id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 oktober 2025
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de conclusie P.25.0631.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS: I. De feiten en procedurele voorgaanden.
- De eiseres is de voormalige echtgenote van de oorspronkelijk beklaagde S.L. (thans niet meer inzake) en was met deze beklaagde gehuwd onder het wettelijke stelsel. Zij zijn op 27 februari 2012 eigenaars geworden van een onroerend goed gelegen te … Ingevolge het lastens de beklaagde S.L. gevoerde onderzoek werd deze laatste op 8 maart 2024 gedagvaard om op 21 maart 2024 voor de correctionele rechtbank te Antwerpen te verschijnen teneinde zich te verantwoorden voor feiten van bezit en invoer van cocaïne, met de verzwarende omstandigheid dat zulks gebeurde in het kader van een vereniging. Op 6 juli 2023 werd aan het strafdossier een vordering van het openbaar ministerie gevoegd, strekkende tot verbeurdverklaring van een som van € 4.0032.000 aan wederrechtelijke vermogensvoordelen. Op 11 maart 2024 legde een gerechtsdeurwaarder in opdracht van het openbaar ministerie strafrechtelijk bewarend beslag op voormeld onroerend goed. Op 5 februari 2024 werd door notaris H. een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming verleden, waarbij het onroerend goed gelegen te …, dat deel uitmaakte van de huwgemeenschap, werd toebedeeld aan de eiseres, dit ten titel van alimentatie, en onder de opschortende voorwaarde dat de echtscheiding is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest. Een uittreksel van de regelingsakte werd op 20 februari 2024 overgeschreven bij de diensten van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie op het kantoor Rechtszekerheid Antwerpen. Het echtscheidingsvonnis werd uitgesproken op 26 maart 2024 en bekwam kracht van gewijsde op 27 april 2024 en werd op 21 mei 2024 overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
- Bij vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 20 september 2024 werd S.L. met toepassing van artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek en gelet op een eerder vonnis van 23 februari 2024 veroordeeld tot een bijkomende gevangenisstraf van één jaar en werd wegens de tenlastelegging 1 de verbeurdverklaring uitgesproken bij equivalent van 300.000 € en ingevolge tenlastelegging 2 van 890.000 €. Met betrekking tot de vordering van eiseres, die vrijwillig was tussengekomen in deze rechtspleging, werd geoordeeld dat de regelingsakte ten aanzien van derden pas uitwerking heeft vanaf de overschrijving van het echtscheidingsvonnis zodat het bewarend beslag gelegd op 11 maart 2024 geldig is, nu de echtscheiding werd overgeschreven op 21 mei
- De vordering tot vrijgave van het onroerend goed en de doorhaling van het bewarend beslag op dit onroerend goed werd dan ook afgewezen als ongegrond. Eiseres stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.
- Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiseres ontvankelijk doch ongegrond. De vordering tot vrijgave van het onroerend goed, dan wel tot opheffing en de doorhaling van het daarop door het openbaar ministerie gelegde strafrechtelijk bewarend beslag wordt ongegrond verklaard. Dit is de bestreden beslissing. II. Het onderzoek van het middel.
- Eiseres voert de schending aan van de artikelen 5.69, 5.139, 5.146, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1287 en 1304 Gerechtelijk Wetboek. Het arrest oordeelt ten onrechte dat in de regelingsakte de dato 5 februari 2024 geen opschortende voorwaarde in de werkelijke betekenis van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek is opgenomen om reden dat de echtgenoot van eiseres de eigendom nog niet kon overdragen zolang de echtscheiding niet definitief is geworden; deze beslissing is niet naar recht verantwoord; uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat de regel van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek niet zou gelden ten aanzien van een door het openbaar ministerie gelegd bewarend beslag tot zekerheid van een mogelijke toekomstige verbeurdverklaring bij equivalent lastens de gewezen echtgenoot van eiseres (eerste onderdeel); het oordeel van de appelrechters dat de overdracht niet meer is dan een engagement en het niet gaat om een werkelijke opschortende voorwaarde in de werkelijke betekenis van dit begrip doch ntegendeel louter een noodzakelijke voorwaarde opdat vanaf de echtscheiding tot een dergelijke overdracht zou kunnen worden besloten kan niet worden aangenomen; door te oordelen dat de regelingsakte de dato 5 februari 2024 louter als een engagement dient te worden beschouwd doch niet als een familierechtelijke overeenkomst van bijzondere aard gekoppeld aan een opschortende voorwaarde schenden de appelrechters de bewijskracht van deze regelingsakte (tweede onderdeel); het bestaan van artikel 1304, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek sluit de toepasselijkheid van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek niet uit; de appelrechters die steunen op artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en hieruit afleiden dat artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek geen toepassing zou vinden, verantwoorden hun beslissing niet naar recht (derde onderdeel).
