← België

PG HB BRUSSEL INZAKE BS, FINANCIEN C.DA. S.C.–T

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.3 Rolnummer: C.24.0093.N Zaak: PG HB BRUSSEL INZAKE BS, FINANCIEN C.DA. S.C.–T Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-06-18 20:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.3 Fiches 1 - 2 Onder geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet moet worden verstaan geschillen tussen de belastingplichtige en de fiscale administratie betreffende het bestaan en het bedrag van een fiscale schuld; daarentegen zijn geschillen met betrekking tot de invordering van de belasting geen geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet in de zin van artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 569, eerste lid, 32° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOEGDHEID Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 569, eerste lid, 32° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Tekst van de conclusie C.24.0093.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
  1. Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat de fiscale administratie de verweerster dagvaardt in faillissement voor de ondernemingsrechtbank. De verweerster stelt een tegenvordering in waarin ze diverse betwistingen opwerpt met betrekking tot de afrekening van de fiscus, informatie opvraagt over de reeds beslagen bedragen, de intresten, en terugbetaling vordert van BTW-tegoeden. De ondernemingsrechtbank stuurt de zaak naar de arrondissementsrechtbank die oordeelt dat de ondernemingsrechtbank bevoegd is.
  2. Tegen die beslissing over de materiële bevoegdheid stelt procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel cassatieberoep in, met een middel en twee onderdelen. 2 Bespreking.
  3. Het eerste onderdeel voert in het bijzonder de schending aan van artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W. omdat volgens de procureur-generaal niet de ondernemingsrechtbank, maar wel de (fiscale kamer van) de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om kennis te nemen van het geschil wegens de tegenvordering van de belastingschuldige die volgens de procureur-generaal betrekking heeft op het bestaan en het bedrag van de fiscale schuld.
  4. Artikel 569, eerste lid, 32°, Ger.W. bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt van geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet. Het is gevestigde rechtspraak van het Hof dat geschillen met betrekking tot de invordering van de belasting geen geschillen zijn betreffende de toepassing van de belastingwet
(1). Gelet op de dagvaarding in faillissement en de vordering tot betaling van de belasting, lijkt het oordeel van de arrondissementsrechtbank evident juist (zie hierover verder) en het cassatieberoep niet te slagen. 5. Het cassatieberoep betrekt de tegenvordering in de beoordeling van de materiële bevoegdheid van de rechtbank. Het is niet omdat de ondernemingsrechtbank bevoegd is kennis te nemen van de dagvaarding in faillissement dat deze rechtbank daarom ook bevoegd is kennis te nemen van de tegenvordering die mogelijks betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet. Dit wordt geregeld door artikel 563 Ger.W. De bevoegdheid moet worden beoordeeld op het ogenblik van de neerlegging ter griffie van de conclusie die de tegenvordering bevat, en niet op het ogenblik van de inleiding van de door de eiser ingestelde (hoofd)vordering
(2). Wat betreft de ondernemingsrechtbank voorziet artikel 563, tweede lid, Ger.W. dat deze rechtbank kennis neemt van de tegenvorderingen die, ongeacht hun bedrag, onder hun volstrekte bevoegdheid vallen of die ontstaan hetzij uit de overeenkomst, hetzij uit het feit dat ten grondslag ligt aan de oorspronkelijke vordering. Indien de bevoegdheid van de rechter om de tegenvordering te beslechten, wordt betwist, dan treden naargelang het geval de artikelen 639-643, 660-663 of 88, § 2 Ger. W. in werking. De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het voorwerp van de vordering
(3). Afhankelijk van het voorwerp van de tegenvordering kan deze, los van de ingestelde hoofdvordering, worden afgesplitst en verwezen naar de bevoegde rechter
(4). 6. Blijft aldus de vraag over het voorwerp van de tegenvordering van de belastingschuldige. Verwijzend naar het arrest van het Hof van 25 januari 2018, dat vermeldt dat “de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om, na uitputting door de belastingschuldige van het voorafgaande administratief beroep, uitspraak te doen over alle geschillen tussen de belastingschuldige en de fiscale administratie betreffende het bestaan en het bedrag van een fiscale schuld”, voert het cassatieberoep aan dat de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is omdat de belastingschuldige het bedrag van de openstaande belastingen betwist. Deze te extensieve interpretatie van de verzoeker over “de betwisting van het bedrag van de fiscale schuld” stemt mijns inziens niet overeen met de bedoeling van de wetgever en de rechtspraak van het Hof. Daar waar de rechtspraak van het Hof erop doelt dat geschillen over de invordering van belastingen in beginsel niet onder de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg vallen (art. 569, eerste lid, 32°, Ger.W.), zou die regel worden uitgehold indien elke betwisting over het bedrag van de belasting toch voor de (fiscale kamer van de) rechtbank van eerste aanleg moet worden gebracht. Uit de stukken waarop acht mag worden geslagen, blijkt duidelijk dat de tegenvordering hier de berekening betreft van intresten en compensaties van tegoeden, niet over de berekening van de fiscale schuld zelf. De tegenvordering betreft niet het bedrag van de belastbare grondslag of de vestiging van de belastingschulden
