← België

BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 Rolnummer: F.23.0082.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 370 - laatst gezien 2026-06-16 12:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.12 Fiche 1 Krachtens artikel 160 Wet Verzekeringen is de levensverzekering een persoonsverzekering waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur en die wordt geacht uitsluitend te zijn gericht op de uitkering van een vast bedrag; onder de uitkering van een “vast bedrag” dient te worden begrepen de uitkering van een bedrag dat niet afhankelijk is van de omvang van de schade veroorzaakt door het verzekerde voorval

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LEVENSVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 160 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Fiches 2 - 3 Opdat een werkgeversbijdrage voor een levensverzekeringscontract als definitief verworven kan worden beschouwd voor de begunstigde werknemer, is niet noodzakelijk vereist dat de bijdragen het vermogen van de werkgever hebben verlaten; het volstaat dat de werkgever een vaste en onherroepelijke verbintenis aangaat om de bijdragen voor de opbouw van het pensioen te bestemmen en dat de werknemer over een vaste en onherroepelijke aanspraak op het pensioen beschikt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 39, § 2 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 4 Artikel XVIII van de Bijlage 1, getiteld “Voorrechten en immuniteiten” bij het Verdrag van 30 mei 1975 tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap, dat louter de heffingsbevoegdheid verdeelt tussen de lidstaten en de ESA en die impliceert dat België zich moet onthouden van belastingheffing op salarissen en emolumenten om dubbele belasting te vermijden, is geen vrijstelling in de zin van artikel 39, §2, 2°, a), WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Verdrag van 30 mei 1975 tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap, en Bijlagen I tot IV - 30-05-1975 - Art. XVIII bijlage 1 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 39, § 2 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de conclusie F.23.0082.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eerste verweerder van 1 april 1965 tot 30 mei 1975 in dienst was van de European Space Research Organisation, en vervolgens van 1 juni 1975 tot 30 juni 1996 van het European Space Agency. Tijdens zijn tewerkstelling werd aan pensioenopbouw gedaan, eerst via het Provident Fund en vanaf 1 juli 1974 tot zijn uitdiensttreding binnen het ESA-pensioenplan. De verweerder woont in België. Voor het aanslagjaar 2018 werd hem vanuit Nederland een pensioen toegekend van € 103.572,10, bestaande uit het eigenlijk pensioen van € 70.781,04 en een fiscale aanpassing van € 24.358,
  2. Er werd tijdig een belastingaangifte ingediend waarbij het verkregen pensioenbedrag werd aangegeven onder code
  3. De aanslag in de personenbelasting met kohierartikel 691867288 werd conform die aangifte gevestigd. Het bezwaar tegen die belastingaanslag werd afgewezen bij beslissing van 31 juli
  4. Op 24 oktober 2019 legden de verweerders een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, waarin ze de ontheffing vorderden van de aanslag in zoverre het ESA-pensioen werd belast. In het bestreden arrest van 14 maart 2023 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van de eiser ontvankelijk en deels gegrond. Het hof van beroep ontheft de bestreden aanslag in de personenbelasting in de mate waarin het ESA-pensioen voor meer dan de fiscale aanpassing van het bedrag van € 24.358 werd belast onder code 1228 en hervormde het vonnis in die zin. Het eerste vonnis wordt bevestigd in zoverre het ESA-pensioen ten bedrage van € 70.781,04 van belasting wordt vrijgesteld.
