id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.9 Rolnummer: C.24.0466.N Zaak: Kliniek Sint-Jan vzw contra M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 340 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.9 Fiche Wanneer de beheerder een beslissing tot afzetting neemt, doet de ongeldigheid van het advies van de medische raad op zich niet af aan de geldigheid van de beslissing van de beheerder
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARTS Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde Wet 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen - 10-07-2008 - Art. 16 - 90 ELI link Pub nr 2008A24327 Gecoördineerde Wet 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen - 10-07-2008 - Art. 137, eerste lid, 7° - 90 ELI link Pub nr 2008A24327 Tekst van de conclusie C.24.0466.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiseres tot cassatie komt op tegen een arrest van het hof van beroep te Brussel gewezen op 8 december
- Er wordt één middel aangevoerd.
- Wat betreft het middel. a. Probleemstelling. De problematiek in huidig geschil betreft de procedure van de wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen inzake de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer. Inzonderheid gaat het over de vraag wat de impact is van een mogelijke schending van het recht van verdediging van de betrokken arts indien hij door de medische raad, in het kader van de wettelijk bepaalde adviesprocedure, niet wordt gehoord terwijl andere partijen wel gehoord werden. De appelrechters oordeelden dat het niet horen een schending van het recht van verdediging vormde waardoor de geldigheid van de beslissing van de medische raad was aangetast en derhalve ook de geldigheid van de beslissing van eiseres inzake de afzetting om dringende reden
(1). b. Beoordeling. Ik deel niet het standpunt van de appelrechters. De tussenkomst van de medische raad is geregeld in de, in deze toepasselijke versie van de, artikelen 137 e.v. van de voormelde wet van 2008. Volgens de vastgestelde, en niet-betwiste feiten, betrof het een afzetting om dringende reden. Uit artikel 137, eerste lid, 7° en vierde lid, volgt dat het advies van de medische raad bij een ontslag om dringende reden niet vereist is, tenzij de feiten die het ontslag rechtvaardigen ten minste 3 werkdagen bekend zijn. De appelrechters stellen, niet bekritiseerd, vast dat het algemeen reglement van het ziekenhuis, in zijn artikel 5, een ruimere bescherming biedt dan wat voorzien is in de wet in die zin dat het advies van de medische raad vereist is ongeacht het tijdstip waarop de feiten gekend zijn
(2). Dus op basis van het algemeen reglement, dat van toepassing was op huidig geschil gelet op de overeenkomst tussen eiseres en eerste verweerder, diende het advies van de medische raad worden ingewonnen. Het bestreden arrest
(3)stelt, niet bekritiseerd, vast dat de medische raad unaniem besloten heeft tot akkoord met het voorstel van de raad van beheer tot afzetting van verweerder. Daar het een unaniem gunstig advies is, is er geen sprake van de toepassing van artikel 139 van de wet van 2008 dat nageleefd dient te worden wanneer twee-derde van de medische raad zich verzet heeft tegen de afzetting. Zoals hoger gesteld betreft huidige problematiek de vraag wat de impact is van een gebeurlijk onregelmatig advies van de medische raad op de afzetting die hierop volgt. De door de appelrechters weerhouden onregelmatigheid betreft het niet horen van eerste verweerder waardoor zijn recht op verdediging werd geschonden. De appelrechters oordelen, en dit wordt niet door de partijen betwist, dat er geen sprake is van een hoorplicht noch in de wet van 2008, noch in het algemeen reglement van het ziekenhuis. Bij afwezigheid van een wettelijke of conventionele verplichting ter zake stelt zich de vraag wat, zo het niet horen van de betrokkene een schending van diens recht op verdediging is en er een onregelmatig advies van de medische raad is, de impact ter zake is op de beslissing tot afzetting. Desbetreffend dien ik te verwijzen naar de rechtspraak van Uw Hof. Inzonderheid betreft dit Uw arrest van 7 december 2020
(4). Uw Hof oordeelde toen dat zo de medische raad een ongeldig advies uitbracht dit, in de regel, geen afbreuk doet aan de regelmatigheid van de beslissing tot afzetting. Uw Hof overwoog in het arrest van 2020 dat uit de samenhang tussen de artikelen 137 e.v. van de wet van 2008 volgt dat: “voor zover hij de medische raad schriftelijk om advies heeft gevraagd over de voorgenomen afzetting van de ziekenhuisarts en de medische raad zich niet met een tweederde meerderheid van de stemgerechtigde leden tegen de voorgenomen afzetting uitspreekt, de beheerder de beslissing tot afzetting kan nemen
(5). De omstandigheid dat het advies van de medische raad niet geldig zou zijn uitgebracht, doet daaraan, in de regel, niet af”. Een foutief handelen van de medische raad bij zijn adviesverlening heeft derhalve, op zich, niet tot gevolg dat het optreden van de beheerder van het ziekenhuis, die tot afzetting van de ziekenhuisarts overgaat, tevens foutief zou zijn. Een foutief optreden van dit adviesorgaan tast zodoende, op zich, op generlei wijze de beslissing tot afzetting aan. Zoals terecht aangehaald in het middel wordt aan de regelmatigheid van de afzetting wegens dringende reden, na gunstig advies van de medische raad die de betrokken arts niet voorafgaandelijk hoorde, geen afbreuk gedaan door het feit dat dergelijke afzetting wegens dringende reden ‘raakt aan het tuchtrecht’, noch door het feit dat andere personen wel werden gehoord door de medische raad, noch door het feit dat de feiten waarop de beëindiging werd gesteund wortelden in een langdurig conflict van persoonlijke en professionele aard, noch door het feit dat een advocaat werd gehoord tijdens de zitting van de medische raad, noch door het feit dat eiseres een Permanent Overlegcomité had ingericht
(6). Het is slechts indien de fout van het adviesorgaan tevens aan te rekenen is aan de beheerder, die de beslissing tot afzetting neemt, dat er een relevante impact zou zijn. De appelrechters die echter op grond van de enkele ongeldigheid van de beslissing van de medische raad oordelen dat de geldigheid tot afzetting van eerste verweerder wordt aantast verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing. Conclusie: Cassatie. _________________________________________________________________
(1)Bestreden beslissing pag. 11.
(2)Bestreden beslissing pag. 8.
(3)Bestreden beslissing pag. 7 en 8.
(4)Cass. 7 december 2020, AR C.19.0129.N, onuitgegeven.
(5)Aspect dat hier niet aan de orde is gelet op het unaniem gunstig advies inzake de afzetting.
(6)Voorziening in Cassatie pag. 7. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div