id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.1 Rolnummer: C.23.0424.N-C.23.0426.N-C.23.0435.N-C.23.0436.N Zaak: PHILIP MORRIS BENELUX bv c. Belgische Mededingingsautor Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 424 - laatst gezien 2026-06-18 20:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.1 Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Tekst van de conclusie C.23.0424.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering. 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres tabaksfabrikant is die sigaretten verkoopt op de Belgisch markt. Op 13 april 2022 nam de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) de beslissing in toepassing van artikel IV.52, § 1, 2° van het Wetboek van economisch recht (WER) tot het opleggen van boetes wegens deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk die het gehele Belgische grondgebied bestrijkt, bestaande uit de uitwisseling van informatie over toekomstige prijzen in een onderling afgestemde feitelijke gedraging met als doel het verminderen van de onzekerheid omtrent elkaars marktgedrag. De gevoegde beroepen van de vier tabaksproducenten leidden tot het bestreden arrest van 15 februari 2023 van het Marktenhof (dat een materiële vergissing bevatte die werd hersteld bij het arrest van 28 juni 2023. 2. Het bestreden arrest bevestigt de vaststelling van een inbreuk in hoofde van de fabrikanten op grond van de artikelen IV.1 WER en 101 WEU, maar vernietigt de beslissing van de BMA en verwijst de zaak terug naar de BMA, anders samengesteld, voor verdere afhandeling, namelijk motivering van het eventueel voortdurend karakter, begin en eindduur van de inbreuk en bepaling van eventuele boetes die proportioneel, passend en effectief moeten zijn rekening houdend met de door het Marktenhof gemaakte overwegingen en de eigen beleidsmarge van de BMA. 2 Samenvatting van de voornaamste middelen. 3. In de verzoekschriften van de fabrikanten komen de volgende drie belangrijkste middelen telkens terug: 1. Er kan geen sprake zijn van een OAFG omdat het doel van de mededingingsbeperking niet wordt aangetoond. 2. De overwegingen uit het arrest VM Remonts zijn niet toepasselijk op de huidige casus omdat in de zaak VM Remonts reeds eerder een OAFG werd vastgesteld. 3. Het Marktenhof kon de zaak, zoals beoordeeld door het Marktenhof niet gedeeltelijk vernietigen en (in die staat) terugzenden naar de BMA. 3 Samenvatting van de conclusie. 4. Op basis van het hoger gegeven overzicht van de rechtspraak van het Hof van Justitie en de wetgeving kunnen deze voornaamste drie middelen samengevat als worden beantwoord: 1. Het is een onjuiste rechtsopvatting dat voor het bestaan van een OAFG op zich reeds een bepaalde (mededingingsbeperkende) doelstelling is vereist. Een OAFG vormt op zich geen inbreuk. Een inbreuk vereist eerst de vaststelling van een OAFG en vervolgens de (afweging van
- de)mededingingsbeperkende gevolgen of strekking ervan. Er is (eerst) een objectief en (vervolgens) een subjectief element vereist voor de inbreuk. Hoewel wel is vereist dat de mededinging wordt vervangen is voor de vaststelling van een OAFG (nog) niet de bedoeling vereist om de mededinging te beperken. De middelen die uitgaan van het tegendeel, berusten op een onjuiste rechtsopvatting. Net zoals het Marktenhof heeft vastgesteld, blijkt dat de fabrikanten in hun voorzieningen de voorwaarden voor het bewijzen van OAFG vermengen en herhalen met de voorwaarden om te kunnen spreken van een mededingingsbeperking
(1). Deze vermenging komt echter begrijpelijk voor omdat de beoordeling van het causaal verband tussen de afstemming en het gedrag (vereist voor een OAFG) nauw aansluit bij de beoordeling van het mededingingsbeperkend karakter ervan, hoewel die in een trapredenering van elkaar dienen te worden onderscheiden. 2. De concrete feiten in de zaak VM Remonts zijn niet dermate van verschillend waardoor de overwegingen van het Hof van Justitie niet toepasselijk zouden zijn op de huidige zaken. Gelet op de gangbare praktijk van jarenlange mededeling van de prijsinformatie door de groothandelaars zonder zich daartegen te verzetten en de actieve zoektocht van de fabrikanten bij groothandelaars naar die informatie, konden de fabrikanten redelijkerwijze voorzien dat de groothandelaars op wie zij een beroep doet, haar commerciële informatie met haar concurrenten zou delen en waren zij bereid het risico ervan te aanvaarden
