← België

GEBROEDERS HENDRICKX contra AG INSURANCE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.8 Rolnummer: C.24.0246.N Zaak: GEBROEDERS HENDRICKX contra AG INSURANCE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-15 07:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.8 Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - AANSPRAKELIJKHEID - Werknemer. Werkgever Tekst van de conclusie C.24.0246.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN: 1. Eiseressen tot cassatie komen op tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen gewezen op 13 februari 2024. Er worden twee middelen aangevoerd. 2. Afstand. Door eiseressen wordt afstand gedaan van hun voorziening in cassatie voor zover die gericht is tegen de tweede verweerster. Deze afstand kan worden verleend. 3. Wat betreft het eerste middel. a. Probleemstelling. Huidig geschil betreft de problematiek van de uitoefening van terugvorderingen van de in het kader van een arbeidsongeval betaalde schadevergoedingen. De schade werd veroorzaakt door samenlopende fouten, waarvan één begaan door de werkgever. De vraag die zich stelt is of deze werkgever kan worden aangesproken door een andere medeaansprakelijke, of de aansprakelijkheidsverzekeraar van deze laatste, zo zij de schade hebben vergoed aan de arbeidsongevallenverzekering van de werkgever. Het betreft dus een vordering inzake het deel van de schadevergoeding dat overeenstemt met het aandeel van de werkgever in de schade. Uit de niet betwiste beoordeling van de appelrechter blijkt dat er sprake is van een toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 7° Arbeidsongevallenwet

(1)zodat de werkgever zich niet op de in deze wet voorziene werkgeversimmuniteit kan beroepen. Hieruit volgt dat een vordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid kan gesteld worden tegen de werkgever. In casu. betreft dit eerste eiseres. Het standpunt van eiseressen tot cassatie is echter dat doordat zij de arbeidsongevallenverzekeraar integraal heeft vergoed, eerste verweerster als aansprakelijkheidsverzekeraar van een andere, niet in het geding zijnde schadeveroorzaker, in de rechten en rechtsvorderingen van deze laatste treedt en dus gesubrogeerd wordt in de rechten van de arbeidsongevallenverzekeraar. Het is evenwel zo dat de arbeidsongevallenverzekeraar geen vorderingen kan stellen tegen zijn eigen verzekerde, zijnde eerste eiseres, de werkgever van het slachtoffer. De arbeidsongevallenverzekering komt immers bij de vergoeding van de schade van het slachtoffer zijn contractuele verplichtingen na. Derhalve kan eerste verweerster, volgens het standpunt van eiseressen, als gesubrogeerde in de rechten van de arbeidsongevallenverzekeraar ook geen vorderingen stellen tegen eerste eiseres. b. Beoordeling. In het kader van een arbeidsongeval is het mogelijk, zoals in huidige zaak, dat benevens een derde ook de werkgever een fout begaat. De derde die samen met de werkgever aansprakelijk wordt gesteld, kan, gelet op de in solidum gehoudenheid, voor de gehele schade worden aangesproken. Uw Hof oordeelde in het arrest van 17 juni 1982
(2)dat er bij een in solidum veroordeling diegene die de schade vergoed heeft tegen de medeaansprakelijke een vordering kan instellen op grond van zowel artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek als 1251, 3° van hetzelfde wetboek. Bij een integrale vergoeding van de benadeelde door één der veroorzakers van de schade zal er in hoofde van deze laatste een “eigen schade” ontstaan, althans in zoverre dit zijn deel van de aansprakelijkheid overstijgt. Immers zijn fout was niet de enige die de oorzaak was van de schade die de benadeelde geleden heeft. Hij heeft derhalve op dat ogenblik een schade vergoed die mede te wijten is aan de fout(en) van de medeaansprakelijke(n)
(3). Zoals terecht geoordeeld werd door de appelrechter betreft de vordering van eerste verweerster tegen eerste eiseres een vrijwaringsvordering tegen een medeaansprakelijke
(4). Het is dus niet als gesubrogeerde van de arbeidsongevallenverzekeraar dat eerste verweerster haar vorderingen stelt tegen eerste eiseres. De appelrechter die oordeelt dat: - betreffende het arbeidsongeval er sprake is van een eigen aansprakelijkheid, in hoofde van de werkgever, eerste eiseres, voor het arbeidsongeval; - de werkgever bij toepassing van artikel 46, § 1, eerste lid, 7° Arbeidsongevallenwet geen beroep kan doen op de in deze wet voorziene immuniteitsregels; - de werkgever, alsook de verzekerde van eerste verweerster, elk voor 50% aandeel hebben in de schade. verantwoordt naar recht zijn oordeel dat eerste eiseres eerste verweerster dient te vrijwaren ten belope van 50% van de door deze laatste aan de arbeidsongevallenverzekering betaalde sommen. 4. Het tweede middel. (…) Conclusie: verlenen van de afstand en verwerping voor het overige. __________________________________________________________
(1)Bestreden beslissing pagina 25.
(2)Cass. 17 juni 1982, AC 1981-82, nr. 627.
(3)M. VAN QUICKENBORNE en J. DEL CORRAL, De verbintenis in solidum, in Bijzondere overeenkomsten – Commentaar met overzicht rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, p. 37.
(4)Bestreden beslissing pagina 21. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.