id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.10 Rolnummer: C.24.0328.N Zaak: REIBEL nv contra POZENERGY Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Overige - Unierecht Invoerdatum: 2025-12-16 Raadplegingen: 265 - laatst gezien 2026-06-17 20:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.10 Fiches 1 - 3 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: COMMISSIE BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Allerlei EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Tekst van de conclusie ecli_input ECLI:NL:PHR.2022:689 ecli_prefixe ECLI ecli_pays NL ecli_cour PHR.2022 ecli_annee 689 ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
- en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:NL:PHR.2022:689 invalide Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
- en)C.24.0328.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiseres komt op tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, gewezen op 16 mei 2024. Door de eiseres worden er twee middelen aangevoerd. I. Situering. De verweerders (samen met nog twee andere bedrijven die berusten in het beroepen vonnis van de ondernemingsrechtbank) kochten elk afzonderlijk zonnepanelen aan bij een Chinees bedrijf. Eiseres heeft een overeenkomst met dit bedrijf om de aan de verweersters verkochte zonnepanelen in ontvangst te nemen, te bewaren en op instructie van dat bedrijf te verdelen. Eiseres factureerde aan dat bedrijf de prestaties voor de vervulling van de douaneformaliteiten. Eiseres leverde de zonnepanelen aan de verweersters en factureerde aan hen de leveringskosten, die de verweersters ook betaalden. Er bleken echter vergissingen te zijn begaan door eiseres bij de invoer van de door het Chinees bedrijf verkochte zonnepanelen. Er werden antidumping- en compenserende rechten niet betaald. Volgens het proces-verbaal van de Administratie Opsporing van de FOD Financiën, Douane en Accijnzen was eiseres de douanedeclarant die handelde als aangever in eigen naam en voor eigen rekening. Er werd door de eiseres een minnelijke schikking met de FOD Financiën aanvaard van 2.101.249,19 euro. Eiseres probeerde dit bedrag te recupereren op verweersters, die dit betwisten omdat zij bij de invoer niet betrokken waren of instructies hadden gegeven. Alle kopers van de zonnepanelen werden door eiseres gedagvaard voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel. Een van de partijen (niet één van de huidige verweersters) betwistte de territoriale bevoegdheid en de verweersters betwisten de internationale rechtsmacht. In het vonnis van 22 oktober 2021 aanvaardde de ondernemingsrechtbank de exceptie van territoriale onbevoegdheid en verwees de zaak naar de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent en is van oordeel dat er internationale rechtsmacht is op basis van artikel 8.1 van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder Brussel Ibis-Verordening) en gelet op de samenhang met de vordering lastens de Belgische vennootschap worden ook de verweersters verwezen naar de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent. De verweersters stellen hoger beroep in en in het bestreden arrest oordeelt de appelrechter dat het hoger beroep gegrond is en de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel geen internationale rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen lastens verweersters. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft enerzijds de vraag naar de draagwijdte van de overeenkomst tussen eiseres en verweersters en of er rechtsmacht kan zijn op basis van de Algemene Belgische Expeditievoorwaarden 2005
(1)(eerste middel) en anderzijds de vraag naar de toepassingsvoorwaarden van artikel 8.1 Brussel Ibis-Verordening (tweede middel). II. Eerste middel. In het eerste middel verwijt eiseres de appelrechter artikelen 5.69 en 5.70 Burgerlijk Wetboek (en voor zoveel als nodig artikel 1134, eerste en tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek) en artikel 8.11, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door - in zoverre te oordelen dat geen enkele overeenkomst tussen eiseres en elk van de verweerders werd afgesloten, terwijl dit oordeel onwettig is wegens schending van artikel 8.11, § 4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek omdat uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat eiseres aan de respectievelijk verweersters kosten heeft gefactureerd voor de levering van zonnepanelen vanuit haar bewaringsruimte en de appelrechter nergens vaststelt dat de facturen werden betwist of het tegenbewijs door verweersters werd geleverd dat de zonnepanelen niet werden geleverd zodat de bewijskracht van aanvaarde facturen tussen ondernemingen werd geschonden; - in zoverre te oordelen dat er wel een overeenkomst tussen eiseres en de respectievelijke verweersters