Obsah (4)
Art. 14Art. 16Art. 17Art. 39id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 oktober 2025
Art. 14
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 16
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 17
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 39
, § 1, 2° - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 2 - 3 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met de vrijstelling bij uitvoer volgt niet dat om van de vrijstelling voor uitvoer te kunnen genieten minstens een voldoende temporeel en materieel verband moet kunnen worden aangetoond tussen het tijdstip van de levering en het tijdstip dat het goed het grondgebied van de Unie effectief verlaat. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 146, eerste lid, sub b Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 146, eerste lid, sub b Tekst van de conclusie F.23.0108.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Verweerster is paardenfokker die ook optreedt als makelaar bij de aan- en verkoop van paarden. Ze verkocht op 8 mei 2017 als commissionair een paard van een Nederlandse familie aan een Amerikaanse vennootschap. Het paard was bij verweerster gestald met het oog op de training en opleiding ervan. De aankooprijs werd op 10 mei 2017 voldaan door de Amerikaanse vennootschap die het vervoer naar de Verenigde Staten voor haar rekening zou nemen. Op de verkoopfactuur uitgereikt door verweerster werd geen btw aangerekend gelet op de toepassing van de vrijstelling wegens uitvoer op grond van artikel 39, § 1 WBTW. Deze vrijstelling werd door verweerster opgenomen in de periodieke btw-aangifte van het tweede kwartaal van
- Op het tijdstip van de levering werd het paard overgebracht naar een stal in Nederland, waar paard en ruiter nog een half jaar getraind werden alvorens de uitvoer naar de Verenigde Staten op 16 november 2017 effectief kon plaatsvinden.
- Hoewel er geen betwisting over bestaat dat het paard effectief zes maanden later werd uitgevoerd, weigert de administratie de toekenning van de vrijstelling wegens uitvoer. Er kon geen redelijke verklaring worden aangetoond waarom de uitvoer met zes maanden werd uitgesteld, behalve dat het paard in de zomermaanden in Nederland verbleef om het tijdens de wintermaanden over te brengen naar Florida
(1).
- In het vonnis van 7 maart 2022 oordeelde de eerste rechter dat de vrijstelling van artikel 39, § 1 WBTW vereist dat de uitvoer onmiddellijk na de levering wordt verricht, en dit binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren van op de plaats waar ze ter beschikking van deze personen worden gesteld tot op het douanekantoor van uitgang waar ze de Unie verlaten. Omdat aan deze voorwaarde niet was voldaan, ontzegde de eerste rechter de toepassing van de vrijstelling. Het bestreden arrest van 20 juni 2023 vernietigt het beroepen vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerster gegrond.
- De Belgische Staat komt tegen dit arrest in cassatie op met één middel. 2 Bespreking.
- Artikel 39, § 1, 2° WBTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Unie. De Koning kan krachtens artikel 39, § 3 WBTW de voorwaarden bepalen die voor het verkrijgen van de in §§ 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan daarbij afwijken van de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis WBTW. Artikel 1 KB nr. 18 van 29 december 1992 bepaalt dat de in artikel 39, § 1, 2° WBTW bedoelde vrijstelling alleen kan worden verleend voor zover de voorwaarden zijn vervuld, de formaliteiten worden nagekomen en de bewijzen worden geleverd zoals voorzien in de artikelen 2 t.e.m. 6 van het KB nr.18 van 29 december
- Deze bepalingen verbinden aan de vrijstelling geen termijnvoorwaarde waarbinnen de uitvoer (uiterlijk) moet gebeuren. Volgens de administratieve aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001 moet de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling worden verricht en, in elk geval, binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren van op de plaats waar ze ter beschikking van deze personen worden gesteld tot op het douanekantoor van uitgang waar ze de Gemeenschap verlaten.