(5). De arrondissementsrechtbank heeft de bestreden beslissing in die zin naar recht gemotiveerd waardoor het eerste onderdeel niet kan worden aangenomen. 7. Het lijkt me van belang enige nuances op te merken over de (algemeen geformuleerde) regel dat geschillen over de invordering van belastingen niet onder de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg vallen. Zo lijkt er geen betwisting over te bestaan dat geschillen met betrekking tot de kwijtschelding van nalatigheidsintresten behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de fiscale rechtbank
(6). Een andere situatie betreft de wisselende rechtspraak over de materiële bevoegdheid met betrekking tot de aansprakelijkheid van bedrijfsleiders voor de fiscale schulden van de vennootschap
(7). Hoewel het (aanvankelijk) duidelijk fiscale bepalingen betrof (de oude artikelen 442quater, WIB92, en art 93undeciesC, § 1, W.btw)
(8)oordeelden arrondissementsrechtbanken dat het soms een fiscaal geschil, soms in essentie een aansprakelijkheidsvordering betreft waarvoor krachtens artikel 574, 1° Ger.W. de ondernemingsrechtbank bevoegd is
(9). Het Hof oordeelde bij arrest van 19 september 2014 dat dit geen aansprakelijkheidsvordering betreft
(10), hetgeen volgens PAREIN en HENDRICKX geen gegronde reden vormt om deze vorderingen als fiscale geschillen aan te merken
(11). Onder de geschillen omtrent de toepassing van een belastingwet, ressorteren ook geschillen tussen twee particulieren of ondernemingen aangaande de toepassing van een belastingwet
(12). Nog niet volledig uitgeklaard, is de materiële bevoegdheid in de vele mogelijke pre- en posttaxatiegeschillen
(13).
  1. In het tweede onderdeel stelt het cassatieberoep dat de arrondissementsrechtbank niet wettig beslist dat zij heeft beslist na eensluidend advies van de procureur des Konings, aangezien het in werkelijkheid een andersluidend advies betrof.
  2. In het overwegend gedeelte van het vonnis vermeldt de arrondissementsrechtbank dat de procureur des Konings het advies gaf om de zaak te verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Hoewel de arrondissementsrechtbank dit advies niet volgt, vermeldt het wel in het beschikkend gedeelte van het vonnis dat het werd gewezen op eensluidend advies van de procureur des Konings. Uit de lezing van het vonnis blijkt duidelijk dat de vermelding “eensluidend” een materiële vergissing betreft die het Hof kan rechtzetten, waardoor het onderdeel zonder belang is en niet ontvankelijk.
  3. Daarenboven is het onderdeel vreemd aan de aangevoerde geschonden bepalingen (artt. 9, tweede lid, 563, 568 en 569, eerste lid, 32°, Ger.W.).
  4. Zoals de arrondissementsrechtbank opmerkt, behoort de materiële bevoegdheid tot de openbare orde (zie o.a. art. 854 Ger.W). Krachtens artikel 138bis, Ger.W. komt het openbaar ministerie in burgerlijke zaken tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt. Artikel 641, derde lid Ger.W. maakt een bijzondere wet uit in de zin van artikel 764, 11° Ger.W. in welk geval het Openbaar Ministerie een advies verleent (zie ook art. 764, lid 3 Ger.W.). Uit de bestreden beslissing blijkt dat de procureur des Konings zijn advies heeft gegeven. Deze bepalingen zijn niet geschonden door een verkeerde weergave van de inhoud van het advies, die overigens voortkomt uit een materiële vergissing. Zelfs indien deze bepalingen in het middel als geschonden zouden zijn opgenomen, zou de schending ervan niet kunnen worden aangenomen. Conclusie: verwerping. ________________________________________________________________
(1)Zie Cass. 27 juni 1996, AR C.93.0427.N, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960627.13, AC 1996, nr. 264; Cass. 10 juni 1999, AR C.98.0509.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990610.23, AC 1999, nr. 349; Cass. 9 november 2000, AR C.99.0252.F, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001109.25, AC 2000, nr. 610; Cass. 1 december 2005, AR C.03.0030.N, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.4, AC 2005, nr. 637; Cass. 5 mei 2017, AR F.15.0181.N, AC 2017, nr. 314, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.4; Cass. 25 januari 2018, AR C.16.0534.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180125.2, met concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180125.2, AC 2018, nr. 56.
(2)MOSSELMANS S., Tussenvorderingen, Reeks APR, randnr. 260, 171, en de verwijzing aldaar naar Cass. 4 maart 1966, Pas. 1966, I, 854.
(3)Cass. 13 oktober 1997, AR S.96.0157.F, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971013.5, AC 1997, 401; Cass. 4 mei 1981, AR 22883, ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19810504.4, AC 1980-81, 996; Cass. 24 september 1979, AC 1979-80, 89.