(2). 3. Het derde voornaamste middel over de bevoegdheid van het Marktenhof komt gegrond voor. Over de bevoegdheid van het Marktenhof heeft het Hof een regel geformuleerd in het arrest van 3 juni 2011
(3). Hoewel het Marktenhof geacht wordt zich niet te vereenzelvigen met het Mededingingscollege in die zin dat zijn rol moet overnemen, heeft in feite en in rechte volle rechtsmacht, moet het rekening houden met alle feiten en kan het zijn eigen beslissing in de plaats stellen. Anders dan DE WEYER stelt, meen ik niet dat het Hof daarmee de bevoegdheid van het Marktenhof heeft willen beperken tot een “kennelijke onredelijkheidstoets”
(4). In zijn arrest van 20 december 2013 heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het Marktenhof uitspraak moet doen over alle vragen in feite en rechte van de zaak zoals deze is onderzocht door de raad voor de mededinging
(5). Op dat moment was de toenmalige Raad voor de Mededinging nog een administratief rechtscollege en werd het verhaal bij het Hof van beroep aangemerkt als een beroepsprocedure in de zin van artikel 1068 Ger.W. Sedert 2013 is de wettelijke regelgeving inzake mededinging grondig hervormd
(6). Het Mededingingscollege is geen administratief rechtscollege meer maar een bestuurlijke overheid
(7). Het Marktenhof oordeelt in eerste en laatste aanleg over het verhaal tegen de beslissing van het Mededingingscollege. Gelet op die gewijzigde hoedanigheden en mede gelet op het gegeven dat inbreukzaken worden aangemerkt als strafrechtelijke procedures
(8), lijkt een beperking van de bevoegdheid van het Marktenhof m.i. moeilijk verdedigbaar. Zijn rol lijkt mij ingevolge de wetswijziging in 2013 nog verder te reiken dan deze voorzien in de rechtspraak van het Hof. Het Marktenhof diende op basis van de gegevens van het dossier en zijn eigen vaststellingen zelf te oordelen over (alle aspecten van) de aansprakelijkheid van de fabrikanten. Met GILLIAMS meen ik dat gelet op de hervorming in 2013, deze inbreukzaken moeten worden aangemerkt als een strafrechtelijke procedure
(9). Het Marktenhof dient als enige rechtsinstantie in eerste en laatste aanleg met volle rechtsmacht over ‘de vervolging’ te oordelen rekening houdende met alle feiten en zijn taak van rechter te vervullen. 4 “Een onderling afgestemde feitelijke gedraging met mededingingsbeperkende strekking”: de rechtspraak van het Hof van Justitie. 5. Wat onder onderling afgestemde feitelijke gedraging(en) (“OAFG”) met mededingingsbeperkende strekking” moet worden verstaan, kan op grond van de volgende overwegingen van het Hof van Justitie als wordt worden weergegeven: - Een OAFG betreft een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de mededinging welbewust vervangt door feitelijke samenwerking
(10); - Of een OAFG vervolgens (al dan niet) mededingingsbeperkend is, zijn met name relevant de objectieve doelstellingen die zij nastreeft en de economische en juridische context ervan
(11). - De bedoeling van de partijen weliswaar geen noodzakelijk element om te bepalen of een onderling afgestemde feitelijke gedraging beperkend is, maar niets belet de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de gemeenschapsrechter om deze in aanmerking te nemen
(12). - Wat betreft OAFG met een mededingingsbeperkende strekking ten opzichte van die met mededingingsbeperkende gevolgen, zij eraan herinnerd dat de mededingingsbeperkende strekking en gevolgen geen cumulatieve, maar alternatieve voorwaarden zijn om te beoordelen of een gedraging onder het verbod valt
(13). - Om te beoordelen of een OAFG onder het verbod van valt, niet hoeft te worden gelet op de concrete gevolgen ervan wanneer vaststaat dat zij ertoe strekt de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen
(14). - Het onderscheid tussen „inbreuken naar strekking” en „inbreuken naar gevolg” houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging
(15). - Van mededingingsbeperkende strekking is reeds sprake wanneer de onderling afgestemde feitelijke gedraging negatieve gevolgen voor de mededinging kan hebben. Met andere woorden, het volstaat dat zij concreet, gelet op de juridische en economische context ervan, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt kan verhinderen, beperken of vervalsen
(16). (eigen onderlijningen) - Ieder al dan niet rechtstreeks contact komt in aanmerking voor een OAFG met mededingingsbeperkende strekking
(17). - Uitwisseling van informatie tussen concurrenten is in strijd zijn met de mededingingsregels wanneer zij de mate van onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en als gevolg daarvan de mededinging tussen ondernemingen beperkt
(18). (eigen onderlijningen) - Een OAFG gedraging kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben o ook wanneer zij geen rechtstreeks verband heeft met de verbruikersprijzen die door de eindgebruiker wordt betaald
(19); o indien zij bestaat in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden”
(20); o het verbod niet uitsluitend bedoeld om de rechtstreekse belangen van de concurrenten of van de consument te beschermen, maar om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen
(21). - Zelfs indien een parallelle gedraging van concurrenten hoe dan ook verantwoord is wegens de marktomstandigheden, kan die toch een mededingingsbeperkende OAFG zijn indien door een uitwisseling van informatie de onzekerheden over het tijdstip, de mate en de modaliteiten van de door de betrokken onderneming door te voeren aanpassing kan wegnemen
(22); - Wat betreft het vereiste causaal verband tussen de afstemming tussen de betrokken ondernemingen en een daarop volgend marktgedrag, moet volgens het Hof, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, worden vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Dit geldt te meer wanneer de afstemming gedurende een lange periode en met een zekere regelmaat plaatsvindt. Tot slot heeft het Hof geconcludeerd dat een dergelijke onderling afgestemde feitelijke gedraging ook onder artikel 81, lid 1, EG valt wanneer mededingingsbeperkende gevolgen op de markt ontbreken
(23). (eigen onderlijningen) - Het vermoeden van causaliteit tussen de afstemming en het marktgedrag van deze onderneming ook geldt wanneer slechts één bijeenkomst van de betrokken ondernemingen aan de afstemming ten grondslag ligt voor zover de onderneming die aan de afstemming deelneemt, op de betrokken markt actief blijft
(24). (eigen onderlijningen) 5 Zaak C.23.0424.N (PMB). 5.1 Eerste middel (“volle rechtsmacht”).
- Het eerste onderdeel gaat ervan uit dat het Marktenhof zich strikt binnen het feitenkader heeft gehouden zoals vastgesteld in de beslissing van het Mededingingscollege, waardoor het Marktenhof de volle rechtsmacht die haar toekomt krachtens artikel IV.90, § 2, tweede lid WER niet heeft uitgeoefend en die bepaling daardoor schendt, voor zoveel als nodig ook artikel IV.90, § 1, eerste lid WER schendt.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat het Marktenhof heeft geweigerd bepaalde feiten in zijn oordeel te betrekken, meer bepaald de verklaringen van de groothandelaren. Nochtans erkent de eiseres zelf dat het Marktenhof wel verwijst naar een overweging uit deze verklaringen. Om die reden lijkt het eerste onderdeel kennelijk te berusten op een verkeerde lezing en feitelijke grondslag te missen.
- Hoewel het Marktenhof aanvankelijk voorhoudt dat het zich strikt dient te houden aan het feitenkader zoals aangenomen door het Mededingingscollege, blijkt uit de bestreden beslissing dat het Marktenhof zelf aanneemt dat twee groothandelaren informatie over fabrikanten doorgaven en zij dit niet louter op eigen initiatief deden noch in het kader van alleen margeonderhandeling of alleen wanneer het hen uitkwam. Het Marktenhof verwijst in voetnoot 24 naar de verklaringen van de groothandelaren. Het onderdeel dat aanneemt dat het arrest de verklaringen van de groothandelaren enkel en alleen in aanmerking neemt voor zover die in aanmerking werden genomen in de beslissing van het Mededingingscollege, berust op een onjuiste lezing en mist feitelijke grondslag.