- Echtgenoten die door onderlinge toestemming uit de echt wensen te scheiden, zijn gehouden een volledige vermogensrechtelijke regeling te sluiten
(1)
(2). Dit vloeit voort uit het eerste lid van artikel 1287 Gerechtelijk Wetboek én uit de bij artikel 1304, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde terugwerkende kracht tussen echtgenoten op vermogensrechtelijke vlak
(3). De regeling moet volledig zijn, d.w.z. dat zij alle punten moet bevatten die in een vereffening van een huwelijksvermogensstelsel geregeld moeten worden
(4). Bijgevolg moeten de echtgenoten in de regelingsakte het lot bepalen van de onroerende goederen die desgevallend deel uitmaken van de huwgemeenschap. De regeling moet ook definitief zijn. Aangezien een echtscheiding door onderlinge toestemming tussen partijen slechts definitief wordt door een rechterlijke beslissing die de echtscheiding door onderlinge toestemming uitspreekt en die kracht van gewijsde verkrijgt, wordt algemeen aanvaard dat de gemaakte afspraken noodzakelijkerwijze verbonden zijn aan wat in de praktijk doorgaans als de opschortende voorwaarde van het definitief worden van de echtscheiding wordt omschreven
(5). 6. Volgens de rechtspraak van het Hof is de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming onderworpen aan de algemene regels van het verbintenissenrecht
(6). Het Hof heeft echter ook aangegeven dat deze regelingsakte “een familierechtelijke overeenkomst van bijzondere aard” is, waardoor de toepassing van het verbintenissenrecht niet onverkort geldt
(7). Ik merk op dat deze rechtspraak van het Hof kadert in het vraagstuk van de draagwijdte van de regelingsakte en de mogelijkheid van één der partijen om hiertegen, na het definitief worden van de echtscheiding, op te komen op grond van wilsgebreken (bedrog, dwaling), benadeling, of gekwalificeerde benadeling. 7. Boek 5, Titel 3, Burgerlijk Wetboek bevat de algemene regels die van toepassing zijn op elke verbintenis ongeacht de bron ervan, tenzij de wet zich daartegen verzet (artikel 5.138 Burgerlijk Wetboek). Het gemeen verbintenissenrecht moet derhalve wijken wanneer de wetgever voorziet in een bijzonder regime voor bepaalde verbintenissen
(8). Artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek
(9)bepaalt: “Onverminderd de regels ter bescherming van derden te goeder trouw, kunnen, bij vervulling van de opschortende voorwaarde niet worden tegengeworpen aan de schuldeiser van een verbintenis om een bepaald voorwerp te geven, indien zij zich voordoen terwijl de voorwaarde hangende was: 1° de beschikkingshandelingen en abnormale beheershandelingen verricht door de schuldenaar; en 2° de onbeschikbaarheid ten gevolge van een beslag of een situatie van samenloop, zoals het faillissement, die het vermogen van die schuldenaar treft. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ontbindende voorwaarde”. 8. Artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van derden eerst gevolg heeft vanaf de melding op de huwelijksakte of vanaf de opmaak van de akte van echtscheiding. Deze bepaling, die - zoals de andere procedurele bepalingen inzake echtscheiding door onderlinge toestemming - de openbare orde raakt
(10), lijkt mij duidelijk: ten aanzien van derden heeft de echtscheiding, zowel wat de persoon als wat de goederen van de echtgenoten betreft, slechts gevolgen vanaf de melding van het definitieve echtscheidingsvonnis of –arrest op de huwelijksakte of vanaf de opmaak van de akte van echtscheiding
(11). Tijdens de procedure blijft derhalve het huwelijksvermogensstelsel van de partijen zijn gelding behouden en kunnen derden met de echtgenoten handelen alsof er geen echtscheidingsprocedure was
(12). Ten aanzien van derden blijft de vermogensrechtelijke toestand van de goederen van deze echtgenoten (i.e. de eigen goederen, goederen behorende tot de gemeenschap, goederen behorende in onverdeeldheid…) zijn gelding behouden en is een toebedeling van een onroerend goed aan één der echtgenoten hangende de procedure niet tegenstelbaar aan derden. Zo behouden ook bijvoorbeeld de schuldeisers van de echtgenoten of één van hen hun verhaalsrechten op de goederen van deze echtgenoten overeenkomstig de bepalingen van het huwelijksvermogensrecht. In de rechtsleer wordt ten andere een beslag of een onvoorzien faillissement beschouwd als een nieuwe en onvoorziene omstandigheid waardoor de toestand van de echtgenoten of één van hen ingrijpend wordt gewijzigd en die zou toelaten om tijdens de procedure overeenkomstig artikel 1293 Gerechtelijk Wetboek een wijziging of aanvulling van de oorspronkelijke overeenkomst in te dienen
