arrest over de straftoemeting een straf oplegt die op basis van de geldende regels naar recht verantwoord is. Overigens kan de eiser in cassatie zijn grief niet steunen op een wetsbepaling die op het moment van de bestreden beslissing nog niet van toepassing was
(14).
- In een derde middel werpt eiser 1 op dat enkele medebeschuldigden bij verstek zijn veroordeeld (G.H., M.L. en A.L.) en op verzet aanspraak zouden maken op een lagere straf, bij toepassing van het Nieuwe Strafwetboek, vanaf 8 april
- Deze situatie levert dan een miskenning op van het gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 Gw.). De grief is m.i. niet-ontvankelijk, omdat zij uitgaat van een veronderstelling die geen verband houdt met het bestreden arrest
(15). Het is immers nog niet zeker dat de procedure op verzet wordt opgestart na 8 april 2026, dit is de voorziene datum van inwerkingtreding van het Nieuwe Strafwetboek. Dit hangt af van het moment waarop de bij verstek veroordeelde medebeschuldigde verzet instelt en van de beslissing over de ontvankelijkheid van dat verzet (artikelen 187, § 5 en 358 Sv.). Bovendien is het niet uit te sluiten dat de wetgever de toepassing van het nieuwe Strafwetboek uitstelt.
- Eiser 2 voert een middel aan tegen het tussenarrest van het hof van assisen van 22 april 2025 waarbij het verzoek tot uitstel wordt afgewezen van de raadsman van zesde beschuldigde G.Y. In een afzonderlijk arrest van dezelfde datum heeft het hof van assisen beslist om G.Y. bij verstek te berechten. Het hof van assisen ging in het bestreden arrest niet in op de vraag tot uitstel omdat G.Y. enkele weken voor het proces ten gronde vertrok naar Turkije, hij kort voor het proces ten gronde een beroep deed op een andere raadsman, hij volgens zijn echtgenote G.Y. op de vlucht was naar Turkije en niet meteen zou terugkeren en dat een uitstel de rechten van de overige beschuldigden en de burgerlijke partijen zou aantasten.
- Volgens eiser 2 is medebeschuldigde G.Y., die ten tijde van het verzoek verbleef in een ziekenhuis in Turkije, een cruciale getuige, omdat hij via zijn nieuwe raadsman aangaf ‘bepaalde onthullingen te doen’, wat blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 22 april
- Bovendien blijkt de schuld van eiser 2 gesteund te zijn op zijn voorgehouden aanwezigheid in de woning van G.Y., van waaruit eiser 2 vertrok om het losgeld op te halen en het slachtoffer vrij te laten. De aangekondigde nieuwe onthullingen van G.Y. zouden “een en ander in een ander daglicht kunnen plaatsen”. Volgens eiser 2 had het hof van assisen (desnoods een kort) uitstel van behandeling van de zaak moeten toestaan of alternatieven moeten uitwerken om het recht op tegenspraak van eiser 2 te waarborgen, zoals een videoconferentie.
- Het feit dat de assisenjury voor de schuldigverklaring rekening houdt met gegevens over een medebeschuldigde die uiteindelijk verstek laat, vatbaar voor tegenspraak, lijkt mij geen miskenning in te houden van recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) en het recht van verdediging. De aankondiging van die medebeschuldigde dat hij bepaalde onthullingen zou doen, indien op zijn vraag tot uitstel van de zaak wordt ingegaan, doet m.i. niet anders besluiten. In zoverre faalt het middel naar recht. Hierbij valt op te merken dat mocht G.Y. tijdens een later proces op verzet nieuwe onthullingen doen, die in het voordeel zouden zijn van eiser 2, er binnen de strikte voorwaarden van de artikelen 443-447 Sv. reden kan zijn voor herziening van het strafproces.
- Verder blijkt uit de stukken dat eiser 2 zich op de rechtszitting van 22 april 2025 aansloot bij het verzoek tot uitstel van de zaak, geformuleerd door de raadsman van medebeschuldigde G.H. (nadien berecht bij verstek), zonder dat hij aangaf waarom een uitstel van behandeling nodig is voor de waarborg van een eerlijk proces of voor de uitoefening van het recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft eiser 2 geen belang bij het betwisten van de redenen om een verzoek uitgaande van de medebeschuldigde G.Y., verduidelijkt hij niet waarom het tussenarrest een miskenning zou inhouden van het vermoeden van onschuld (art. 6.2 EVRM) en steunt zijn middel op de hypothese dat G.Y. op een volgende rechtszitting na een ontvankelijk verklaard verzet verklaringen aflegt die in het voordeel zouden zijn van eiser
- In zoverre is het middel niet-ontvankelijk.
- Ik heb geen ambtshalve middelen in cassatie aan te voeren en concludeer tot verwerping van de cassatieberoepen. ______________________________________________________________
(1)T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 362; V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 330. De aanpassing van art. 80 Sw. die het hof van assisen toeliet om na aanneming van verzachtende omstandigheden de straf van levenslange opsluiting te verminderen tot een tijdelijke opsluiting tot 40 jaar (art. 17, 1° Wet 5 februari 2016, BS 19 februari 2016) is vernietigd, GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, B.15.2, www.const-court.be; zie J. DE HERDT en J. ROZIE, “Correctionaliseerbaarheid en straftoemeting na de gedeeltelijke vernietiging van de Potpourri II-wet”, NC 2018, 20.