- Het tweede onderdeel voert aan dat het Marktenhof zijn beoordeling in beginsel volledig in de plaats moet stellen van het Mededingingscollege en de beslissing waartegen beroep werd ingesteld, dus niet alleen vernietigen, maar ook hervormen en een beslissing nemen die de aangevochten beslissing vervangt. Door dat niet te doen en na de gedeeltelijke vernietiging de zaak terug te verwijzen naar de BMA, meent de eiseres dat het Marktenhof artikel IV.90, § 2 WER schendt.
- Het Marktenhof oordeelt dat de inbreuk wel vaststaat maar het voortdurend karakter ervan gebrekkig is gemotiveerd, reden waarom het Marktenhof de beslissing van het Mededingingscollege gedeeltelijk nietig verklaart en terug verwijst naar de BMA. In die omstandigheden diende het Marktenhof m.i. zelf te beslissen of aan alle de constitutionele bestanddelen van de inbreuk is voldaan en zo ja, welke daarvoor de gepaste sanctie is. Het tweede onderdeel van het eerste middel komt gegrond voor en leidt het tot een gedeeltelijke cassatie. 5.2 Tweede middel (bewijslast).
- Volgens het eerste onderdeel zou het Marktenhof ten onrechte de bewijslast van de inbreuk en het vermoeden van onschuld hebben geschonden door de bewijslast om te keren en deze te leggen op de eiseres. De eiseres stelt dat het Marktenhof onder toepassing van een onjuiste bewijsstandaard en met een onterechte omkering van de bewijslast, niet wettig kon besluiten dat de inbreuken verweten aan eiseres bewezen waren.
- Het bestreden arrest verwijst naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 4 juni 2009 in de zaak T-Mobille
(25). In dat arrest brengt het Hof van Justitie in herinnering dat het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging, een afstemming tussen de betrokken ondernemingen een daarop volgend marktgedrag en een causaal verband tussen beide vereist. Volgens het Hof van Justitie moet echter, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, worden vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld
(26). Het is met verwijzing naar dat arrest, na eerst te hebben overwogen dat de BMA “met een hoge graad van waarschijnlijkheid een indirect bewijs van afstemming” levert en dat “met een hoge graad van waarschijnlijkheid dat [de eiseres] ten onrechte volhoudt dat ze niet wist of, door wie, wanneer en aan wie prijsaankondigingen werden doorgegeven”, dat het Marktenhof vervolgens oordeelt dat
(1)“op grond van het bovenstaande en de Bestreden Beslissing zelf heeft de BMA kunnen aannemen dat de fabrikanten bij de bepaling van hun marktgedrag rekening hebben gehouden met de informatie die zij hebben ontvangen (het zogenoemde bewijsvermoeden zoals dat volgt uit onder meer het arrest van het HvJEU in de zaak T-Mobile, punt 51 en het arrest van het HvJEU van 14 maart 2013 in de zaak Fresh Del Monte, T-587/08, ECLI:EU:T:2013:129, punt 565)”, en vervolgens
(2)“naar het oordeel van het Marktenhof hebben de fabrikanten het vermoeden van beïnvloeding van hun marktgedrag niet ontkracht en daarmee het bewijsvermoeden niet weerlegd. Zij hebben geen plausibele verklaring die de bewijskracht van het bewijs van de BMA aantast, gegeven voor hun gedragingen”.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het Marktenhof oordeelt dat een “hoge graad van waarschijnlijkheid” als bewijs volstaat van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel de overweging bekritiseerd dat de eiseres “bovendien” haar stelling niet aantoont dat de doorgifte van informatie louter en alleen zou kaderen in onderhandelingen, lijkt het op te komen tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- Het tweede onderdeel voert aan dat de afwijzing van het tegenbewijs van de alternatieve verklaring voor de gedragingen, niet afdoende werd gemotiveerd. Het Marktenhof beantwoordt wel die grief van de eiseres met de beoordeling dat de alternatieve verklaringen niet plausibel zijn. Het middel mist feitelijke grondslag.
- Door, na te hebben geoordeeld (deels door overname van diens motieven) dat het Mededingingscollege aantoont dat de OAFG bestaan, vaststellen dat het tegenbewijs van de alternatieve verklaring niet plausibel is, verlegt het Marktenhof de bewijslast niet en hanteert ze evenmin een onjuiste bewijsstandaard. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 5.3 Derde middel.
