id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 30 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.12 Rolnummer: C.24.0305.N Zaak: D. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-12-16 Raadplegingen: 359 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.12 Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Tekst van de conclusie C.24.0305.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiseres komt op tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, gewezen op 31 juli 2024. Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. Op 17 juni 2024 werd door verweerster een verzoekschrift ingediend bij het bevoegde vredegerecht met het oog op een opneming ter observatie van eiseres (de zus van verweerster). Bij dit verzoekschrift werd een omstandig geneeskundig verslag gevoegd dat werd opgesteld door de huisarts van eiseres. Uit het vonnis van de vrederechter blijkt dat eiseres weigerde haar medewerking in de procedure weigerde. De vrederechter beval op 26 juni 2024 de opname ter observatie in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Alexius te Grimbergen. Tegen dit vonnis stelde eiseres hoger beroep in. Dit hoger beroep werd in het bestreden vonnis ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft voornamelijk de vraag of een huisarts een omstandig geneeskundig verslag bedoeld in artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke mag opstellen en de vraag of het medisch onderzoek dat aan de basis ligt van het omstandig geneeskundig verslag telefonisch kan gebeuren. II. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechters artikel 5.1.e EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, artikel 458 Strafwetboek en artikel 4 van de Wet van 22 april 2019 inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg (verder Wet van 22 april 2019)
(1)te hebben geschonden door: - niet te antwoorden op het middel dat in het verzoekschrift tot hoger beroep was aangevoerd en waarin eiseres liet gelden dat het oorspronkelijk verzoekschrift van verweerster niet ontvankelijk was nu geen rekening kon worden gehouden met het verslag van 13 juni 2024 dat was opgesteld door haar huisarts omdat dit verslag mede steunde op de voorkennis die deze laatste had en dus een schending uitmaakt van het beroepsgeheim van de arts (eerste onderdeel – schending artikel 149 Grondwet) - te oordelen dat artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke geenzins een onverenigbaarheid inhoudt voor de behandelende huisarts en dat alle toepassingsvoorwaarden van dat artikel zijn vervuld en dat het omstandig geneeskundig verslag geenszins behept is met formele gebreken die de niet-ontvankelijkheid van de vordering met zich zouden meebrengen en de vorderingen in het verzoekschrift van 17 juni 2024 ontvankelijk zijn terwijl uit de samenlezing van artikel 5.1.e EVRM, 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, 458 Strafwetboek en artikel 4 van de Wet van 22 april 2019 volgt dat het omstandig geneeskundig verslag bedoeld in artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke, niet mag worden opgesteld door de behandelende huisarts en dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de huisarts haar verslag steunde op haar eigen voorkennis nu er in vermeld is dat eiseres sinds maart 2024 haar consultaties niet meer nakomt en er melding wordt gemaakt van de persoonlijke antecedenten van eiseres, teruggaande tot zaken die hebben plaatsgevonden in 2012 (tweede onderdeel – schending van alle hogervermelde wetsbepalingen met uitzondering van artikel 149 Grondwet) - door te oordelen dat het verslag van de huisarts voldoet aan de vereiste van artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke terwijl uit het verlag blijkt dat de huisarts eiseres niet persoonlijk heeft onderzocht doch louter telefonisch contact had met eiseres op 12 juni 2024 ten een louter telefonisch contact nooit kan volstaan aan de vereisten van voormelde wetsbepaling. III. Eerste onderdeel. (…) IV. Tweede onderdeel. Artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieke luidt als volgt: § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering moet hieraan een omstandig geneeskundig verslag worden toegevoegd dat, op basis van een onderzoek dat ten hoogste vijftien dagen oud is, de gezondheidstoestand van de persoon wiens opneming ter observatie wordt gevraagd evenals de symptomen van de ziekte beschrijft en vaststelt dat is voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 2. Dit verslag mag niet worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant van de zieke of van de verzoeker is of op enigerlei wijze verbonden is aan de psychiatrische dienst waar de zieke zich bevindt”. Vooreerst is er de vaststelling dat de wetgever enkel de geneesheer die een bloed- of aanverwant van de zieke of van de verzoeker is en de geneesheer die verbonden is aan de psychiatrische dienst waar de zieke zich bevindt, heeft uitgesloten als opsteller van het omstandig geneeskundig verslag. De huisarts wordt niet vermeld als zijnde uitgesloten. In de memorie van toelichting bij de Wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke (verder Wet van 16 mei 2024)
(2)kan men het volgende lezen: “De arts die het omstandig geneeskundig verslag opmaakt, mag ook de behandelende arts zijn of mag ook verbonden zijn aan de psychiatrische dienst waar de patiënt verblijft. Dit zijn twee belangrijke nieuwigheden. De vraag of de behandelende arts al dan niet het omstandig geneeskundig verslag in de zin van artikel 5 van de wet kan opstellen, is al eerder een discussiepunt geweest binnen de rechtspraak. De parlementaire voorbereiding van de wet in 1990 bevatte evenwel geen enkel argument voor de beperking van de onverenigbaarheid tot de behandelende arts(en). Het ging echter om een onverenigbaarheid die binnen de rechtspraak werd ontwikkeld. Zo wordt gesteld dat de behandelende arts van de betrokken persoon onvoldoende onafhankelijkheid en objectiviteit heeft om het omstandig geneeskundig verslag op te stellen. Bovendien zou ook de therapeutische relatie tussen de arts en diens patiënt in dergelijk geval op de helling kunnen komen te staan. Wat de mogelijke impact betreft op de therapeutische relatie van de behandelende arts en diens patiënt die het voorwerp vormt van het omstandig geneeskundig verslag, moet echter worden opgemerkt dat de beoordeling hiervan gebeurt door de behandelende arts zelf. Ook wanneer een behandelend arts als verzoeker zelf een gedwongen opname eist van diens patiënt, kan dit impact hebben op diens therapeutische relatie met de patiënt en moet de arts dezelfde afweging maken. Indien de patiënt of zijn advocaat de objectiviteit van de arts in twijfel zouden trekken, kunnen ze aan de vrederechter vragen om het omstandig geneeskundig verslag door een andere arts te laten opmaken. De beslissing van de vrederechter moet wel zoveel mogelijk voor de hoorzitting plaatsvinden, zodat hij dan over een ander omstandig geneeskundig verslag kan beschikken tijdens de hoorzitting. De nieuwe arts dient uiteraard ook te voldoen aan de voorwaarden om een omstandig geneeskundig verslag op te maken…”
(3). De wetgever zelf lijkt er dus ook vanuit te gaan dat onder de gelding van de Wet Bescherming Persoon Geesteszieken, zoals van kracht vóór de wijziging ervan door de Wet van 16 mei 2024, het ook was toegestaan dat de huisarts een omstandig geneeskundig verslag kan opstellen. Uit de parlementaire voorbereiding bij de Wet Bescherming Persoon Geesteszieken blijkt dat de wetgever er effectief van uitging dat een huisarts een omstandig geneeskundig verslag kan opstellen. Men kan lezen: - “Op vraag van een lid of de geneesheer van de zieke het verzoekschrift mag indienen, werd door een lid positief geantwoord doch in dat geval zal het omstandig geneeskundig verslag dat is vereist, door een andere geneesheer moeten worden opgemaakt”
(4). - “Een lid stelde voor aan artikel 5 een tekst toe te voegen waarin wordt bepaald dat het verslag niet mag worden opgesteld door een geneesheer die een bloed- of aanverwant is van de zieke of van de verzoeker of op enigerlei wijze verbonden is aan de psychiatrische dienst waar de zieke zich bevindt. De leden waren het volledig eens met deze tekst. Hij is van aard om te vermijden dat er welkdanige druk wordt uitgeoefend om een persoon te laten opnemen. Dit is dan ook de reden waarom, op voorstel van een lid, de geneesheer geen bloed-of aanverwant mag zijn, zowel van de zieke als van de verzoeker. Deze tekst wil ook elke invloed vanwege de instelling tegengaan om een zieke in die instelling te behouden. Onder bloed- en aanverwanten wordt eveneens de echtgenoot bedoelt. De gebruikte terminologie stemt overeen met deze die geldt in getuigschriften. Uit de toevoeging vloeit dan meteen voort dat op een andere geneesheer een beroep zal moeten worden gedaan wanneer een procedure wordt ingesteld om een persoon die zich vrijelijk heeft laten opnemen, in de instelling te behouden zo de geneesheer van de instelling van oordeel is dat de toestand van de persoon van die aard is dat hij de instelling niet kan verlaten”