(13). Dit houdt evenzeer in dat ten aanzien van derden de echtgenoten gehuwd blijven. De echtgenoten hebben in de regelingsakte weliswaar een vergelijk getroffen omtrent hun wederzijdse rechten, doch hangende de procedure ontstaat ten aanzien van derden tussen de echtgenoten mijns inziens met betrekking tot de door hen aangegane verbintenissen (nog) geen verhouding van “schuldenaar” en “schuldeiser”, zoals bedoeld in artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek. Weliswaar zal overeenkomstig artikel 1287, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, een letterlijk uittreksel van de regelingsakte, voor zover deze betrekking heeft op onroerende goederen, moeten worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, en dit binnen de termijn bepaald in artikel 3.31 Burgerlijk Wetboek (d.w.z. vijftien dagen na de dagtekening van de authentieke akte), bij gebreke waarvan de rechter zal weigeren om de echtscheiding uit te spreken (en de regelingsakte derhalve geen uitwerking zal krijgen)
(14). In de rechtsleer was omtrent deze vereiste van overschrijving op het bevoegde kantoor (voorheen het hypotheekkantoor) discussie ontstaan over de vraag op welk tijdstip deze overschrijving diende te gebeuren en in het bijzonder of de regelingsakte, voor zover deze betrekking heeft op onroerende goederen, diende opgesteld te worden bij een authentieke akte dan wel of partijen een onderhandse akte konden opstellen, nadien gevolgd door het laten het verlijden van een authentieke akte (die dan wordt overgeschreven) waarin vastgesteld wordt dat de echtscheiding is voltrokken door een in kracht van gewijsde getreden echtscheidingsvonnis of -arrest
(15). In het kader van deze discussie werd, ter verdediging van de eerste visie, gesteld dat onmiddellijke overschrijving verplicht is opdat de derde ervan verwittigd zou worden dat hij niet langer met de oorspronkelijke eigenaar kan handelen, vermits deze onder bepaalde voorwaarden zijn eigendomsrecht zal verliezen
(16). F. BUYSSENS stelt dat door de regeling van een onderhandse akte de onaantastbare tegenwerpelijkheid aan derden van de overdracht of de aanwijzing van een onroerend goed niet tot stand is gebracht en de rechtszekerheid in het gedrang wordt gebracht, en verder dat “ook in het geval van een opschortende voorwaarde is de onmiddellijke overschrijving op het hypotheekkantoor verplicht, opdat een derde zou weten dat hij niet zonder meer (eigen onderlijning) met de veronderstelde eigenaar kan handelen, vermits deze onder bepaalde voorwaarden zijn eigendomsrechten zal verliezen”
(17). De overschrijving heeft bovenal tot doel derden ervan op de hoogte te stellen dat, bij het in kracht van gewijsde treden van de echtscheidingsuitspraak, de rechten met betrekking tot het onroerend goed zullen wijzigen
(18). Hieruit kan evenwel niet afgeleid worden dat door de overschrijving van de authentieke regelingsakte op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, de daarin vervatte regeling met betrekking tot de onroerende goederen ook onmiddellijk uitwerking zou hebben tegenover derden. Dergelijke interpretatie druist in tegen artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk wetboek, dat zoals gezegd de openbare orde raakt.
- Ik ben dan ook van oordeel dat artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek een wettelijke bepaling is die de toepasselijkheid van artikel 5.146, § 2, Burgerlijke Wetboek, ten aanzien van derden, op de bij een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming overeengekomen overdracht van een onroerend goed tussen de echtgenoten uitsluit. In zoverre het derde onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht.