(2)In assisenzaken: Cass. 7 februari 2024, AR P.23.1471.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240207.2F.4, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1394.N, AC 2015, nr. 120, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.2, RW 2015-16, 1301 noot S. VAN OVERBEKE. In correctionele zaken Cass. 30 mei 2023, AR P.21.1231.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0565.N, AC 2020, nr. 659, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4, T. Strafr. 2021, 35; Cass. 20 januari 2004, AR P.03.1364.N, AC 2004, nr. 31, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.13; Cass. 2 oktober 2001, AR P.02.1038.F, AC 2002, 504, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021002.13; J. ROZIE, “Verzachtende omstandigheden in het strafrecht”, in CBR-Jaarboek 2012-13, 81-142; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 352; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 510-516; R. VERSTRAETEN en F. VERBRUGGEN, Inleiding tot het Belgische strafrecht en strafprocesrecht, Intersentia, 2023, 494-497; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1871; V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 328-331.
(3)Cass. 14 maart 2001, AR P.00.1718.F, AC 2001, nr. 131, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010314.10; F. ROGGEN, “Les circonstances atténuantes: le temps de la réforme”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Kluwer 2011, 733; J. ROZIE, “Verzachtende omstandigheden in het strafrecht”, in CBR-Jaarboek 2012-13, 109; V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 328.
(4)V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 329.
(5)Over het onderscheid tussen verzachtende omstandigheden (art. 79-80 Sw.) en redenen om de gepaste straf te kiezen binnen een wettelijke marge van bestraffing zie Cass. 7 februari 2024, AR P.23.1471.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240207.2F.4, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 30 januari 2013, AR P.12.1813.F, AC 2013, nr. 73, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130130.6; Cass. 26 november 1985, AR 9899, AC 1985-86, nr. 209; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1773 en 1871; F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch Strafrecht, die Keure 2025, 196-197; V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 331. Over de doelstellingen van de straftoemeting, in de actuele rechtspraak en na invoering van het nieuwe Strafwetboek, zie P. HOET, “Het Hof van Cassatie, de motivering van de straftoemeting en strafdoelen”, in 519-538.
(6)V. VEREECKE, Handboek van het hof van assisen, Larcier 2025, 331.
(7)Over de motiveringsplicht in assisenzaken over de straf zie F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, I, 1203-1204.
(8)Over de impact van de redelijke termijn op de straftoemeting in een assisenzaak zie Cass. 20 december 2022, AR P.21.0828.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22, met concl. van advocaat-generaal A. WINANTS, NC 2023, 40, RW 2023-24, 299.
(9)Over dit aspect zie J. SMETS en F. DEBAEDTS, Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof, APR, Kluwer 2016, 135-136.
(10)J. DE HERDT, J. ROZIE en D. VANDERMEERSCH, Boek I van het nieuwe Strafwetboek, die Keure 2024, 246-248; T. VANDER BEKEN, Handboek strafrecht, Gompel&Svacina 2024, 249.
(11)Over de retroactieve kracht van de mildere strafwet zie Cass. 19 mei 2009, AR P.08.1164.N, AC 2009, nr. 327, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090519.4, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 24 oktober 2007, AR P.06.0965.F, AC 2007, nr. 499, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.4; Cass. 8 januari 2003, AR P.02.1314.F, AC 2003, nr. 14, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18; P. POPELIER, “Toepassing van de wet in de tijd”, APR 1999, nrs. 33 en 104; N. OBBELS, F. VERBRUGGEN en J. PETERSEN, “Nog (een tijdje) niet eenvoudiger. De toepassing in de tijd van het nieuwe Strafwetboek en van vernieuwde straffen”, in Themis- Straf-en strafprocesrecht, Larcier 2025, 8-11.
(12)Cass. 30 mei 2017, AR P.14.1719.N, AC 2017, nr. 354, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.2.
(13)EHRM 12 januari 2016, Gouarré Patte t/Andorra, §28; EHRM 17 oktober 2024, Cesarano t/Italië, §62; EHRM 10 juli 2025, Wulffaert en Wulffaert Beheer bv t/België, §34 en 37, www.echr.coe.int
(14)R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant, 2006, nr. 860.
(15)Over deze grond van niet-ontvankelijkheid van een cassatiemiddel zie o.a. Cass. 9 september 2025, AR P.25.0716.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.2, RO 3; Cass. 25 maart 2025, AR P.24.1509.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8, RO 32; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, RO 56; Cass. 12 januari 2022, AR P.21.0974.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5; Cass. 21 januari 2020, AR P.19.1322.N, AC 2020, nr. 61, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.10 en Cass. 4 oktober 2006, AR P.06.1208.F, AC 2006, nr. 461, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061004.4; R. DECLERCQ, Cassation en matière répressive, Bruylant 2006, p. 346-353. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.5 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010314.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021002.13 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030108.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040120.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061004.4 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071024.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090519.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130130.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240207.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div