  5. De eiser komt met één middel op tegen dit arrest. 2 De grieven.
  6. De eiseres voert aan dat de appelrechter niet kon beslissen dat het pensioenreglement kan worden beschouwd als een individueel levensverzekeringscontract in de zin van artikel 39, § 2, 2°, WIB92, en de appelrechter dit voormelde artikel schendt, alsook de artikelen 97 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst en 160 van de wet op de verzekeringen. De eiser steunt het enig middel op de volgende grieven:
  7. er is geen sprake is van de uitkering van een vast bedrag, aangezien
(1)het pensioen zonder enige beperking in de tijd of bedrag wordt betaald tot aan het overlijden van de aangeslotene-begunstigde,
(2)de uitkeringen voorzien na overlijden voor de overlevenden, wezen en personen ten laste na een bepaalde tijd uitdoven,
(3)de pensioenen (kunnen) worden aangepast aan de levensduurte; 2. er is geen sprake van definitief en in het individueel en uitsluitend voordeel van de begunstigde verworven pensioenrechten, aangezien
(1)bij beëindiging van het dienstverband niet altijd recht is op een pensioen in welk geval een “leaving allowance” wordt toegekend,
(2)de rechtverkrijgenden zich niet noodzakelijk beperken tot de weduwen, wezen en personen ten laste,
(3)het exact bedrag van de door de verweerder opgebouwde pensioenrechten niet gekend is,
(4)de betaling van de pensioenen ten laste valt van de budgetten van de organisatie,
(5)niet blijkt dat de opgebouwde pensioenrechten uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen of daarvan zijn afgescheiden;
  1. schending van de bewijskracht van de “Tweede aanvullende conclusies in graad van beroep tevens definitieve syntheseberoepsconclusies” van de eiser, waarin werd betwist dat werkgeversbijdragen uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen, terwijl de appelrechter overweegt dat door de partijen niet wordt betwist dat het pensioen werd opgebouwd door werkgeversbijdragen tot 30 juni 1996 (schending van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek);
  2. schending van de bewijskracht van artikel 44.2.i van het pensioenreglement ter verantwoording van zijn beslissing dat het pensioen mede werd gevormd door werkgeversbijdragen, aangezien het er een inhoud aan toeschrijft die zij niet bevat (schending van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek);
  3. schending van de artikelen 6, 23, § 1, 5°, en 34, § 1, en 39, § 2, 2°, WIB92, door te oordelen dat sprake is van een levensverzekeringscontract en vervolgens op grond daarvan te oordelen dat het pensioen van de verweerder is vrijgesteld van belastingen, zonder de wettige vaststellingen dat
(1)het pensioen van de verweerder (mede) is opgebouwd uit werkgeversbijdragen, en
(2)de werkgeversbijdragen uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen, zowel voor de pensioenopbouw voorafgaand aan de gelding van het “ESA Pension Scheme”, als voor de pensioenopbouw onder gelding van het “ESA Pension Scheme”;
  1. het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd omdat het enerzijds overweegt dat de stortingen van de werkgeversbijdragen uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en anderzijds dat de betaling van de pensioenuitkeringen ten laste valt van de budgetten van de organisatie-werkgever;
  2. door te oordelen dat de opbouw van het pensioen van de verweerder geen aanleiding heeft gegeven tot belastingvrijstelling of -vermindering in de zin van artikel 39, § 2, 2°, van het WIB 1992 miskent het hof van beroep die bepaling en artikel XVIII van de Bijlage 1 bij het Verdrag van 30 mei
  3. 3 Bespreking.
  4. Wat betreft de eerste grief dat geen sprake kan zijn van een levensverzekering omdat geen “vast bedrag” wordt toegekend zoals voorzien in artikel 160 Wet Verzekeringen, kan worden verwezen naar artikel 55, 4°, Wet Verzekeringen, dat bepaalt dat onder een “verzekering tot uitkering van een vast bedrag”, wordt verstaan: “verzekering waarbij de prestatie van de verzekeraar niet afhankelijk is van de omvang van de schade”. Aangezien de uitkering niet afhankelijk is van de omvang van de schade, verhindert de mogelijke variabiliteit van de uitkering niet dat sprake is van een vast bedrag en falen de grieven dat geen sprake is van een individueel levensverzekeringcontract omdat geen vast bedrag zou worden uitgekeerd, naar recht.