- De eiseres stelt dat het Marktenhof uit de vastgestelde feiten niet wettig kon besluiten tot het voorhanden zijn van een consensus tussen de fabrikanten en van de voor het bestaan van een onderling afgestemde feitelijke gedraging noodzakelijke wederkerigheid.
- In zoverre het derde middel het Hof uitnodigt tot een onderzoek van de feiten, is het niet ontvankelijk.
- De in het arrest uitvoerig gemotiveerde feitelijke vaststellingen en overwegingen over de afstemming, het marktgedrag en het oorzakelijk verband verantwoorden naar recht de beslissing dat er sprake is van OAFG. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het Hof van Justitie oordeelt in het arrest “VM Remonts” van 21 juli 2016 dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een onderneming in beginsel slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging ten gevolge van de handelingen van een onafhankelijke dienstverrichter die voor haar diensten verricht, indien de onderneming de mededingingsverstorende handelingen van haar concurrenten en de dienstverrichter redelijkerwijs kon voorzien en was bereid het risico ervan te aanvaarden
(27). In zoverre het derde middel ervan uitgaat dat een onderneming niet aansprakelijk kan worden gesteld voor een OAFG ten gevolge van de handelingen van een onafhankelijke dienstverrichter die voor haar diensten verricht, indien ze de mededingingsverstorende handelingen van haar concurrenten en de dienstverrichter redelijkerwijs kon voorzien en was bereid het risico ervan te aanvaarden, faalt het naar recht.
- In zoverre het derde middel ervan uitgaat dat de redelijke voorzienbaarheid van de doorgifte van eigen prijsinformatie door een groothandelaar en het gebrek aan verzet tegen de ontvangst van prijsinformatie van een afnemer, niet kan volstaan om tot onderlinge afstemming te kunnen besluiten, faalt het naar recht. 5.4 Vierde middel.
- Het eerste onderdeel voert de schending aan van de bewijskracht van de verklaring van Timani. Volgens de eiseres leest het Marktenhof verkeerdelijk in die verklaring iets dat er niet in staat, namelijk dat de eiseres wist dat haar prijslijsten werden doorgestuurd naar haar concurrenten. Timani verklaart letterlijk dat de prijslijst van een fabrikant werd doorgestuurd “naar [de eiseres]”. Het onderdeel dat aanvoert dat die verklaring niet zegt dat de prijslijst naar haar werd doorgestuurd, mist feitelijke grondslag.
- Op de vraag aan Timani of de fabrikant weet dat die prijslijst wordt doorgestuurd, antwoordt Timani “Daar ben ik zeker van. Die weet als [fabrikant X] die prijslijst doorstuurt, dat die wordt doorgestuurd naar [de eiseres].” Door die verklaring zo uit te leggen dat de eiseres wist dat de prijslijsten werden doorgestuurd, geeft het Marktenhof een uitlegging die een mogelijke uitlegging is die niet onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Het eerste onderdeel mist feitelijke grondslag.
- Het tweede onderdeel verwijt het Marktenhof een motiveringsgebrek door niet te antwoorden op de betwisting van de verklaring van Timani. Nochtans heeft het Marktenhof de grieven van de eiseres ontmoet en afgewezen door (onder meer) onder meer op basis van die verklaring te oordelen dat de eiseres wist dat haar prijslijst werd doorgestuurd aan haar concurrenten. Die grief, die niet gelijkstaat aan een gebrek aan redenen, houdt geen verband met artikel 149 van de Grondwet. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
- Het derde onderdeel voert aan dat het arrest het Hof niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Volgens de eiseres oordeelde het Marktenhof dat het bewijs van het feit dat de tabaksfabrikanten wisten dat hun prijslijsten werden doorgestuurd aan hun concurrenten “onder meer” blijkt uit de verklaring van Timani, maar het arrest het Hof niet toelaat na te gaan welke die andere bewijzen zijn (naast de verklaring van Timani) en die beslissing aldus de wettigheidstoets niet doorstaat. Het derde onderdeel mist feitelijke grondslag. Het arrest citeert de verklaring als een voorbeeld, ter illustratie van de vaststelling dat de fabrikanten wisten dat hun prijslijsten werden doorgestuurd naar hun concurrenten. Dit feit wordt nog uit andere elementen of omstandigheden afgeleid, zo onder meer uit de verklaring van Tabagro opgenomen in het voorstel van beslissing van de auditeur en uit de omstandigheid dat eiseres zelf prijslijsten van concurrenten ontving via de groothandelaars.