(5). In de rechtspraak van de feitenrechters heerst er verdeeldheid
(6). Ook in de doctrine is eenzelfde verdeeldheid te zien. Sommigen zijn van mening dat een behandelend arts geen omstandig geneeskundig verslag als bedoeld in artikel 5, § 2, Wet Bescherming Persoon Geesteszieken mogen opstellen omdat de huisarts zijn patiënt zo goed kent dat er nooit kan voldaan zijn aan de voorwaarde van een objectief medisch deskundigenonderzoek vereist door het EHRM en omdat er onmogelijk kan worden uitgesloten dat huisarts bij het opstellen van het verslag ook gebruik maakt van informatie waarover hij reeds beschikte vóór het onderzoek dat aan de basis ligt van het verslag
(7). Anderen zijn van mening dat de onverenigbaarheden moeten worden beperkt zoals deze uit de wet voortvloeien
(8). Uit de rechtspraak van het EHRM in verband met artikel 5.1.e) EVRM volgt dat voor detentie van geesteszieken, de geestesziekte moet zijn vastgesteld op basis van een objectief medisch deskundigenonderzoek
(9)dat voldoende recent is
(10). Slechts in specifieke zaken vereist het EHRM dat dit onderzoek door een psychiater wordt uitgevoerd
(11). Het begrip 'objectief medisch onderzoek' werd niet verder uitgewerkt in de rechtspraak van het EHRM. De taak van het EHRM bestaat erin na te gaan of het medisch bewijs op voldoende wijze geleverd werd. De beoordeling van het bewijs laat het EHRM in eerste instantie aan de lidstaten over. Er is dus een vermoeden dat de medische verslagen correct zijn totdat het tegendeel bewezen wordt
(12). Volgens de toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de mens weerspiegelt de vereiste van een objectief medisch onderzoek een dubbel oogmerk. Enerzijds beschermt dit de geesteszieke tegen een ernstige kans op misbruik indien de vrijheidsberoving enkel op beweringen van familieleden of buren zou berusten. Anderzijds wordt de arts aldus verplicht om zijn diagnose te verklaren en te rechtvaardigen aan de hand van objectief waarneembare gegevens
(13). Er lijkt volgens mij dan ook geen bezwaar te bestaan vanuit mensenrechtelijk perspectief dat een behandelende arts, in casu de huisarts, een omstandig geneeskundig verslag opstelt ten behoeve van de familie van een geesteszieke met het oog op het opstarten van een niet-dringende procedure gedwongen opname. Het onderdeel berust dus op een verkeerde rechtsopvatting en faalt naar recht. V. Derde onderdeel. Het hoger geciteerde artikel 5, § 2, eerste lid, Wet Persoon Geesteszieke sluit volgens mij niet uit dat het omstandig geneeskundig verslag wordt gebaseerd op een mondeling telefonisch onderzoek voor zover het ten hoogste vijftiendagen oud is. Telefonisch medisch onderzoek lijkt niet onmogelijk te zijn daar het RIZIV raadplegingen op afstand door artsen een lange tijd heeft terugbetaald
(14). Bovendien blijkt ook uit de medische literatuur dat een telefonisch psychiatrisch onderzoek niet onmogelijk is
(15). Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht. Conclusie: Verwerping. _______________________________________________________________
(1)BS 14 mei 2019.
(2)BS 27 mei 2024.
(3)Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, KAMER 2023-2024, 1 december 2023, 55-3721/001, 23.
(4)Verslag bij het ontwerp van wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, SENAAT 1988-1989, 6 december 1989, 733/2, 24; hetzelfde geldt ten andere voor de huidige bepaling (zie Mvt bij het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, KAMER 2023-2024, 1 december 2023, 55-3721/001, 24.
(5)Verslag bij het ontwerp van wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, SENAAT 1988-1989, 6 december 1989, 733/2, 34-35.
(6)Een huisarts kan een omstandig geneeskundig verslag opstellen: vb. Rb. Leuven 7 februari 2014, T.Vred. 2014, 367; Vred. Charleroi, 27 juni 2018, T.Vred. 2019, 313; Vred. Leuven 26 februari 2014, T.Gez. 2014-2015,
- Vred. Leuven 20 november 1996, T.Gez. 1999-2000,
- Een huisarts kan geen omstandig geneeskundig verslag opstellen: vb. Rb. Luik 30 juni 2009, T.Vred. 2010, 4; Rb. Turnhout 22 november 2004, RW 2006-07, 1247; Vred. Roeselare 10 maart 1999, RW 1999-2000, 567, noot H. Nys; Vred. Roeselare 29 november 2005, RW 2006-07, 486; Vred. Roeselare 17 december 2007, T.Vred. 2009, 96.