- De appelrechters merken terecht op dat de administratie daarmee een voorwaarde voor de vrijstelling oplegt die niet door de wet is voorzien. Ze citeren vervolgens het arrest van 19 december 2013 waarin het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 146, lid 1, sub b, van btw-richtlijn 2006/112
(2)de vrijstelling bij uitvoer niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het exportgoed het grondgebied van de Unie binnen een bepaalde termijn heeft verlaten
(3). De kwalificatie van een transactie als exportlevering kan bijgevolg niet afhangen van de inachtneming van een bepaalde termijn waarbinnen het betrokken goed het douanegebied van de Unie moet hebben verlaten en waarvan de niet inachtneming tot gevolg heeft dat de belastingplichtige de vrijstelling bij uitvoer definitief wordt ontzegd
(4). De vaststelling dat de wettelijke bepalingen geen termijn voorschrijven, kan op zich toelaten om te concluderen dat de administratieve termijnvoorwaarden een schending uitmaken van de toepasselijke wettelijke bepalingen. De administratieve aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001 die de voorwaarden voorschrijft, is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek waarvan voor het Hof de schending kan worden aangevoerd. In zoverre het middel schending aanvoert van bepalingen van deze aanschrijving is het niet ontvankelijk. In zoverre het middel aanvoert dat de btw-vrijstelling bij uitvoer enkel is toegestaan als de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling wordt verricht en, in elk geval, binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren, faalt het naar recht. 8. Evenwel stelt het Hof van Justitie vast dat artikel 131 van die btw-richtlijn de lidstaten toelaat de voorwaarden van de vrijstelling te bepalen, maar dat die voorwaarden niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling van voorkoming van belastingontwijking en -fraude. 9. Hoewel het middel dit argument niet uitgebreid ontwikkelt, is het zeer aannemelijk dat de voorwaarde van de onmiddellijke
(5)uitvoer precies erop is gericht om fraude, ontwijking of misbruik te bestrijden. Het toelaten van de vrijstelling wegens uitvoer in het ene kwartaal zonder concreet bewijs daarvan binnen datzelfde kwartaal, maakt het voor de administratie minder evident de vrijstelling achteraf nog te controleren. Een (lange) termijn toelaten creëert de administratieve last om het goed en de uitvoer ervan op te volgen. Het is begrijpelijk dat de administratie zich verzet tegen het toestaan van een vrijstelling waarvan het (door de wet vereiste) bewijs pas lange tijd nadien ontstaat. Het gaat in tegen de voorziene basisregel van de belastbaarheid en de uitzondering van de vrijstelling wanneer het bewijs daartoe is geleverd. Bij uitvoer buiten de gemeenschap spelen ook de douaneregels waarvan de (vergelijkbare) strengheid door het Grondwettelijke Hof niet als kennelijk onevenredig worden aangemerkt precies om de omvang en frequentie van de fraude te bestrijden in deze bijzondere technische en grens- overschrijdende materie
(6). Nochtans laten de voorwaarden zoals voorzien in het voormelde KB nr. 18 de controle achteraf toe. Echter, het toelaten van een onbepaalde uitvoertermijn zou het misbruik in de hand kunnen werken omdat de tijd in het nadeel van de controle en het voordeel van misbruik speelt indien uiteindelijk blijkt dat het bewijs van de uitvoer niet wordt geleverd, de verschuldigde belasting (dan) niet meer kan worden gerecupereerd en de verantwoordelijken niet meer kunnen worden aangesproken. 10. De administratieve voorwaarde van een uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling
(7)lijkt in eerste instantie niet in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel waarnaar het Hof van Justitie (steeds) refereert bij de afweging van het criterium dat de nationale regelingen niet verder mogen gaan dan wat noodzakelijk is om fraude, ontwijking en misbruik te bestrijden
(8). De woorden “onmiddellijk” en “strikt noodzakelijk” geven geen blijk van de toepassing van een proportionaliteitstoetsing die toelaat rekening te houden met concrete omstandigheden. 11. Anders dan de administratie voorhoudt zijn de strikte voorwaarden evenmin in overeenstemming met het vaststellen van een “redelijke uitvoertermijn” die het Hof van Justitie in overeenstemming acht met de artikelen 131 en 146 van de voormelde btw-richtlijn
(9). Met het begrip “redelijk” lijkt het Hof van Justitie opnieuw te refereren naar een concrete afweging van de feiten conform het evenredigheidsbeginsel, maar anderzijds niet uitsluit dat een vaste “redelijke uitvoertermijn” wordt vastgesteld. Zoals reeds vermeld, getuigen de voorwaarden van een onmiddellijke uitvoer of binnen een termijn die er strikt voor nodig is, niet van een redelijke uitvoertermijn. 12. Hoewel het middel van de administratie aanvankelijk niet overtuigt, wijst de administratie in het cassatieberoep op het recht op teruggaaf waardoor het evenredigheidsbeginsel alsnog wordt gerespecteerd. De administratie merkt op dat de basisregel van de belasting van de transactie niet definitief is indien niet meteen aan de voorwaarden van de vrijstelling kan worden voldaan. Er is immers het recht op teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, 1° WBTW indien (achteraf) blijkt dat de belasting het bedrag te boven gaat dan wettelijk is verschuldigd. De samenlezing van de strikte voorwaarde van de onmiddellijke uitvoer
(10)met het recht op teruggaaf maakt volgens de administratie dat wel is voldaan aan het evenredigheidsbeginsel. Dat argument vindt steun in datzelfde arrest van 19 december 2013, waarin het Hof van Justitie na de overwegingen over een ‘redelijke uitvoertermijn’ wijst op het fundamentele beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel dat bij elke transactie inzake productie of distributie btw is verschuldigd. Vervolgens komt het Hof van Justitie tot de kern van de zaak en concludeert het dat een nationale regeling die een uitvoertermijn oplegt zonder de belastingplichtige in staat te stellen om, teneinde voor die vrijstelling in aanmerking te komen, te bewijzen dat aan de voorwaarde van vertrek is voldaan na het verstrijken van die termijn, en zonder voor de belastingplichtige te voorzien in een recht op teruggaaf van de btw die reeds is betaald wegens de niet-inachtneming van die termijn, terwijl hij heeft bewezen dat de koopwaar het douanegebied van de Unie heeft verlaten, verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken(‘11).