tot stand is gekomen maar dat de Algemene Belgische Expeditievoorwaarden 2005 in geen geval aan verweersters tegenstelbaar zijn terwijl uit artikel 1 van deze expeditievoorwaarden volgt dat deze van toepassing zijn, voor zover niet anders werd overeengekomen, op iedere vorm van dienstverlening verricht door de expediteur en de appelrechter niet vaststelt dat de partijen zouden zijn overeengekomen dat die voorwaarden niet van toepassing zouden zijn (schending van artikel 5.69 en 5.70 Burgerlijk Wetboek). De eerste grief mist feitelijke grondslag omdat die berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In de voorlaatste alinea op pagina 5 van het bestreden arrest oordeelt de appelrechter enkel dat het niet bewezen is dat tussen de eiseres en de verschillende verweersters in verband met de invoer van de zonnepanelen uit China naar de bewaringsruimte van eiseres in België, overeenkomsten werden gesloten. Hiermee werd niet geoordeeld dat er geen enkele overeenkomst tussen eiseres en verweersters zou zijn gesloten. De tweede grief kan niet worden aangenomen. Volgens artikel 1 van de Algemene Belgische Expeditievoorwaarden 2005 zijn deze van toepassing op iedere vorm van dienstverlening die de expediteur verricht, voor zover niet anders werd overeengekomen. Volgens artikel 2 wordt in deze voorwaarden onder “dienst” verstaan: elke door de expediteur aangeboden, tot uitvoering aanvaarde of uitgevoerde opdracht van verzending van goederen, alle aanverwante handelingen en elke informatie of elk advies hiertoe. Volgens artikel 3 wordt bij de uitoefening van diensten een onderscheid gemaakt tussen de expediteur die optreedt als commissionair-expediteur en de degene die optreedt als vervoerscommissionaris. Uit de samenlezing van deze artikelen volgt, zoals de verweersters in de memorie van antwoord terecht opmerken, dat de Algemene Belgische Expeditievoorwaarden 2005 van toepassing zijn, tenzij anders overeengekomen, wanneer de expediteur een overeenkomst afsluit die geen diensten omvat die betrekking hebben op de door de expediteur aangeboden, tot uitvoering aanvaarde of uitgevoerde opdracht van verzending van goederen als commissionair expediteur of als vervoerscommissionair. De beslissing van de appelrechter dat de Algemene Belgische Expeditievoorwaarden 2005 niet van toepassing zijn omdat uit de facturen van eiseres enkel kan worden afgeleid dat de kosten van eiseres voor de levering van de goederen vanuit haar bewaringsruimte, aan verweersters werden gefactureerd en dus geen verband houden met de invoer van de zonnepanelen vanuit China naar haar bewaringsruimte, verantwoordt zijn beslissing naar recht. III. Tweede middel. In het tweede middel verwijt eiseres de appelrechter artikel 8.1 van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder Brussel Ibis-Verordening)
(2)te hebben geschonden door te oordelen dat uit de dagvaarding van eiseres tegen elk van de verweersters zelf blijkt dat ze een verschillende vordering tegen elk van hen heeft ingesteld door van elk van hen een verschillend bedrag te vorderen zodat het uitgesloten is dat er met elkaar onverenigbare beslissingen zouden worden geveld en elk van de beslissingen afzonderlijk kan worden uitgevoerd en door geen rekening te houden met alle relevante gegevens van de zaak zoals die door eiseres voor de appelrechter werden aangevoerd. Artikel 8.1 Brussel Ibis-Verordening bepaalt: “Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen: 1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”; De belangrijkste doelstelling van de Brussel Ibis-Verordening is het creëren van een stelsel van uniforme en voorspelbare bevoegdheidsregels in burgerlijke en handelszaken
(3). De overweging 15 luidt als volgt: “
- De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt.(…).” Volgens de algemene regel van artikel 4 Brussel Ibis-Verordening is de rechter van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd om over het geschil te oordelen Slechts in afwijking van deze algemene regel voorziet de verordening in limitatief opgesomde gevallen in een bijzondere of exclusieve bevoegdheid waardoor de verweerder kan, of naar gelang het geval moet, worden opgeroepen voor het gerecht van een andere lidstaat. De overweging 16 luidt als volgt: “
- Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.(…)”. Artikel 4 Brussel Ibis-Verordening bepaalt: “Onverminderd deze verordening worden zij die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat”. Artikel 5 Brussel Ibis-Verordening bepaalt: “Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels”. Artikel 8 Brussel Ibis-Verordening maakt deel uit van afdeling 2 “Bijzondere bevoegdheid” van hoofdstuk II van deze verordening