(7)Vb. NYS H., Geneeskunde. Recht en medisch handelen, APR, Kluwer 2016, 286, nr. 637; NYS H., “De problematiek van het omstandig geneeskundig verslag”, in BENOIT G. e.a. (eds.), De bescherming van de persoon van de geesteszieke. Ethische, medische en juridische perspectieven, die Keure 2010, 165. NYS H., “De bescherming van de persoon van de geesteszieke, aanvullende beschouwingen”, RW 1991-92, 359; Zie echter ook dezelfde auteur met meer nuancering naar aanleiding van wetswijziging in 2024: NYS H., “Commentaar bij art. 5 Geesteszieke”, in VERSCHELDEN G. en WUYTS T. (eds.), Personen- en familierecht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2024, 7-9; Andere auteurs volgen de stelling van NYS, vb. VEYS M.-N., “De jurisprudentiële uitbreiding van de onverenigbaarheden in de persoon van de arts die het omstandig geneeskundig verslag opstelt” (noot onder Vred. Kortrijk (2de kanton) 22 maart 2007) , RW 2007-2008, 623); ROTTHIER K., “De gedetineerde en de Wet Persoon Geesteszieke”, (noot onder Vred. Leuven (2de kanton) 18 juli 2011), RW 2012-2013, 1512). Andere auteurs menen dat een behandelende arts in beginsel wel een omstandig verslag kan opstellen omdat de Wet Bescherming Persoon Geesteszieke die niet uitsluit: vb. MEERT-VAN DEPUT R., “La transmission des informations médicales”, in BENOIT G., I. BRANDON I. en GILLARD J. (eds.), Malades mentaux et incapables majeurs, Facultés universitaires Saint-Louis, 1994, 195; C. LEMMENS, “Hoofstuk 3 – De dwangopneming van geesteszieken” in VAN SWEEVELT T. en DEWALLENS T., Handboek gezondheidsrecht Volume II (tweede editie), Intersentia 2022, 1123, nr. 2159.
(8)Vb. LELEU Y.H., “Droit des personnes et des familles, Larcier 2020, 250; VAN DROMME S., “De taken van het openbaar ministerie bij de bescherming van geesteszieken” in SWENNEN F., WUYTS T. (eds.), Beschermde personen in recht en praktijk, Larcier 2020, 97-98; SCHEERS D., “De vrederechter en de bescherming van de geesteszieke”, in SWENNEN F., WUYTS T. (eds.), Beschermde personen in recht en praktijk, Larcier 2020,
- R. VERMEIREN, “Omstandig geneeskundig verslag in de zin van art. 5, § 2 Wet Persoon Geesteszieken”, (noot onder Rb. Antwerpen (afd. Mechelen) 8 november 2018), T. Gez. 2021-22, 122). S. DE MEUTER, “De maatregelen ten aanzien van de persoon van de geesteszieke”, in G. BAETEMAN (ed.), Het nieuwe statuut van de (geestes)zieken. Wetten van 1990-1991, Kluwer, Deurne, 1992,
- (J. RAMPELBERG, “Recht van antwoord”, T. Gez. 2014, 15). B. JANSSENS, “Kritische noot op de noot J. HANTSON”, T. Vred. 2016, 370-371); VERSCHELDEN G., “Handboek Belgisch Personen-, familie- en relatievermogensrecht”, Brugge, die Keure 2023, I, 542, nr. 1136.
(9)EHRM 4 december 2018, Ilnseher t Duitsland, § 129 met verwijzing naar andere precedenten.
(10)EHRM 4 december 2018, Ilnseher t Duitsland, § 131 met verwijzing naar andere precedenten.
(11)EHRM 4 december 2018, Ilnseher t Duitsland, § 130 met verwijzing naar andere precedenten.
(12)VANLEDE K., “Deel I De opname en behandeling van geestesgestoorden en de bescherming van de mensenrechten”, in SENAEVE P., Het statuut van de geestesgestoorden; Maklu 1999,
(17)28.
(13)ECRM, Winterwerp / Nederland, nr. R 6301/73, 15 december 1977, Publ. Cour. eur. D.H., Serie B, nr. 31, § 76.
(14)https://www.riziv.fgov.be/nl/thema-s/verzorging-kosten-en-terugbetaling/wat-het-ziekenfonds-terugbetaalt/raadplegingen-op-afstand-door-artsen. Pas sinds 15 februari 2025 is het honorarium door het RIZIV op 0 gesteld.
(15)HOEK I. en HOVENS J.E., “Psychiatrische diagnostiek via de telefoon?”, Tijdschrift voor psychiatrie nr. 53 2011/7, 419-424. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251030.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251030.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div