id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 20 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 Rolnummer: C.24.0128.N Zaak: COEMANS EN COLAERS GEASSOCIEERDE NOTARI contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-12-17 Raadplegingen: 477 - laatst gezien 2026-06-17 14:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.4 Fiches 1 - 2 De rechter die opnieuw uitspraak doet over een geschilpunt waarover hij zijn rechtsmacht heeft uitgeput, begaat machtsoverschrijding; dit geldt niet enkel voor hetgeen de rechter over een geschilpunt heeft beslist, maar ook voor hetgeen, ingevolge het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de conclusie C.24.0128.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat notaris X in 2012 een fout begaat waardoor de verweerders schade oplopen waarvoor de eiseres als notariskantoor bij tussenvonnis van 8 februari 2019 aansprakelijk wordt gesteld. Het debat wordt heropend de om de verweerders toe te laten hun schade definitief te begroten. Het beroep tegen dit tussenvonnis wordt afgewezen in een tussenarrest van 16 maart 2020, dat de aansprakelijkheid van notaris X “en dus van de [eiseres]” bevestigt en een deskundige aanstelt om de schade te begroten. Nadien laat de eiseres gelden dat het tussenarrest van 16 maart 2020 in deze zaak, dat beslist dat notaris X in 2012 een fout beging in oorzakelijk verband met de schade van verweerders en dat dit een fout uitmaakt van de eiseres, geen eindbeslissing bevat over het thans door haar opgeworpen geschilpunt, volgens hetwelk zij niet aansprakelijk is voor de fout van notaris X omdat die fout in het jaar 2012 werd begaan en zij pas in het jaar 2014 werd opgericht, dit gezien tot aan dit tussenarrest er geen geschilpunt was betreffende de aansprakelijkheid van eiseres voor een fout van notaris X.
- Het bestreden arrest verwerpt dit middel en oordeelt dat de beslissing over de aansprakelijkheid van notaris X en van de eiseres een eindbeslissing is zoals bedoeld bij artikel 19 Ger. W. die de rechtsmacht van het hof van beroep over dit geschilpunt heeft uitgeput en waarop niet meer kan worden teruggekomen.
- Tegen die verwerping formuleert de eiseres een middel tot cassatie. 2 Weergave van het enig middel.
- Het enig middel voert de schending aan van artikel 19, eerste en tweede lid, en artikel 1042, van het Gerechtelijk Wetboek, alsook van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Het middel bevat twee grieven. De eerst grief houdt in dat de appelrechter niet kon oordelen dat zijn rechtsmacht is uitgeput over een bepaald geschilpunt aangezien dit vereist dat de partijen over dit punt een debat hebben gevoerd. De partijen hebben een debat gevoerd over de aansprakelijkheid van notaris X, maar niet over de aansprakelijkheid of toerekenbaarheid daarvan aan de eiseres, waardoor dit geen geschilpunt en geen debat betrof waarover de appelrechter een eindbeslissing heeft genomen (of kunnen nemen) en aldus zijn rechtsmacht daarover niet heeft uitgeput. De tweede grief voert een schending aan van de bewijskracht van de laatste conclusies van de beide partijen (neergelegd voor het tussenarrest van 16 maart 2020) door daarin te lezen dat een betwisting of debat werd gevoerd over de aansprakelijkheid van eiseres, terwijl dat niet in die conclusies kan worden gelezen. 3 Bespreking.
- Krachtens artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is een vonnis een eindvonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij wet bepaald. De rechter pleegt machtsoverschrijding en schendt voormeld artikel 19, eerste lid, wanneer hij uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet langer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen erover definitief uitspraak heeft gedaan. De exceptie van rechtsmacht verhindert dat de appelrechter terugkomt op een definitieve beslissing waaromtrent zijn rechtsmacht is uitgeput
(1). 6. De regel van de uitputting van de rechtsmacht leunt zeer nauw aan bij de regel van het gezag van gewijsde. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet enkel uit tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, maar ook tot hetgeen de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(2). Het gezag van gewijsde, in zijn negatief aspect, verhindert dat eenzelfde vordering waarover de rechter uitspraak heeft gedaan, opnieuw wordt ingesteld
(3). Het belangrijkste verschil is dat het verbod op machtsoverschrijding enkel speelt enkel binnen dezelfde zaak. Wanneer partijen een eerste procedure voeren en nadien opnieuw naar de rechter trekken met dezelfde vordering, speelt het verbod op machtsoverschrijding niet
(4). Het gezag van gewijsde geldt over de zaken heen
(5). Een ander belangrijk verschil is dat de uitputting van de rechtsmacht de openbare orde raakt, terwijl dat niet geldt voor de exceptie van gewijsde
(6). SOBRIE acht de kritiek in de rechtsleer op dit onderscheid niet geheel ten onrechte. Hij argumenteert dat bij machtsoverschrijding een procespartij de keuze zou moeten hebben tussen de exceptie van gewijsde en de exceptie van uitputting van rechtsmacht. In meerdere arresten overweegt het Hof dat de rechter die terugkomt op een in een eerdere fase van de procedure gewezen beslissing, niet het gezag van gewijsde van die beslissing schendt, maar (uitsluitend) machtsoverschrijding begaat
(7), hetgeen SOBRIE en TAELMAN niet correct voorkomt
(8).