- Het vierde onderdeel voert eveneens een schending aan van artikel 149 van de Grondwet. Het arrest zou het Hof niet toelaten zijn wettigheidscontrole uit te voeren wat betreft het oordeel dat de eiseres actief op zoek ging naar prijslijsten van concurrenten. Voor het bewijs daarvan verwijst het Marktenhof enerzijds naar twee voorbeelden van een andere fabrikant en oordeelt het anderzijds dat die voorbeelden “onder meer” het bewijs leveren zonder te toe te lichten welke andere bewijzen er zijn. De beslissing dat er een inbreuk is op de artikelen 101
(1)VWEU en artikel IV.1, § 1 WER steunt op het oordeel dat er sprake is van mededingingsverstorende onderling afgestemde feitelijke gedragingen (OAFG). Dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen steunt niet enkel op de vaststelling dat de fabrikanten “soms”
(28)actief op zoek gingen naar prijsinformatie van concurrenten, maar ook op de overname van de beweegredenen van de beslissing van de BMA, namelijk dat de uitwisseling van informatie een jarenlange herhaalde en gangbare praktijk was, waartegen geen verzet, waardoor elk van de tabaksfabrikanten wist of behoorde te weten dat zijn prijsinformatie zou worden doorgezonden. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de beslissing steunt op de overweging dat de fabrikanten (soms) actief op zoek gingen naar prijsinformatie van concurrenten berust op een onvolledige lezing en mist feitelijke grondslag. De beslissing blijft ook zonder de bekritiseerde overweging overeind. 27. Het vijfde onderdeel gaat ervan uit dat de inbreuk op de artikelen 101
(1)VWEU en artikel IV.1, § 1 WER steunt op de beoordeling van het intern circuleren, documenteren en in aanmerking nemen van informatie over toekomstige prijzen van concurrenten door de eiseres. De beslissing dat er een inbreuk is op de artikelen 101
(1)VWEU en artikel IV.1, § 1 WER steunt op het oordeel dat er sprake is van mededingingsverstorende OAFG. Het vijfde onderdeel mist feitelijke grondslag. 5.5 Vijfde middel.
- Het vijfde middel voert aan dat de beslissing van de BMA, zoals overgenomen door het Marktenhof, niet toelaat vast te stellen op basis van welke feiten werd besloten tot elk van de twee onderling afgestemde feitelijke gedragingen in hoofde van eiseres. Anders dan waar het eerste onderdeel van uitgaat vermeldt de door het Marktenhof overgenomen beslissing van de BMA de feiten op grond waarvan wordt besloten tot elk van de twee onderling afgestemde feitelijke gedragingen in hoofde van eiseres. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Op basis van de gemaakte vaststellingen heeft het Marktenhof naar recht de beslissing verantwoord dat er sprake was van twee OAFG, zonder dat het daarbij op alle grieven van de eiseres diende te antwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Het is vervolgens bij de beoordeling van de mededingingsbeperkende strekking van de OAFG dat het Marktenhof heeft vastgesteld dat de beslissing van de BMA geen onderscheid maakt tussen de twee OAFG voor wat betreft het bestaan van een enkele en voortdurende inbreuk. Op grond daarvan oordeelt het Marktenhof dat dat de BMA onmogelijk, in het dispositief, tot het besluit kon komen dat enerzijds X, Y en de eiseres betrokken waren in een enkele en voortdurende inbreuk en anderzijds de eiseres en Z hebben deelgenomen aan een (andere) enkele en voortdurende inbreuk. In zoverre het onderdeel de duurtijd van de inbreuk viseert, kan het niet tot cassatie leiden omdat de eiseres wat dit punt betreft in het gelijk werd gesteld. Het Marktenhof oordeelt dat de beslissing van de BMA gebrekkig is gemotiveerd wat betreft “de duurtijd van de respectieve inbreuken”. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Daar waar het tweede onderdeel aanvoert dat het Marktenhof nalaat afdoende te antwoorden op het in het eerste onderdeel aangehaalde regelmatig door eiseres aangevoerd middel, namelijk nalaten te motiveren op basis van welke feiten wordt besloten tot elk van de twee onderling afgestemde feitelijke gedragingen in hoofde van eiseres, is het kennelijk afgeleid van het eerste tevergeefs aangevoerde onderdeel en om die reden niet ontvankelijk.