- Het arrest oordeelt: - de terugwerkende kracht die oorspronkelijke beklaagde S. L. en eiseres in de akte dd. 5 februari 2024 voorzien ten behoeve van hun onderlinge afspraken met betrekking tot hun vermogen, kan niet worden tegengeworpen aan derden, zoals overigens ook blijkt uit titel IV, van deze overeenkomst; - in de overeenkomst wordt bepaald dat de in de regelingsakte gemaakte overeenkomsten ten aanzien van derden maar uitwerking zullen hebben vanaf de melding van het vonnis of arrest van de echtscheiding op de huwelijksakte; - dit rechtsfeit dateert in casu ruim na de datum waarop het openbaar ministerie geldig bewarend beslag liet leggen; - dit is niets meer of niets minder dan de wettelijke regeling vervat in artikel 1304, eerste lid Gerechtelijk Wetboek hetwelk bepaalt dat het vonnis of arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken ten aanzien van derden slechts gevolg heeft vanaf de dag van de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand; - tijdens de echtscheidingsprocedure blijft het huwelijksvermogensstelsel van de partijen zijn gelding hebben; - het feit dat de regelingsakte dd. 5 februari 2024 nog voor de betekening van het beslagexploot dd. 11 maart 2024 op het bevoegde kantoor rechtszekerheid werd overgeschreven, doet niet af aan hetgeen voorafgaat. Op grond van deze zelfstandige redenen die de beslissing van de appelrechters schragen, kan het arrest wettig oordelen dat het bewarend beslag op het aan de orde zijnde onroerend goed tijdig en regelmatig werd gelegd conform artikel 35bis van het Wetboek van strafvordering en de vordering van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond is. Deze beslissing lijkt mij naar recht verantwoord. In zoverre kan het derde onderdeel niet worden aangenomen.
- Daarenboven lijkt artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek, in casu niet van toepassing op het strafrechtelijk bewarend beslag op het onroerend goed in kwestie. Het beslag in strafzaken wordt op de eerste plaats beheerst door de bepalingen van het strafprocesrecht
(19). Het Hof omschrijft het als “een voorlopige dwangmaatregel waardoor de bevoegde overheid, krachtens de wet en naar aanleiding van een misdrijf, een zaak onttrekt aan het vrije beschikkingsrecht van de eigenaar of de bezitter en, met het oog op de waarheidsvinding, de verbeurdverklaring, de teruggave of ter beveiliging van civielrechtelijke belangen, haar, in de regel, onder zich neemt”
(20). Het strafprocesrecht voorziet in eigen regels ter bescherming van de rechten van derden die getroffen worden door een strafrechtelijk beslag. Wanneer overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van het Wetboek van Strafvordering rechtsgeldig strafrechtelijk bewarend beslag wordt gelegd op een onroerend goed, is dit beslag tegenstelbaar aan de beslagene en derden. Artikel 5.146, § 2, 2°, Burgerlijk Wetboek kan geen afbreuk doen aan de tegenstelbaarheid van een strafrechtelijk bewarend beslag op onroerend goed - ook al maakt het onroerend goed het voorwerp uit van een voorwaardelijke verbintenis - aan de schuldeiser van de voorwaardelijke verbintenis. Deze schuldeiser zal desgevallend zijn rechten als derde kunnen doen gelden volgens de regels van het strafprocesrecht. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht.
- Voor het overige zijn het eerste en tweede onderdeel gericht tegen overtollige redenen van het arrest en kunnen niet tot cassatie leiden. In zoverre zijn deze mijns inziens niet ontvankelijk.