  5. Het Hof heeft reeds meermaals geoordeeld dat de vrijstelling voor pensioenen, aanvullende pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract vervalt indien ze geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van werkgeversbijdragen die werden betaald sinds 1 januari
  6. De uitkering van een pensioen of een pensioenrente die steunt op een vóór 1 januari 2004 gedane toezegging en die geheel of gedeeltelijk is gevormd door middel van een sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdrage, is belastbaar in de mate dat dit pensioen is gevormd door sinds 1 januari 2004 betaalde werkgeversbijdragen
(1). Recent voegde het Hof aan die regel de opmerking dat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 170/2023 van 14 december 2023 heeft geoordeeld dat artikel 28 van de wet van 21 januari 2022 geen interpretatief karakter heeft en aldus geen terugwerkende kracht verleent aan het met dit artikel 28 ingevoerde artikel 39, § 2, tweede en derde lid, WIB92
(2). 6. De essentiële voorwaarde voor de vrijstelling van artikel 39, § 2, 2°, WIB92, zijn de definitief en in het individueel en uitsluitend voordeel van de begunstigde verworven pensioenrechten. Bij arrest van 12 november 2009 oordeelde het Hof dat dat daarmee “onder meer” wordt bedoeld dat de werkgeversbijdragen onherroepelijk uit zijn vermogen zijn verdwenen
(3). Daarmee heeft het Hof mijns inziens enkel geoordeeld dat de feitelijke vaststelling dat de werkgeversbijdragen uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen, de appelrechter onder meer kan toelaat te oordelen dat in hoofde van de individuele werknemer vaste en definitief verworven pensioenaanspraken zijn ontstaan op het moment van de betaling van de bijdragen. Met die rechtspraak heeft het Hof geen voorwaarde aan de vrijstelling toegevoegd, namelijk dat de werkgeversbijdragen noodzakelijk zijn vermogen verlaten moeten hebben alvorens sprake kan zijn van individueel verworven rechten. Dat de bijdragen onherroepelijk het vermogen van de werkgever moeten hebben verlaten, is niet voorzien in toepasselijke wettelijke bepalingen. Een intern pensioenreglement dat voorziet in een pensioenopbouw (vóór 1 januari 2004) van definitief individueel verworven rechten in eigen beheer van de werkgever, lijkt aldus niet uitgesloten van de vrijstelling van het toepasselijk artikel 39, § 2, 2°, WIB
  1. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de toepassing van de vrijstelling voorzien in het toepasselijk artikel 39, § 2, 2°, WIB92 vereist dat de werkgeversbijdragen onherroepelijk het vermogen van de werkgever hebben verlaten, berust het op een onjuiste rechtsopvatting (tweede grief).
  2. In het voormelde arrest van 12 november 2009 oordeelde het Hof ook dat de omstandigheid dat (in principe) het opgebouwde pensioen (pas) betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd, slechts een modaliteit is van de verplichting een pensioen te betalen maar op zichzelf geen doorslaggevend element is voor de beoordeling of de pensioenopbouw definitief en individueel verworven is. De enkele vaststelling dat het opgebouwde pensioen niet onmiddellijk beschikbaar is, sluit op zich niet uit dat de eerste verweerder er over kon beschikken en de pensioenopbouw individueel en definitief verworven kan zijn.
  3. Het komt de feitenrechter toe op basis van de concrete vaststellingen te oordelen of er sprake is van individueel en definitief verworven pensioenrechten. Het Hof kan die beoordeling onderwerpen aan een marginale toetsing, waaronder nagaan of de rechter aan de gemaakte vaststellingen de juiste rechtgevolgen heeft verbonden. Daar waar de appelrechter oordeelt dat uit de feitelijke vaststelling volgt dat er sprake is van individueel en definitief verworven rechten, komt het in eerste instantie niet het Hof toe de feitelijke elementen te onderzoeken op grond waarvan de appelrechter tot die conclusie komt. De grieven dat bij beëindiging van het dienstverband niet altijd recht is op een pensioen in welk geval een “leaving allowance” wordt toegekend, dat de rechtverkrijgenden zich niet noodzakelijk beperken tot de weduwen, wezen en personen ten laste, dat het exact bedrag van de door de verweerder opgebouwde pensioenrechten niet gekend is, nodigen het Hof uit tot een onderzoek van de feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre komt de tweede grief niet ontvankelijk voor. De vastgestelde feiten laten de appelrechter toe naar recht de beslissing te verantwoorden dat er sprake is van individueel en definitief verworven rechten. Zo verantwoordt de appelrechter onder meer naar recht de overweging dat de enkele aanpassing van het pensioen aan de levensduurte, niet in ieder geval betekent dat plots een variabel bedrag zou worden uitgekeerd. De appelrechter stelt ook vast dat het pensioenreglement niet voorziet in een uitsluitingsmogelijkheid en geen enkel voorbehoud maakt. In zoverre kan de tweede grief niet worden aangenomen. De terechte beoordeling dat er sprake is van individueel en definitief verworven pensioenrechten, maakt de overwegingen met betrekking tot het verlaten uit het vermogen van de werkgever van de bijdragen overtollig. In zoverre is de grief niet ontvankelijk.