- De uitwerking en inhoudelijke toetsing van de exceptie van gewijsde is gelijkaardig aan die van de exceptie van uitputting van rechtsmacht. Daar waar het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet enkel uitstrekt tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, verdient de uitputting van rechtsmacht een gelijkaardige toepassing. De uitputting van rechtsmacht geldt dan niet alleen voor hetgeen de rechter over een geschilpunt heeft beslist, maar ook voor hetgeen, ingevolge het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt.
- Zelfs al hebben de partijen voor de appelrechter niet uitdrukkelijk over de toerekenbaarheid van de wanprestatie aan de eiseres een betwisting en debat gevoerd over, maken de beslissingen over de fout, aansprakelijkheid en het oorzakelijk verband, waaronder de overweging dat de eiseres aansprakelijk is, en waarover de partijen tegenspraak hebben gevoerd en kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag uit van de beslissing over de geschilpunten over de fout en de aansprakelijkheid. Het volstaat dat het geschilpunt, hier over de fout en de aansprakelijkheid, aan de rechter was voorgelegd en dat de partijen hierover debat konden voeren, zelfs indien zij geen betwisting en debat hebben gevoerd over de aansprakelijkheid/toerekenbaarheid van de eiseres
(9). In zoverre de eerste grief uitgaat van het tegendeel, faalt hij naar recht.
- De beslissing van de appelrechter dat hij zijn rechtsmacht over het geschilpunt over de aansprakelijkheid van de notaris en derhalve van de eiseres heeft uitgeput en daarover een eindbeslissing heeft gewezen waarop hij niet meer kan terugkomen, is mijns inziens naar recht verantwoord. In zoverre kan de eerste grief niet worden aangenomen.
- Daar waar de tweede grief de schending van de bewijskracht van de conclusies aanvoert, blijkt uit de bestreden beslissing niet dat de appelrechter uitlegging geeft aan een in een conclusie opgeworpen middel. De aangevoerde schending van de bewijskracht van de conclusies mist feitelijke grondslag. Conclusie: verwerping. _____________________________________________________________
(1)Cass. 28 januari 2016, AR C.15.0321.N, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160128.5, AC 2016, nr. 65, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160128.5.
(2)Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0188.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3, AC 2019, nr. 26, met concl. van eerste advocaat-generaal R. MORTIER, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.8; Cass. 5 september 2022, AR C.21.0527.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4; Cass. 6 maart 2023, AR C.22.0272.N,ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3; K. WAGNER, Burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Maklu 2014, p. 664, nr. 777; P. TAELMAN, “Uitputting van rechtsmacht, gebrek aan rechtsmacht en gezag van gewijsde”, R.Cass. 1994,
(106), 108, nr. 11; P. TAELMAN, “Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie”, Diegem, Kluwer 2001, p. 95-130.
(3)Art. 25 Ger.W.
(4)Cass. 8 juni 2018, AR C.18.0010.F, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180608.2, AC 2018, nr. 369; Cass. 24 november 1994, AR C.93.0484.F, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941124.9, AC 1994, nr. 510; Cass. 19 maart 1992, AR 9122, ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920319.13, AC 1992, nr. 384; Cass. 18 juni 1987, AR 7614, ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19870618.13, AC 1987, nr. 638.
(5)S. SOBRIE, “Art. 19 Ger.W.”, Comm.Ger. 2019 Afl. 114, Art. 19-19, randr. 16, 31.
(6)Art 27 Ger.W.; Cass. 20 oktober 1994, AR C.93.0485.F, ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941020.12, AC 1994, nr. 444.
(7)Cass. 17 april 2012, AR P.11.2059.N, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.11, AC 2012, nr. 235; Cass. 29 april 2011, AR C.10.0132.N, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.1, AC 2011, nr. 287; Cass. 13 oktober 2003, AR S.03.0010.F, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031013.5, AC 2003, nr. 493; Cass. 14 juni 1996, AR C.95.0265.F, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960614.6, AC 1996, nr. 236; Cass. 21 september 1995, AR C.93.0290.N, ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950921.2 , AC 1995, nr. 393.
(8)S. SOBRIE, “Art. 19 Ger.W.”, Comm.Ger. 2019 Afl. 114, Art. 19-21, randr. 17, 33, waaruit het volgende citaat: “terwijl niet elk probleem van gezag van gewijsde ook een probleem van rechtsmacht is, is elk probleem van rechtsmacht wel degelijk ook een probleem van gezag van gewijsde”; P. TAELMAN, “Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie”, Diegem, Kluwer 2001, 119-122.
(9)Cass. 6 oktober 2025, AR C.22.0314.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.5. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1987:ARR.19870618.13 ECLI:BE:CASS:1992:ARR.19920319.13 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941020.12 ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941124.9 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950921.2 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960614.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031013.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110429.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.11 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160128.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160128.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180608.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230306.3N.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div