- Zo het Hof van oordeel zou zijn dat de hierboven weergegeven redenen geen zelfstandige redenen zijn die beslissing schragen, kan het volgende worden gesteld in antwoord op het eerste en tweede onderdeel. De vraag stelt zich of de bepaling van artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek van toepassing is op een regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming en het tussenkomen van de echtscheiding kan worden beschouwd als een opschortende voorwaarde in de zin van de artikelen 5.139 en 5.146 Burgerlijk Wetboek. Volgens artikel 5.139, eerste lid, Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer de opeisbaarheid of het tenietgaan ervan afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis. Artikel 5.139, tweede lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de voorwaarde opschortend is wanneer de vervulling ervan de verbintenis opeisbaar maakt. De voorwaarde is ontbindend wanneer de vervulling ervan het tenietgaan van de verbintenis teweegbrengt. Zoals vermeld mag de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming enkel afhankelijk zijn van de enige opschortende voorwaarde van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Ook in deze zaak stelt het arrest vast dat in de regelingsakte het onroerend goed werd toebedeeld aan eiseres, dit ten titel van alimentatie, en onder de opschortende voorwaarde dat de echtscheiding is uitgesproken bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest. Volgens de definitie van de voorwaarde, kan zij zowel van contractuele als van wettelijke oorsprong zijn. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek verwijst als voorbeeld van een wettelijke voorwaarde naar de artikelen 1193, 1278 en 1304 Burgerlijk Wetboek
(21). Het gegeven dat deze voorwaarde wordt opgenomen in de regelingsakte maakt hiervan geen contractuele voorwaarde. Dit zou trouwens een nietige contractuele opschortende voorwaarde zijn vermits het de facto een louter potestatieve voorwaarde is (artikel 5.141 Burgerlijk Wetboek). Elke echtgenoot kan immers ten allen tijde afstand doen van de EOT-procedure. Het al dan niet bekomen van een echtscheidingsuitspraak ligt volledig in de macht van de echtgenoten of één van hen. In de oudere rechtsleer werd gesteld dat de uitdrukking van “opschortende voorwaarde” juridisch niet helemaal correct is, omdat de echtscheiding de oorzaak is van de overeenkomst, en niet een aan de overeenkomst ondergeschikte voorwaarde
(22). In recente rechtsleer wordt hieraan mijns inziens geen aandacht besteed. Zoals gezegd, in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek wordt artikel 1304 Gerechtelijk Wetboek als voorbeeld van een wettelijke voorwaarde gegeven, evenwel zonder nadere toelichting. De memorie van toelichting voegt er aan toe dat in het geval van een wettelijke voorwaarde de bepalingen van hoofdstuk 1 van toepassing zijn voor zover de strekking van de wet in kwestie zich daartegen niet verzet. 14. Gelet op de bijzondere aard van de overeenkomst en de strekking van de wet lijkt het mij evident dat zo goed als alle bepalingen van Boek 5, Titel 3, Ondertitel 2, hoofdstuk 1, Voorwaardelijk verbintenis, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing kunnen zijn op een regelingsakte voorafgaandelijk aan de echtscheiding bij onderlinge toestemming: Artikel 5.140 (afwezigheid van onzekerheid), artikel 5.141 (het extern karakter van de voorwaarde), artikel 5.143 (interpretatie van de voorwaarde), artikel 5.144 (verhindering vervulling van de voorwaarde), artikel 5.145 (afstand van de voorwaarde), artikel 5.147 (werking voor de toekomst, bepaling die voor de echtgenoten strijdig is met de bepaling van artikel 1304 Gerechtelijk Wetboek), artikel 5.148 (niet-nakoming van de voorwaarde). Al deze bepalingen zijn onmogelijk van toepassing op de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming. Hetzelfde geldt mijns inziens voor artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek. Zoals vermeld blijven de echtgenoten “pendente conditione” ten aanzien van derden een gehuwd echtpaar. Zij kunnen ten aanzien van derden met betrekking tot de regeling die zij getroffen hebben omtrent hun goederen - regeling die niet tegenstelbaar is aan derden - dan ook niet beschouwd worden als “schuldenaar” en “schuldeiser”, zoals bedoeld in artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek. Het tussen te komen vonnis of arrest kan mijns inziens evenmin beschouwd worden als de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek. Artikel 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek lijkt mij dan ook om deze redenen niet van toepassing op de regelingsakte voorafgaande aan de echtscheiding door onderlinge toestemming. Ook de ratio legis van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek lijkt deze stelling te ondersteunen. Artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd gelet op de nieuwe bepaling van artikel 5.147 Burgerlijk Wetboek (de werking voor de toekomst) waarin afgestapt werd van de retroactiviteit van de voorwaarde die voortvloeide uit de artikelen 1179 en 1183 van het oud Burgerlijk Wetboek. Het doel van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek bestaat erin dat te regelen wat voorheen met de retroactiviteit werd beoogd. Echter wat de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming betreft, voorziet artikel 1304 Gerechtelijk Wetboek van oudsher een volledig eigen regeling met betrekking tot de uitwerking van het tussen te komen vonnis of arrest ten aanzien van derden en ten aanzien van de echtgenoten, dan de retroactiviteit van de voorwaarde die voortvloeide uit de artikelen 1179 en 1183 van het oud Burgerlijk Wetboek. Wat de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming betreft, is er derhalve geen nood tot het invoeren van een afzonderlijke regeling zoals deze van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek. Het eerste en tweede onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijken mij te falen naar recht. Conclusie: verwerping van het cassatieberoep. __________________________________________________________________
(1)Naast de vermogensrechtelijke regeling zullen de echtgenoten overeenkomstig artikel 1288 Gerechtelijk Wetboek ook een familierechtelijke overeenkomst moeten sluiten omtrent (-) de uitoefening van het ouderlijk gezag en het recht op persoonlijk contact nopens hun minderjarige kinderen (-) bijdrage in het onderhoud en opvoeding van de kinderen (-) eventuele uitkering tussen de echtgenoten. Dit aspect van de echtscheiding door onderlinge toestemming komt hier als dusdanig niet ter sprake weze het dat de regelingsakte in kwestie een toebedeling van het onroerend goed voorziet ten titel van alimentatie en er dus een vermenging is van een vermogensrechtelijke en familierechtelijke overeenkomst.