  4. Anders dan hetgeen de eiser voorhoudt, blijkt niet uit zijn tweede aanvullende beroepsconclusies dat hij betwistte dat de pensioenvoorziening werd opgebouwd met werkgeversbijdragen, maar wel dat deze bijdragen uit het vermogen van de werkgever waren verdwenen. Het komt mij voor dat de derde grief feitelijke grondslag mist.
  5. De vaststelling dat dit door partijen niet werd betwist, draagt de beslissing dat het pensioen werd opgebouwd door werkgeversbijdragen. De aangevoerde schending van de bewijskracht van het pensioenreglement, namelijk dat artikel 44.2.i niet zegt en aldus de overweging niet kan verantwoorden dat het pensioen mede werd gevormd door werkgeversbijdragen, kan, zelfs al is het gerond, niet tot cassatie leiden. De vierde grief komt bij gebrek aan belang niet ontvankelijk voor.
  6. In zoverre de vijfde grief is afgeleid van de vorige grieven, is de grief niet ontvankelijk. In zoverre deze grief er (opnieuw) van uitgaat dat de appelrechter niet vaststelt dat de pensioenopbouw gebeurde met werkgeversbijdragen, mist hij feitelijke grondslag. In zoverre deze grief ervan uitgaat dat de betwiste vrijstelling vereist dat de werkgeversbijdragen het vermogen van de werkgever (onherroepelijk) moeten hebben verlaten, faalt de grief naar recht.
  7. Wat betreft de zesde grief over de aangevoerde tegenstrijdigheid vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan het concludeert dat aan de aangenomen voorwaarde dat de bijdragen het vermogen van de werkgever moeten hebben verlaten, is voldaan wanneer de bijdragen onherroepelijk bestemd zijn voor de pensioenopbouw, ook al zijn zij niet ondergebracht in een afzonderlijke rechtspersoon. De aangevoerde tegenstrijdigheid lijkt mij niet te bestaan, reden waarom de zesde grief feitelijke grondslag mist.
  8. In de zevende grief stelt de eiser dat de vrijstelling van artikel 39, § 2, 2° a), WIB92, niet toepasselijk is omdat de werkgeversbijdragen deel uitmaken van het salaris van de verweerder dat was vrijgesteld overeenkomstig artikel XVIII van de Bijlage 1 bij het Verdrag van 30 mei 1975 van nationale inkomstenbelasting. Zoals de appelrechter heeft geoordeeld, meen ik dat het voormelde verdrag niet kan worden aangemerkt als een vrijstelling. De verweerders merken m.i. terecht op dat het enkel voorziet in een regeling met betrekking tot de toewijzing van de heffingsbevoegdheid, meer bepaald dat deze heffingsbevoegdheid wordt toegewezen aan ESA. Het middel kan niet worden aangenomen. Besluit: verwerping. ___________________________________________________________________
(1)Cass. 27 januari 2023, AR F.21.0075.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.9; Cass. 21 september 2018, AR F.15.0150.N, AC 2018, nr. 489, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.3; Cass. 14 januari 2011, AR F.09.0105.N, AC 2011, nr. 38, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.2.
(2)Cass. 13 december 2024, AR F.24.0027.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.1.
(3)Cass. 12 november 2009, AR F.08.0019.N, AC 2009, nr. 656, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.12 citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110114.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180921.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241213.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.