(4)MOSSELMANS S., “Tussenvorderingen”, Reeks APR, randnr. 269, 174, en de verwijzing aldaar naar Arrondrb. Luik 8 oktober 1981, JT 1982, 432, noot G. DE LEVAL; Arrondrb. Luik 10 maart 1983, Jur. Liège 1983, 185; Rb. Luik 2 september 1986, JLMB 1987, 682, noot G. DE LEVAL.
(5)S. GATSOS, C. DILLEN en V. VERCAUTEREN, “Over een beslagrechter met fiscale ambities”, TFR 2020, afl. 574, 84; E. VAN DE VELDE, “De geschillen betreffende de toepassing van de art. 569, eerste lid, 35° Ger.W. Een analyse van achtergrond en betekenis”, AFT 2005, afl 2, 4; H. LOUVEAX, “La competence exclusive du tribunal de première instance portant sur les contestations relatives à l’application d’une loi d’impôt et les compétences anciennement exercées par la section d’administration du Conseil d’État en matière fiscal”, in M. BOURGEOIS, I. RICHELLE en F. CRABEELS (eds.), En quête de fiscalité, et autres propos … Mélanges offert à Jean-Pierre Bours, Brussel, Larcier 2011, 555; VANCOLEN en H. VANLANDEGHEM, “Het lot van een prejudiciële vraag gesteld door een ‘onbevoegde’ rechter – In fiscalibus”, TFR 2013 afl. 448, 782.
(6)Parl.St. Kamer 2018-2019, nr. 54-3626/001, 85; DELANOTE M., “Invordering federale fiscale schulden”, Kluwer 2020, 94; M. LOYENS, “De invordering van de directe belastingen”, Brussel, Bruylant 2005, 35-36, nr. 55; RvSt., 22 december 1999, arrest nr. 84.318, ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.84.318, waarin de Raad van Sate het onderscheid maakt tussen geschillen die al dan niet betrekking hebben op de inning van een belasting.
(7)A. JANSEN, “Responsabilité des dirigeants de sociétés à l’égard de l’administration fiscale (loi-programme du 20 juillet 2006): l’administration ouvre le feu!”, DAOR 2010, afl. 94, 186-208; A. VANDERHAEGHEN, “Bijzondere bevoegdheid rechtbank van koophandel”, NjW 2013, afl. 287, 663.
(8)Thans art 54 e.v. Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen.
(9)Arrondrb. Dendermonde 21 november 2012, NJW 2018, afl. 287, 662; Arrondrb. West Vlaanderen, 19 februari 2016, TFR 2018/12, afl. 544, 631; Arrondrb. Verviers 9 maart 2012, JLMB 2012, 871; Kh. Kortrijk 17 mei 2011, TGR-TWVR 2012, 186 met noot; Kh. Antwerpen 17 juni 2013, TRV 2014, 403 met noot S. DE GEYTER.
(10)Cass. 19 september 2014, AR F.12.0206.N, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140919.13, AC 2014, nr. 538.
(11)F. PARREIN, “De bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde bedrijfsvoorheffing en de bevoegde rechter” (noot onder Arrondrb. Antwerpen 13 november 2015), TBH 2017, nr. 4,
(451)454; H. DE CONINCK, “De hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden en de bevoegde rechtbank: de saga duurt voort”, TFR 2018, afl. 544, 632-635; Deze laatste auteur concludeert m.i. terecht dat uit de conclusie van advocaat-generaal THIJS bij het arrest van 19 september 2014 voldoende duidelijk blijkt dat het Hof inderdaad (in eerste instantie) heeft willen duidelijk maken dat de bijzondere regeling van artikel 442quater WIB 1992 (evenals art. 93undeciesC WBTW) een hoofdelijke derdenaansprakelijkheid instelt in de zin van artikel 1200 BW, en niet slechts een gewone aansprakelijkheid in de zin van artikel 1382 BW, zonder daarmee te willen stellen dat het een fiscaal geschil betreft. zie Concl. advocaat-generaal THIJS bij Cass. 19 september 2014, AR F.12.0206.N, AC 2014, nr. 538, ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140919.13.
(12)MvT, Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 1341/1-1342/1, 37; Verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden uitgebracht door de heren Coene en Santkin, Parl. St. Senaat 1998-99, nr. 966/11, 95.
(13)Zie o.a. DUBOIS H., “Wie beoordeelt de administratieve beslissing over een genadeverzoek?”, TFR 2024, afl. 669, 974; VAEL G., PIERREE S., “Les actions judiciaires en droit fiscal avant l'établissement de l'impôt”, RGFCP 2023, afl. 6, 4-21. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:1981:ARR.19810504.4 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960627.13 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971013.5 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990610.23 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001109.25 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051201.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140919.13 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140919.13 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180125.2 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180125.2 ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.84.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.