- Vermits de Belgische regeling de belastingplichtige wel in staat stelt om de belasting ongedaan te maken na het overschrijden van de termijn door wel uitdrukkelijk te voorzien in een recht op teruggaaf, kan niet (meer) zonder meer worden geconcludeerd dat de administratieve voorwaarde verder gaat dan nodig om belastingontwijking en -fraude te bestrijden.
- Dat het recht op teruggaaf bij bewijs van de uitvoer op zich evenmin disproportioneel mag zijn, blijkt uit een arrest van 1 augustus 2025 waarin het Hof van Justitie oordeelt dat de vrijstelling niet kan worden geweigerd op grond van de omstandigheid dat de verzending of het vervoer buiten de Unie zonder medeweten van de leverancier heeft plaatsgevonden en is vastgesteld door de belastingdienst en niet door de leverancier zelf. Naar analogie met deze zaak waarin het objectieve materiële feit van de uitvoer pas op een later moment blijkt (zelfs na een intracommunautaire levering)
(12), moet de vrijstelling worden toegekend, hetgeen achteraf wordt geregulariseerd via het recht op teruggaaf omdat vaststaat dat de belasting het bedrag te boven gaat dan wettelijk is verschuldigd.
- Opmerkelijk wel is dat de administratie pas voor het eerst voor het Hof verwijst naar de mogelijkheid tot teruggave op grond van artikel 77 WBTW, waardoor het argument nieuw is en de appelrechters daarmee geen rekening hebben gehouden. Vermits de bepalingen van openbare orde zijn, kan het Hof het middel als ontvankelijk aanmerken.
- Rest mijns inziens de vraag welke regel primeert: moet worden vertrokken van de regel van de vrijstelling van de uitvoer, omdat uiteindelijk blijkt en niet wordt betwist dat die effectief na zes maanden is gebeurd, of primeert de basisregel van de belasting van de transactie tenzij vrijstelling wegens onmiddellijke uitvoer of met recht op teruggave op het moment dat het recht op vrijstelling wordt bewezen. In zoverre het middel het Hof toelaat tot die afweging te komen, adviseer ik de voorkeur voor de basisregel van de belastbaarheid tenzij het recht op de vrijstelling meteen duidelijk is, omdat er een recht op teruggave is op het moment het bewijs van uitvoer en vrijstelling voorligt. De vrijstellingsvoorwaarde van een onmiddellijke uitvoer of binnen en termijn die er strikt voor nodig is, in samenlezing met de basisregels van de belasting (art. 16 WBTW) en het recht op teruggave (art. 77 WBTW), lijkt dan ook m.i. niet verder te gaan dan nodig om fraude en misbruik te bestrijden. Besluit: cassatie. ____________________________________________________________________
(1)Het medisch argument werd niet aangetoond.
(2)Artikelen 146, lid 1, en 131 van richtlijn 2006/112 waarvan artikel 39 W.btw de nationale omzetting is.
(3)HvJ 19 december 2013, inz. BDV Hungary Trading Kft, C-563/12, ECLI:EU:C:2013:854, pt. 26.
(4)HvJ 19 december 2013, inz. BDV Hungary Trading Kft, C-563/12, ECLI:EU:C:2013:854, pt. 27.
(5)of binnen en termijn die er strikt voor nodig is.
(6)Zie Gwh. 17 mei 2023, nr. 81/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081, pt. B.7.1; zie ook E. VAN DOOREN, “Iteratieve knelpunten van douane- en accijnsstrafrecht” in M. MAUS en M. ROZIE (ed.), Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, Brussel, Intersentia 2011, 469, en de verwijzingen aldaar naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
(7)Of binnen en termijn die er strikt voor nodig is.
(8)HvJ 19 december 2013, inz. BDV Hungary Trading Kft, C-563/12, ECLI:EU:C:2013:854, pt. 36.
(9)HvJ 19 december 2013, inz. BDV Hungary Trading Kft, C-563/12, ECLI:EU:C:2013:854, pt. 34.
(10)Of binnen en termijn die er strikt voor nodig is.
(11)HvJ 19 december 2013, inz. BDV Hungary Trading Kft, C-563/12, ECLI:EU:C:2013:854, pt. 39.
(12)HvJ 1 augustus 2025, C-602/24, pt. 46: “[de] vrijstelling ook van toepassing is op een levering van goederen die door de leverancier aanvankelijk als een intracommunautaire levering is aangegeven, maar die buiten diens medeweten door de afnemer buiten het grondgebied van de Unie is uitgevoerd, wanneer deze uitvoer door de belastingautoriteiten is vastgesteld op basis van douanedocumenten”. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.1 citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 ECLI:EU:C:2013:854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div