- Het Marktenhof oordeelt conform het verweer dat de beslissing van het Mededingingscollege niet het onderscheid aantoont tussen de twee OAFG
(29). Het is een aspect van de inbreuk die het Marktenhof niet bewezen acht. De eiseres heeft geen belang bij de cassatie van de beslissing die in haar voordeel is omdat de beslissing precies de gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Mededingingscollege treft (moyen renégat). In zoverre komt het middel niet ontvankelijk voor. 5.6 Zesde middel. 31. Door te oordelen dat sprake is van twee inbreuken op artikel 101
(1)VWEU en artikel IV.1, § 1 WER en tegelijkertijd te besluiten dat het Mededingingscollege het enkele en voortdurende karakter van de inbreuken en de duur ervan niet heeft aangetoond en gemotiveerd, schendt het Marktenhof artikel 101
(1)VWEU en artikel IV.1, § 1 WER. Het zesde middel komt gegrond voor.
- Het Marktenhof diende m.i. zelf te oordelen over de ontbrekende elementen van de inbreuken en de bestraffing (waarvoor ze de terugwijzing beval naar de BMA). 5.7 Zevende middel.
- Het zevende middel voert in het eerste onderdeel aan dat de door het Marktenhof overgenomen beslissing van de BMA geen toereikende economische en analyse bevat van de economische en juridische context van de vermeende onderling afgestemde feitelijke gedragingen die toelaat de gedragingen te kwalificeren als strekkingsbeperkingen (schending van de artikelen 101
(1)VWEU en IV.1, § 1 WER).
- Het Marktenhof heeft met overname van de overwegingen van de beslissing van de BMA naar recht geoordeeld dat de onderling afgestemde gedragingen een mededingingsverstorende strekking hebben. Daarmee ontmoet het Marktenhof de grieven van de eiseres en wijst het die af. Zo citeert het Marktenhof onder meer de overweging in de beslissing dat het bepalend is voor het Mededingingscollege dat de ontvangende fabrikant kon beschikken over nog vertrouwelijke commercieel gevoelige informatie die toeliet het marktgedrag van concurrenten in te schatten en daardoor de risico's van een normale concurrentie te beperken en dat daarbij niet is vereist dat de ontvangende fabrikant zijn prijzen nog niet bepaald had of nadien nog wijzigde. Het Marktenhof overweegt dat het voor de strekkingsbeperking niet van belang is of de uitwisseling direct of indirect plaatsvindt, evenmin of het gaat om aangenomen of voorgenomen toekomstige prijzen. De gemaakte analyse en beslissing zijn naar recht verantwoord. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen.
- In het tweede onderdeel herhaalt de eiseres dat het Marktenhof niet voldoet aan zijn motiveringsverplichting door louter te verwijzen naar de beslissing van de BMA. In zoverre het tweede onderdeel is afgeleid van het tevergeefs aangevoerde eerste onderdeel, is het niet ontvankelijk. Het Marktenhof heeft de grieven van de eiseres ontmoet en deze afgewezen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het Marktenhof zijn beslissing niet kan motiveren door de overwegingen over te nemen van de beslissing van de BMA, faalt het naar recht. 6 Besluit. Algemeen besluit voor de vier zaken: gedeeltelijke cassatie in zoverre het Marktenhof de inbreuken bewezen verklaart en in zoverre het de zaak terug verwijst naar de BMA. ________________________________________________________________________
(1)Arrest, p. 51, randnr. 53.
(2)HvJ 21 juli 2016, inzake VM Remonts, C-542/14, ECLI:EU:C:2016:578, pt. 31.
(3)Cass. 3 juni 2011, AR C.09.0227.N, AC 2011, nr. 374, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1, met concl. advocaat-generaal VANDEWAL, ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110603.1
(4)P. VAN DE WEYER, “De rechterlijke toetsing van bestuursrechtelijke handelingen”, Antwerpen, Intersentia 2021, 511, nr. 995 en 514, nr. 1000.
(5)Cass. 20 december 2013, AR H.13.0001.F, AC 2013, nr. 702, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.1.