(4). Volgens het Hof van Justitie strekt de bevoegdheidsregel bedoeld in artikel 8.1. er, overeenkomstig de overwegingen 16 en 21, van die verordening toe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende procedures zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven
(5). Deze bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de in artikel 4 neergelegde beginselbevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de verweerder, moet volgens het Hof van Justitie eng worden uitgelegd en die uitlegging mag niet voorbijgaan aan de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen
(6). Nog altijd volgens het Hof van Justitie volgt daaruit dat voor de toepassing van artikel 8.1 dient te worden nagegaan of er tussen de door dezelfde verzoeker tegen verschillende verweerders ingediende vorderingen een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. In dit verband zij opgemerkt dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat daartoe bovendien vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van dezelfde situatie, feitelijk en rechtens
(7). Tenslotte is het Hof van Justitie van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel onder meer vereist dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen
(8). Met de vaststellingen onder randnummer 6 en het oordeel onder de eerste alinea op pagina 7 dat alleen al uit de dagvaarding zelf blijkt dat de eiseres tegen elk van de gedaagden een verschillende vordering instelt door van elk van hen een verschillend bedrag te vorderen en eiseres dus zelf het onderscheid heeft kunnen maken tussen wat, volgens haar, door elk van de verweersters verschuldigd is en dat het aldus is uitgesloten dat er met elkaar onverenigbare beslissingen zouden worden geveld, geeft de appelrechter te kennen dat artikel 8.1 Brussel Ibis-Verordening geen toepassing vindt met betrekking tot de vorderingen van eiseres tegen de verschillende verweersters en de beslissing dat dat de ondernemingsrechtbank Brussel niet beschikt over de vereiste internationale rechtsmacht om kennis te nemen van die vorderingen naar recht verantwoord. De niet-Belgische verweersters, die elk totaal los van elkaar zonnepanelen hadden gekocht aan een Chinees bedrijf terwijl eiseres instond voor de invoer, bewaring en verdeling op instructie van het Chinees bedrijf, moesten zich er niet aan verwachten dat zij in België zouden kunnen worden gedagvaard voor de gevolgen van fouten begaan door eiseres bij de invoer. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. In zoverre het middel het aanvoert dat de appelrechter bij deze beoordeling geen rekening hield met alle relevante gegevens van de zaak, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. In zoverre het middel de appelrechter verwijt dat de appelrechter voor de toepassing van artikel 8.1 Brussel Ibis-Verordening vereist dat elke van de beslissingen niet afzonderlijk kunnen worden uitgevoerd, is het gericht tegen een overtollig motief en is het in zoverre niet ontvankelijk. ___________________________________________________________________
(1)Bijlage Belgisch Staatsblad 24 juni 2005, nr. 0090237.
(2)Pb.L. 20 december 2012.
(3)DRIJBER B.J., “Conclusie bij HR 21 april 2023”, ECLI:NL:PHR.2022:689.
(4)Voor een overzicht van rechtspraak over artikel 8.1. Brussel 1bis-Verordening zie bijv. VOGEL L., Droit européen des affaires – Traité de droit économique, - tome 4, Bruylant 2020, 770-773; VOGEL L., Compétence judiciaire et reconnaissance des décisions, Bruylant 2015, 71-74; KOLMOS WEIS L., “The application of Article 8
(1)of the Recast Brussels Regulation – Opening the gates for lawsuits in Europe?”, Tijdschrift voor Internationale Handel en Transportrecht 2019/2, 270-275.
(5)HvJ 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, Athenian Brewery en Heineken t. Macedonian Thrace Brewery SA, r.o.20; HvJ 7 september 2023, C-823/21 C 832/21, ECLI:EU:C:2023:635, Beverage City Polska, r.o. 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(6)HvJ 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, Athenian Brewery en Heineken t. Macedonian Thrace Brewery SA, r.o.21; HvJ 7 september 2023, C-823/21 C 832/21, ECLI:EU:C:2023:635, Beverage City Polska, r.o. 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(7)HvJ 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, Athenian Brewery en Heineken t. Macedonian Thrace Brewery SA, r.o.22; HvJ 21 mei 2015, C 352/13, ECLI:EU:C:2015:335, CDC Hydrogen Peroxide, r.o.20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(8)HvJ 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, Athenian Brewery en Heineken t. Macedonian Thrace Brewery SA, r.o.34; HvJ 13 juli 2006, C-103/5, ECLI:EU:C:2006:471, Reisch Montagne, r.o. 25. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.10 citeert: ECLI:EU:C:2006:471 ECLI:EU:C:2015:335 ECLI:EU:C:2023:635 ECLI:EU:C:2025:85 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div