(2)Cass. 25 februari 2010, AR C.09.0041.N, AC 2010, nr. 128, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11, RW 2011-12, 446; Cass. 15 mei 2006, AR C.04.0008.N, arrest niet gepubliceerd, TBBR 2007, 23, noot S. MOSSELSMANS en Div.Act. 2007, 65 noot S. MOSSELSMANS (zelfde noot in frans).
(3)BUYSSENS F., “Onderhandse akte echtscheiding door onderlinge toestemming met toebedeling van een onroerend goed aan één echtgenoot” in CARETTE N. en BARBAIX R. (eds.), Tendensen vermogensrecht, Intersentia 2018, 311, nr. 9.
(4)BUYSSENS F., “Overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten bij EOT: regelingsakte in notariële vorm vereist” (noot onder Antwerpen 4 juni 2003), EJ 2004, 123; VERSCHELDEN G., “Comm. bij art. 1287 Ger.W.” in Comm.Ger.R., Kluwer 2008,
(1)16 e.v.; BUYSSENS F., “Onderhandse akte echtscheiding door onderlinge toestemming met toebedeling van een onroerend goed aan één echtgenoot” in CARETTE N. en BARBAIX R. (eds.), Tendensen vermogensrecht, Intersentia 2018, 311; BROUWERS S., Echtscheiding door onderlinge toestemming, Wolters Kluwer 2019, 24, nr. 34.
(5)BUYSSENS F., “Regelingsakte en familierechtelijke overeenkomsten bij echtscheiding door onderlinge toestemming” in Notariële actualiteit 2013. Verslagboek van de vormingsdagen van de Studiekring Provinciaal genootschap der Notarissen van Oost-Vlaanderen, die Keure 2014,
(117)123; DE BUSSCHERE C. en BROUWERS S., “Onderhandse of authentieke vorm van de voorafgaande regelingsakte houdende overdracht van onroerende goederen in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming?”, EJ 1996, 146-149; BUYSSENS F., “Overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten bij EOT: regelingsakte in notariële vorm vereist” (noot onder Antwerpen 4 juni 2003), EJ 2004, 123; VERSCHELDEN G., “Comm. bij art. 1287 Ger.W.” in Comm.Ger.R., Kluwer 2008,
(1)16 e.v.; BUYSSENS F., “Onderhandse akte echtscheiding door onderlinge toestemming met toebedeling van een onroerend goed aan één echtgenoot” in CARETTE N. en BARBAIX R. (eds.), Tendensen vermogensrecht, Intersentia 2018,
(307)311.
(6)Cass. 16 juni 2000, voltallige zitting, AR C.96.0006.N, AC 2000, nr. 374, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000616.10, , met (andersluidende) concl. OM, RW 2000-2001, 238, noot W. PINTENS; BUYSSENS F., “Overzicht van rechtspraak EOT (2001-2012)”, T.Fam. 2013/3-4, 56-57.