(6)De overgang van de Raad voor de Mededinging naar het Mededingingscollege (als onderdeel van de Belgische Mededingingsautoriteit) is gebeurd door de Wet van 3 april 2013 houdende invoeging van boek IV "Bescherming van de mededinging" en van boek V “De mededinging en de prijsevoluties” in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek IV en aan boek V en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek IV en aan boek V, in boek I van het Wetboek van economisch recht. Deze wet, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 26 april 2013, heeft het Belgische mededingingsrecht grondig hervormd en leidde tot de oprichting van de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) op 6 september 2013.
(7)P. VAN DE WEYER, “De rechterlijke toetsing van bestuursrechtelijke handelingen”, Antwerpen, Intersentia 2021, 506, 515-517, nrs. 1004-1006; K. MARCHAND, “Nieuwe Belgische mededingingsautoriteit”, NjW 2013, 929 e.v.
(8)H. GILLIAMS, “Volle rechtsmacht en de rol van het hof van beroep in de toepassing van het mededingingsrecht”, in Mijlpalen uit het Belgische mededingingsrecht geannoteerd. Liber Amicorum Jules Stuyck, Mechelen, Kluwer 2013, 295.
(9)H. GILLIAMS, “Volle rechtsmacht en de rol van het hof van beroep in de toepassing van het mededingingsrecht”, in Mijlpalen uit het Belgische mededingingsrecht geannoteerd. Liber Amicorum Jules Stuyck, Mechelen, Kluwer 2013, 295.
(10)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 26; HvJ 6 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punt 26; HvJ 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/95, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-177/85 en C-125/85–C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, ECLI:EU:C:1993:120, pt. 63.
(11)HvJ 8 november 1983, IAZ International Belgium e.a./Commissie, 96/82–102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, Jurispr. blz. 3369, ECLI:EU:C:1983:310, pt. 25, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C-209/07, ECLI:EU:C:2008:643, ptn. 16 en 21.
(12)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 27; HvJ 8 november 1983, IAZ International Belgium e.a./Commissie, 96/82–102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, Jurispr. blz. 3369, ECLI:EU:C:1983:310, ptn. 23-25.
(13)HvJ 30 juni 1966, LTM, C-56/65, Jurispr. blz. 392, 414, ECLI:EU:C:1966:38; HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 28.
(14)HvJ van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, C-56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450, 516, ECLI:EU:C:1966:41; HvJ 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C-105/04 P, Jurispr. blz. I-8725, punt 125, ECLI:EU:C:2008:8; HvJ Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C-209/07, ECLI:EU:C:2008:643, pt. 16; HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 29.
(15)HvJ Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C-209/07, ECLI:EU:C:2008:643, pt. 17; HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 29.
(16)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, ptn. 31 en 43.
(17)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 33.
(18)HvJ 28 mei 1998, C-7/95 P, Deere/Commissie Jurispr. blz. I-3111, ECLI:EU:C:1998:256, pt. 90, HvJ 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C-194/99 P, Jurispr. blz. I-10821, ECLI:EU:C:2003:527, pt. 81; HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, ptn. 35, 41 en 438.
(19)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, ptn. 36 en 39.
(20)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 37.
(21)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 38.
(22)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 41.
(23)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 51; HvJ 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, ECLI:EU:C:1999:358, pt. 161-163.
(24)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inzake T-Mobile Netherlands e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 61.
(25)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inz. T-Mobile e.a., ECLI:EU:C:2009:343.
(26)HvJ 4 juni 2009, C-8/08, inz. T-Mobile e.a., ECLI:EU:C:2009:343, pt. 58.
(27)Hvj 21 juli 2016, inzake VM Remonts, C-542/14, ECLI:EU:C:2016:578, pt. 33.
(28)Arrest, p. 32.
(29)Arrest, p. 52. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110603.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110603.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131220.1 ECLI:EU:C:1966:38 ECLI:EU:C:1966:41 ECLI:EU:C:1983:310 ECLI:EU:C:1993:120 ECLI:EU:C:1998:256 ECLI:EU:C:1999:358 ECLI:EU:C:2003:527 ECLI:EU:C:2008:643 ECLI:EU:C:2008:8 ECLI:EU:C:2009:343 ECLI:EU:C:2016:578 ECLI:EU:T:2013:129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div