(7)Cass. 9 november 2012, AR C.12.0146.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.6, AC 2012, nr. 606, ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121109.6, Not.Fisc.M. 2013, 117, noot H. CASMAN, T.Fam. 2013, 131, noot V. HULPIAU; BOONE I., “De toepassing van het verbintenissenrecht op EOT-overeenkomsten”, in X., Recht in beweging, 2014, 308. Cass. 9 november 2012, AR C.12.0051.N, AC 2012, nr. 605, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.9, RW 2012-13, 1415, noot E. ADRIAENS.
(8)DEL CORRAL J., “Commentaar bij art. 5.138”, in X., Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer 2024, 18.
(9)Artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek maakt deel uit van Boek 5, Titel 3, Ondertitel 2, Hoofstuk 1. Voorwaardelijke verbintenis, van het Burgerlijk Wetboek.
(10)DE BUSSCHERE C. en BROUWERS S., “Onderhandse of authentieke vorm van de voorafgaande regelingsakte houdende overdracht van onroerende goederen in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming?”, EJ 1996, 146-149; Brussel, 4 februari 1992, JLMB, 1992, 549; BUYSSENS, F., “Overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten bij EOT: regelingsakte in notariële vorm vereist” (noot onder Antwerpen 4 juni 2003), EJ 2004, 123; BUYSSENS F., “Regelingsakte en familierechtelijke overeenkomsten. Aandachtspunten”, in KFBN (ed.), Echtscheiding door onderlinge toestemming, Brugge, die Keure 2002, 5, nr. 8.
(11)BROUWERS S., Echtscheiding door onderlinge toestemming, Wolters Kluwer 2019, p. 20; VERSCHELDEN G., Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht, die Keure 2021, 1054.
(12)VANBOCKRIJCK H., “Comm. bij art. 1304 Ger.W.” in Comm. Personen- en familierecht, Kluwer, aflv. 46, 2004, 224.
(13)BUYSSENS F., “Overzicht van rechtspraak (1994-2000) Echtscheiding door onderlinge toestemming (deel I)”, EJ 2001/5, 74.
(14)Bv. Antwerpen 4 juni 2003, EJ 2004, 121; Rb. Turnhout 20 maart 2003, TBBR 2004, 348; Famrb. Brussel 5 januari 2024, For.Fam. 2024, 141, noot S. BEVERNAEGIE.
(15)DE BUSSCHERE C. en BROUWERS S., “Onderhandse of authentieke vorm van de voorafgaande regelingsakte houdende overdracht van onroerende goederen in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming?”, EJ 1996, 146-149; BUYSSENS F., “Overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten bij EOT: regelingsakte in notariële vorm vereist” (noot onder Antwerpen 4 juni 2003), EJ 2004, 123-124; BUYSSENS F., “Onderhandse akte echtscheiding door onderlinge toestemming met toebedeling van een onroerend goed aan één echtgenoot” in CARETTE N. en BARBAIX R. (eds.), Tendensen vermogensrecht, Intersentia 2018, 307 e.v.
(16)BUYSSENS F., “Overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten bij EOT: regelingsakte in notariële vorm vereist” (noot onder Antwerpen 4 juni 2003), EJ 2004, 123; + voetnoot in deze bijdragen: BUYSSENS F. “De echtscheiding door onderlinge toestemming”, in P. SENAEVE en W. PINTENS (eds), De hervorming van de echtscheidingsprocedure en het hoorrecht van minderjarigen, Antwerpen, Maklu 1997, 270-273.
(17)BUYSSENS F., “Onderhandse akte echtscheiding door onderlinge toestemming met toebedeling van een onroerend goed aan één echtgenoot” in CARETTE N. en BARBAIX R. (eds.), Tendensen vermogensrecht, Intersentia, 2018, 314.
(18)VERSCHELDEN, G., “Comm. bij art. 1287 Ger.W.” in Comm.Ger.R., Kluwer 2008,
(1), 135.
(19)Zie over het beslag in strafzaken: VERSTRAETEN R., ROYER S., “Beslag in strafzaken”, in X., Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 1 september 2020, 1-108.
(20)Cass. 25 februari 2003, AR P.02.0674.N, AC 2003, nr. 133, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.5.
(21)Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek, Parl.St., Kamer, 2020-2021, Doc. 1806/001, 169.
(22)W. PINTENS, Echtscheiding door onderlinge toestemming, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1982, 214; H. CASMAN, Notarieel familierecht, Gent, Mys&Breesch, 1991, 367. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251028.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000616.10 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030225.5 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100225.11 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.9 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121109.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div